Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2381

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.360.539/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag ondanks verstoorde communicatie tussen ouders

De moeder en vader zijn ouders van een minderjarige geboren in 2013. De moeder was minderjarig bij de geboorte en had aanvankelijk het alleen gezag. De vader startte in 2020 een procedure om erkenning en omgang te verkrijgen. Sinds 2022 staat de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).

De rechtbank verleende in juli 2025 gezamenlijk gezag aan beide ouders, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep. Het hof bevestigt dat de vader sinds 2020 actief heeft geprobeerd betrokken te zijn, maar door het handelen van de moeder op afstand is gehouden. De moeder heeft PTSS-klachten en ervaart stress bij contact met de vader, maar het hof benadrukt haar verantwoordelijkheid om communicatie te faciliteren.

Het hof oordeelt dat het belang van het kind gediend is met gezamenlijk gezag en dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt. De vader misbruikt zijn gezag niet en gebruikt het om betrokken te zijn bij school en hulpverlening. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst de moeder erop de beslissing op een neutrale wijze aan de minderjarige te communiceren, eventueel met hulp van de GI.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag toe en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.539/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 174283)
beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 januari 2021, 12 mei 2021, 17 oktober 2022, 27 oktober 2023, 25 april 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
De beschikking van 23 juli 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 oktober 2025;
- een brief namens de moeder van 20 oktober 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 31 oktober 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de moeder van 24 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 17 maart 2026 met bijlage(n).
2.2.
Op 23 maart 2026 heeft de hierna nader te noemen [de minderjarige] gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter hiervan een samenvatting gegeven.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers namens de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (verder: de GI), die door het hof in deze procedure als informant is aangemerkt en is opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
- een vertegenwoordiger namens de raad.

3.De feiten

3.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2013.
3.2.
De moeder was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] minderjarig. De voormalige Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland is bij beschikking van 11 september 2013 belast met de uitoefening van de voogdij over [de minderjarige] .
Bij beschikking van 12 maart 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] zal zijn belast.
3.3.
De procedure bij de rechtbank is gestart op 7 augustus 2020. De vader heeft toen een verzoekschrift ingediend met verzoeken tot het verlenen van vervangende toestemming aan de vader voor erkenning van [de minderjarige] en tot het vaststellen van een omgangsregeling.
3.4.
Sinds 23 mei 2022 staat [de minderjarige] onder toezicht van de GI.
3.5.
Bij beschikking van 17 oktober 2022 heeft de rechtbank de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen.
3.6.
Bij beschikking van 27 oktober 2023 heeft de rechtbank naar aanleiding van een aanvullend verzoek van de vader, kort samengevat, bepaald dat de moeder eens per twee maanden de vader moet informeren over belangrijke zaken met betrekking tot de ontwikkeling van [de minderjarige] . De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het hof heeft op 15 april 2024 de beschikking van 27 oktober 2023 bekrachtigd.
3.7.
Bij beschikking van 25 april 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de moeder bevolen om de informatieregeling zoals opgenomen in de beschikking van 27 oktober 2023 na te komen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de moeder een dwangsom is verschuldigd van € 500,- per keer dat zij de informatieplicht niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-.
3.8.
Op 17 maart 2025 heeft de vader een (aanvullend) verzoek tot gezamenlijk gezag ingediend.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] . De rechtbank heeft de beslissing over de zorgregeling (opnieuw) aangehouden.
4.2.
De moeder komt met zes grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven zien op het gezag over [de minderjarige] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het betreft de beslissing over het gezag, en in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen.
4.3.
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , moet worden toegewezen. Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking die zien op het gezag over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.3.
De moeder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [de minderjarige] vanwege alle spanningen en de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders nu al op grote afstand van de vader staat. Volgens de moeder is deze afstand het gevolg van het langdurig ontbreken van iedere betrokkenheid van de vader: hij is ruim elf jaar volledig afwezig geweest in [de minderjarige] leven, aldus de moeder.
Het hof volgt de moeder hierin niet. De vader is in augustus 2020, dus al ongeveer 5,5 jaar geleden, een procedure bij de rechtbank gestart om [de minderjarige] te kunnen erkennen en omgang met hem te kunnen hebben. Sindsdien heeft de rechtbank verschillende tussenbeschikkingen gegeven en is er veel geprobeerd om - in de situatie dat de moeder alleen het gezag had - de vader te betrekken in het leven van [de minderjarige] . De moeder heeft deze 5,5 jaar niet of onvoldoende voortvarend mee willen werken aan het betrekken van de vader in het leven van [de minderjarige] . Zo heeft het na het indienen van het inleidend verzoek door de vader een aantal jaren, namelijk tot begin 2025, geduurd voordat de moeder statusvoorlichting aan [de minderjarige] heeft gegeven en voordat er omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de vader konden plaatsvinden. Het is dus door het handelen van de moeder zelf dat de vader de afgelopen jaren op afstand is gehouden en hij niet of nauwelijks een positie heeft kunnen krijgen in het leven van [de minderjarige] . Daarmee is niet alleen de vader tijd ontnomen om [de minderjarige] te leren kennen, maar is ook [de minderjarige] in een heel moeilijke positie gebracht. Bovendien was de vader hierdoor genoodzaakt om tijdens de procedure bij de rechtbank meerdere aanvullende verzoeken in te dienen.
Met betrekking tot de stelling van de moeder dat de vader na de geboorte van [de minderjarige] zelf zou hebben verklaard geen rol te willen spelen in het leven van [de minderjarige] , overweegt het hof als volgt. De vader had destijds zijn leven niet op orde. Hij had meerdere strafbare feiten gepleegd, kampte met drank- en drugsproblemen en had financiële problemen. Hij heeft daarom bewust de keuze gemaakt, ook in het belang van [de minderjarige] , om eerst zelf zijn leven op orde te krijgen. De vader heeft in de jaren na de geboorte van [de minderjarige] hard aan zichzelf gewerkt. Uit de stukken blijkt dat hij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij wil nu al langere tijd (in elk geval sinds 2020) betrokken zijn in het leven van [de minderjarige] . Naar het oordeel van het hof is het in het belang van [de minderjarige] dat de vader zijn vaderrol op zich kan nemen.
5.4.
De omstandigheid dat de moeder en de vader al jarenlang niet of nauwelijks met elkaar communiceren, betekent niet dat de moeder daarom alleen het gezag moet houden. In dit geval acht het hof het relevant wat maakt dat er geen communicatie tussen de ouders is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat het met name de moeder is die niet wil communiceren en samenwerken met de vader. Namens de moeder is ter zitting aangegeven dat het bij haar meer een kwestie is van niet in staat zijn om contact te hebben met de vader, dan een kwestie van geen contact willen met de vader. Volgens de moeder heeft zij PTSS-klachten door de vader en roept elk contact met de vader bij haar hevige stress en angst op. Het hof wijst de moeder erop, net als onder andere de raad en het [naam1] ( [naam1] ) ook hebben gedaan, dat het de verantwoordelijkheid van haar is om het ex-partnerschap los te zien van het ouderschap. Als ouder van [de minderjarige] heeft zij de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er voldoende communicatie met de vader is om gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen. Tot nu toe heeft zij nog onvoldoende inspanningen verricht om dit te bereiken. De GI en de hulpverlening zijn er om haar hierin te ondersteunen. De GI heeft ter zitting verklaard nog mogelijkheden te zien om in het kader van de ondertoezichtstelling te werken aan de onderlinge communicatie tussen de ouders. Het hof geeft de moeder mee dat zij voor [de minderjarige] verplicht is eraan te werken, mogelijk met de ondersteuning van hulpverlening (parallel aan of tijdens het traject bij [naam1] ), om een vorm te vinden waarmee zij in staat is om het voor gezamenlijk gezag noodzakelijke contact met de vader aan te gaan. Zoals de GI ook ter zitting heeft aangegeven, zijn er verschillende vormen van communicatie mogelijk en kan bekeken worden welke vorm in dit geval het meest passend is. Daarbij komt dat de GI op dit moment in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken is en een rol kan spelen in de communicatie tussen de ouders.
5.5.
Verder is het hof niet gebleken dat de vader, sinds hij met de moeder het gezamenlijk gezag heeft over [de minderjarige] , zijn gezag misbruikt. Hij gebruikt zijn gezag vooral om bijvoorbeeld van de school en de hulpverlening informatie over [de minderjarige] te krijgen, zodat hij beter kan aansluiten bij [de minderjarige] tijdens de contactmomenten. De vader heeft op dit moment eens in de twee weken gedurende 1,5 uur begeleide omgang met [de minderjarige] op een neutrale locatie. De ouders hebben ter zitting verklaard dat de rechtbank in maart 2026 een definitieve zorgregeling heeft bepaald, waarbij wordt toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige] bij de vader overnacht.
Het hof acht het voor het laten slagen van de zorgregeling van belang dat de vader zelf informatie kan inwinnen over [de minderjarige] . Ook omdat de moeder moeite heeft om de aan haar opgelegde informatieverplichting op een behoorlijke wijze na te komen.
5.6.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de onder 5.1 genoemde gronden voor afwijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag. Het hof zal de beslissing over het gezag in de bestreden beschikking dan ook in stand laten.
Terugkoppeling beslissing hof aan [de minderjarige]
5.7.
heeft tijdens het gesprek met de raadsheer gezegd dat hij de beslissing van het hof van de moeder wil horen. Hij vindt de situatie heel raar, want hij heeft nooit geweten dat hij een vader had. De beslissing van het hof dat het gezamenlijk gezag in stand blijft, is niet de wens van de moeder en ook niet wat [de minderjarige] wil. Het hof vindt het wel belangrijk voor [de minderjarige] dat de beslissing van het hof op een neutrale, opbouwende manier aan hem wordt verteld. Het hof wijst de moeder erop dat het haar verantwoordelijkheid als ouder is om dit op die manier te doen. Als de moeder zichzelf daar onvoldoende toe in staat acht, kan ze de GI hierbij om hulp vragen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. Pieters en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.