Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2379

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.358.926/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 7 lid 1 Brussel II-ter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling in belang van kinderen

Partijen zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen met een speciale zorgbehoefte. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en een omgangsregeling vastgesteld. De vader ging in hoger beroep tegen de beëindiging van het gezag en wilde de omgangsregeling uitbreiden met een regeling voor feestdagen en vakanties.

Het hof oordeelt dat de gewijzigde omstandigheden, waaronder moeizame communicatie tussen ouders en de zorgbehoefte van de kinderen, het noodzakelijk maken dat de moeder het gezag alleen uitoefent. De vader en moeder konden ondanks inspanningen niet tot een werkbare gezamenlijke gezagsuitoefening komen. De omgang tussen vader en kinderen verloopt goed, en partijen zijn het eens geworden over de omgang tijdens vakanties en feestdagen.

Het hof bekrachtigt daarom de beëindiging van het gezamenlijk gezag en stelt de omgangsregeling vast zoals overeengekomen, met een gedetailleerde verdeling van vakanties en feestdagen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en stelt een uitgebreide omgangsregeling vast in het belang van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.926/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 189346)
beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 28 augustus 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 25 september 2025 met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 5 februari 2026 met bijlagen;
- een brief namens de moeder van 11 maart 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage.
2.2.
De minderjarige, [de minderjarige2] , is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De minderjarige, [de minderjarige1] , heeft zijn mening op 23 maart 2026 kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad. De voorzitter heeft daarbij een samenvatting gegeven van het gesprek met [de minderjarige1] .

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn gehuwd op 14 maart 2012 in Turkije. Het huwelijk van partijen is op 17 januari 2023 ontbonden door echtscheiding. De vader heeft de Turkse nationaliteit en de moeder de Nederlandse nationaliteit.
3.2.
Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2014 te [plaats1] ;
- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2016 te [plaats2] .
De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zij hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. De moeder heeft sinds de bestreden beschikking alleen ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Daarvoor hadden de vader en de moeder gezamenlijk het gezag.
3.3.
De moeder is op 24 juli 2023 naar [woonplaats2] verhuisd. Zij is daar gaan samenwonen met haar nieuwe partner.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad het gezamenlijk gezag door de rechtbank beëindigd en een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld inhoudende:
- de kinderen verblijven vanaf 16 mei 2025 eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.30 uur bij de vader;
- met ingang van uiterlijk 11 juli 2025 (of eerder in onderling overleg overeengekomen) verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader;
- op de dagen en/of weken dat er geen school is, verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 16.00 uur tot maandagochtend 10.00 uur bij de vader.
4.2.
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd en dat de omgangsregeling aangevuld moet worden met een regeling voor de feestdagen en vakanties, in die zin dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
4.3.
De moeder voert verweer en zij verzoekt de bestreden beschikking op het punt van het gezag te bekrachtigen en de verzochte aanvulling van de omgangsregeling enkel toe te wijzen indien deze wordt geconcretiseerd als bedoeld in bijlage 2 (bij het verweerschrift van de moeder).

5.De motivering van de beslissing

IPR
5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter omdat de vader de Turkse nationaliteit heeft. Het hof zal daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Nu de kinderen in Nederland wonen is de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Brussel Pro II-ter bevoegd om deze zaak te behandelen. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt zal nemen.
Gezag
5.2.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3.
Er zijn gewijzigde omstandigheden nu in 2023 en begin 2024 de vader en de kinderen geruime tijd geen contact met elkaar hebben gehad, de vader persoonlijke problematiek heeft, de communicatie tussen de ouders moeizaam is en de woonsituatie van de moeder en de kinderen is gewijzigd.
5.4.
De moeder heeft de afgelopen jaren grote inspanning geleverd om de vader in contact te brengen en te houden met de kinderen en om beslissingen samen met de vader te nemen. Zij heeft via verschillende communicatiekanalen contact met de vader gezocht en zij heeft het wijkteam als tussenpersoon ingeschakeld. In 2023 heeft zij een kort geding gevoerd met als doel nakoming van de zorgregeling door de vader. Een ander door de moeder gestart kort geding, om toestemming van de vader te krijgen voor het inzetten van hulpverlening voor [de minderjarige1] , hoefde uiteindelijk geen doorgang te vinden, omdat de vader alsnog toestemming gaf. Na een onderzoek door de raad zijn de ouders in januari 2024 verwezen naar het traject [naam1] ( [naam1] ) van het [naam2] ( [naam2] ) van [naam3] . Het is de ouders in dat [naam1] -traject niet gelukt om tot definitieve afspraken over een zorgregeling te komen. Wel hebben zij in dat [naam1] -traject toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.
5.5.
Het contact tussen de vader en de kinderen is op zichzelf goed, zo begrijpt het hof uit wat partijen hebben aangegeven. De communicatie tussen de ouders verloopt echter nog steeds moeizaam en niet efficiënt, ondanks het feit dat de vader aangeeft dat het, in tegenstelling tot de voorgaande jaren, beter met hem gaat. De vader is onzeker over wat hij wel en niet mag, gaf hij tijdens de mondelinge behandeling aan, en mede dit vormt een belemmering voor hem voor het nemen van snelle (gezags)beslissingen. De vader gaf ook aan soms ChatGPT te gebruiken voor zijn schriftelijke communicatie met de moeder, maar die manier van communiceren zorgt geregeld voor meer vragen dan voor duidelijkheid. Uit de overgelegde voorbeelden van correspondentie tussen de ouders blijkt dat het maken van afspraken over en afstemmen van praktische zaken, zoals het betalen van kosten, het halen en brengen van de kinderen en het inplannen van vakanties veel tijd en energie vraagt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen is een voldoende goede communicatie vereist en moeten de ouders daadwerkelijk samen beslissingen kunnen nemen. Dit is juist in deze situatie, waarbij de kinderen een verzwaarde zorgvraag hebben extra belangrijk omdat er, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, steeds meer beslissingen genomen zullen moeten worden, die ook complex(er) van aard zullen zijn. Beide kinderen volgen speciaal basisonderwijs. Bij [de minderjarige1] waren er zorgen over zijn mentale welzijn en werden kenmerken van ASS en/of een discrepantie in zijn intelligentie gezien. Bij [de minderjarige2] is sprake van een taalontwikkelings-stoornis. Zij kan zich niet goed met woorden uiten. [de minderjarige2] kent geen grenzen en functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Het hof heeft niet de verwachting dat de communicatie tussen de ouders op redelijke termijn voldoende voortvarend zal verbeteren en dat de noodzakelijke beslissingen snel genoeg door beiden tezamen genomen kunnen worden. Het is daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder op dit moment al alleen het gezag heeft over de kinderen, zodat zij de voor hen nodige beslissingen kan nemen. Het advies van de raad om partijen eerst nog de gelegenheid te geven (opnieuw) hulpverlening voor het verbeteren van de communicatie in te zetten voordat over het gezag wordt beslist, volgt het hof daarom niet. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en de beëindiging van het gezamenlijk gezag daarmee in stand laten.
Omgang
5.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij akkoord gaat met het voorstel van de moeder voor de omgang tijdens de vakanties en feestdagen, dat gelijk is aan wat de vader en de moeder eerder in het door hen opgestelde ouderschapsplan hebben opgenomen. De vader en de moeder hebben beiden verzocht of het hof die regeling wil opnemen in de uitspraak. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoeken in hoger beroep wat betreft de omgang tijdens de vakanties en feestdagen conform de bereikte overeenstemming hebben gewijzigd. Het hof zal daarom de omgang tijdens de vakanties en feestdagen vaststellen zoals partijen zijn overeengekomen, nu deze in het belang van de beide kinderen wordt geacht.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
6.2.
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, team familierecht, voor aantekening van de beslissing in het centraal gezagsregister;
6.3.
stelt daarnaast de volgende omgangsregeling tijdens de vakanties en feestdagen vast:
De vakanties worden op de volgende wijze verdeeld:
  • zomervakantie: in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren is het andersom;
  • herfstvakantie: in de oneven jaren de vader en in de even jaren de moeder;
  • kerstvakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg;
  • krokusvakantie: in de oneven jaren de moeder en in de even jaren de vader;
  • meivakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg.
De feestdagen worden op de volgende wijze verdeeld:
  • kerst: de kinderen verblijven een dag bij de vader en een dag bij de moeder in onderling overleg;
  • Oud en nieuw: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
  • Pasen: conform omgangsregeling;
  • Pinksteren: conform omgangsregeling;
  • Hemelvaartsdag: conform omgangsregeling;
  • ramadan: de vader;
  • Offerfeest: de vader;
  • Suikerfeest: de vader;
  • Sint Maarten: de moeder;
  • sinterklaas: de kinderen vieren bij de beide ouders een keer sinterklaas;
  • Koningsdag: conform omgangsregeling;
  • Moederdag en Vaderdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag bij de vader.
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. L. van Dijk, en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.