ECLI:NL:GHARL:2026:237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
23/349
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.5 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 110 VWEUArt. 19a lid 3 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering auto en overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende kocht in 2019 een Porsche Macan in Duitsland en betaalde BPM over de auto. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op vanwege een lagere waardering van de auto door herstelkosten. Belanghebbende betwistte de hoogte van de schade en de waardevermindering.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de naheffingsaanslag. Belanghebbende ging in hoger beroep en voerde aan dat de taxatiewaarde en schade hoger waren dan door de Inspecteur erkend, en dat de redelijke termijn was overschreden.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de herstelkosten hoger waren dan vastgesteld door de Inspecteur. Ook was de waardevermindering terecht vastgesteld op 83% van de herstelkosten. De overschrijding van de redelijke termijn van bijna een jaar leidde tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd, met een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/349
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 14 december 2022, nummer AWB 22/280, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 7.831. Daarbij is tevens € 52 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 759, € 181 en € 500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 15 oktober 2019 in Duitsland een Porsche Macan (hierna: de auto) gekocht voor € 41.000. Belanghebbende heeft ter zake van deze auto op aangifte een bedrag van € 10.982 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de herstelkosten zijn gecalculeerd op een bedrag van € 32.752. Daarvan is 100% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport zijn de herstelkosten gecalculeerd op € 7.690. Daarvan is 83%, ofwel € 6.364, als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Naar aanleiding van de bevindingen van dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.831. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 70.328
BPM (CO2-uitstoot 204 gr/km)
31.953
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
102.281
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; XRay marge)
68.477
Dealer- en marksituatie
Schade
-/- 6.364
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
62.113
Afschrijving
39,27%
Historische BPM (CO2-uitstoot 204 gr/km)
31.953
Afschrijving (39,27%)
-/- 12.552
= Verschuldigde BPM
19.401
Extra leeftijdskorting
-/- 588
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 10.982
Naheffingsaanslag
€ 7.831
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
(i) dat de handelsinkoopwaarde met € 32.752 moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade;
(ii) dat de door DRZ gecalculeerde herstelkosten van € 7.690 voor 100% als schade in mindering moeten worden gebracht op de handelsinkoopwaarde; en
(iii) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt onvoldoende nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank. Bij dit bewijsoordeel neemt het Hof het hiernavolgende in aanmerking.
4.2.
In het rapport van DRZ zijn de herstelkosten gecalculeerd op € 7.690. Daarvan heeft een bedrag van € 3.575 betrekking op onderdelen en een bedrag van € 2.991 op spuitwerkzaamheden. Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is 83% van deze herstelkosten als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
4.3.
In belanghebbendes taxatierapport zijn de herstelkosten gecalculeerd op een bedrag van € 32.752. Daarvan heeft een bedrag van € 20.967 betrekking op onderdelen en een bedrag van € 4.863 op spuitwerkzaamheden. Van deze herstelkosten is 100% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Ter onderbouwing van deze herstelkosten heeft belanghebbende bij de Rechtbank twee facturen ingebracht, alsmede een uitdraai van een ‘winkelmandje’ van de website partslinks24.com.
4.4.
Uit de factuur van 24 december 2019 – ten bedrage van € 1.899 – blijkt dat deze met name betrekking heeft op ‘herstelwerkzaamheden plaat/spuitwerk’. In de factuur van 28 december 2019 – ten bedrage van € 9.407 – is als omschrijving vermeld ‘plaatwerk uitdeuken en spuiten, vervangen van diverse onderdelen, diverse onderdelen, arbeid’.
4.5.
Naar het oordeel van het Hof zijn de algemene, niet gespecificeerde omschrijvingen in beide facturen niet te herleiden tot de in belanghebbendes taxatierapport opgegeven herstelwerkzaamheden, zodat niet aannemelijk is geworden dat meer herstelkosten in aanmerking moeten worden genomen dan DRZ reeds heeft gedaan. Verder komt aan de uitdraai van het ‘winkelmandje’ geen bewijskracht toe nu dit geen factuur voor verrichte reparaties betreft.
Handelsinkoopwaarde; percentage waardevermindering
4.6.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 83% van de door hem geraamde herstelkosten van € 7.690 in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.7.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 2019) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan – in dit geval het door de Inspecteur geaccepteerde percentage van – 83% van de geraamde herstelkosten. [1] Het Hof acht belanghebbende daarin niet in geslaagd. De stelling van belanghebbende dat het een jonge auto met een lage kilometerstand betreft, en dat sprake is van een omvangrijke en technisch gecompliceerde schade, acht het Hof daartoe niet toereikend. Dat sprake is van een omvangrijke en technisch gecompliceerde schade is niet aannemelijk gemaakt. Verder zegt de enkele stelling dat sprake is van een jonge auto met weinig kilometers onvoldoende over de concrete waardevermindering van de onderhavige auto.
4.8.
Anders dan belanghebbende betoogt is de 72%-regeling niet strijdig met artikel 110 VWEU Pro, omdat deze regeling aan de belastingplichtige voldoende gelegenheid biedt om het van hem gevraagde bewijs te leveren dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. [2]
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
4.9.
De procedure in hoger beroep is op 19 januari 2023 aangevangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak op 13 januari 2026. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal bijna drie jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met bijna een jaar overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op twee maal € 500, [3] ofwel € 1.000. De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
De uitspraak van Rechtbank wordt gehandhaafd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

2.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [4] Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoek, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934).
5.2.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed. [5]

3.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; en
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084.
2.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
3.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift op 19 januari 2023 is ingediend.
4.HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2.
5.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.