Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2396

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
200.354.079
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:404 BWArt. 7:405 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging betalingsverplichting voor fiscale adviesfacturen ondanks onvrede opdrachtgever

De Jachthoorn en STP sloten een overeenkomst van opdracht voor fiscale advieswerkzaamheden. De Jachthoorn liet een deel van de facturen onbetaald en stelde in reconventie dat een betalingsafspraak van 15 april 2024 vernietigd moest worden wegens dwaling.

De kantonrechter wees de vorderingen van STP toe, en in hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat de afspraak van 15 april 2024 een betalingstoezegging betrof voor reeds verschuldigde facturen, en geen schikking of opdracht met het oog op een persoon.

De Jachthoorn kon onvoldoende aantonen dat de opdracht exclusief aan de contactpersoon was verleend of dat het vertrek van deze persoon de afspraak deed vervallen. Ook was er geen duidelijke kosteninschatting gegeven, maar De Jachthoorn had de betaling toegezegd.

Het hof veroordeelde De Jachthoorn tot betaling van de openstaande facturen en proceskosten, en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt De Jachthoorn tot betaling van de openstaande facturen en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.079
zaaknummer rechtbank 11318216
arrest van 21 april 2026
in de zaak van
De Jachthoorn B.V.
die is gevestigd in Hoenderloo
hierna: De Jachthoorn
advocaat: mr. L.M. Graal
en
STP Tax B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
hierna: STP
advocaat: mr. J.K.A. van Loo

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De Jachthoorn heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 19 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte overlegging producties van STP;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 februari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
De Jachthoorn en STP hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan STP werkzaamheden op fiscaal gebied voor De Jachthoorn heeft verricht. De Jachthoorn heeft een aantal facturen onbetaald gelaten.
2.2.
STP heeft bij de kantonrechter gevorderd dat De Jachthoorn wordt veroordeeld om een bedrag van € 24.615,73 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 21.874,15. Daarnaast heeft STP gevorderd dat De Jachthoorn wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 993,74.
2.3.
In voorwaardelijke reconventie heeft De Jachthoorn bij de kantonrechter gevorderd dat, voor zover STP aan haar vordering de betalingsafspraak van 15 april 2024 ten grondslag heeft gelegd, die afspraak wordt vernietigd wegens dwaling.
2.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van STP toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.5.
Het hof zal beslissen dat het oordeel van de kantonrechter in stand blijft en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en achtergrond van de zaak
3.1.
Het hof gaat uit van de feiten die de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 19 maart 2025 heeft vastgesteld. Samengevat kent deze zaak de volgende achtergrond.
3.2.
De Jachthoorn is via een van haar adviseurs in contact gekomen met de heer [naam1] , fiscalist bij STP (hierna: ‘ [naam1] ’). De Jachthoorn had vragen naar aanleiding van de (gevolgen van de) Wet excessief lenen. STP en De Jachthoorn hebben in juni 2023 een overeenkomst gesloten, op grond waarvan STP (advies)werkzaamheden op fiscaal gebied voor De Jachthoorn heeft verricht.
3.3.
In de opdrachtbevestiging is opgenomen dat het honorarium is gebaseerd op een uurtarief van € 185 tot € 395, afhankelijk van de senioriteit van de betrokken medewerker en andere factoren, zoals het aantal aan de betreffende werkzaamheden bestede uren en de aard van de werkzaamheden. Facturering geschiedt maandelijks.
3.4.
Begin oktober 2023 heeft De Jachthoorn een e-mail gestuurd aan STP waarin zij haar zorgen over de oplopende kosten kenbaar heeft gemaakt en heeft gevraagd om de recente factuur te bespreken. De Jachthoorn geeft daarin aan dat er enkel een strategie is opgesteld en dat er geen indicatie is geweest hoeveel uur daarmee gemoeid zou zijn. STP heeft daarop gereageerd en aangegeven dat zij een inschatting van de kosten zal geven wat betreft de besproken toekomstige werkzaamheden. Deze kosteninschatting is vervolgens niet gegeven.
3.5.
In december 2023 heeft STP opnieuw een factuur gestuurd. In januari 2024 heeft De Jachthoorn aangegeven dat zij vindt dat het tot dan toe gedeclareerde bedrag de spuigaten uitloopt. Ook begin april 2024 geeft De Jachthoorn aan dat zij zich afvraagt of de kosten nog wel lonend zijn.
3.6.
De facturen over de maanden oktober tot en met december 2023 heeft De Jachthoorn (groten)deels onbetaald gelaten. Het openstaande bedrag over die periode is € 21.874,15 inclusief btw.
3.7.
Op 15 april 2024 hebben De Jachthoorn en STP een afspraak gemaakt over de betaling van de openstaande facturen. Deze afspraak houdt het volgende in:
3.8.
De correspondentie werd aan de zijde van STP telkens gevoerd door [naam1] en de heer [naam2] (hierna: ‘ [naam2] ’). [naam2] was medeondertekenaar van een aantal berichten en stond bij ieder bericht in de cc.
3.9.
Op 29 april 2024 heeft [naam1] zijn vertrek bij STP aangekondigd bij De Jachthoorn.
3.10.
De Jachthoorn heeft op 16 juli 2024 aan [naam2] gemaild dat hij teleurgesteld is in de aard en wijze waarop STP de opdracht heeft uitgevoerd. Dit vanwege de kosten, maar ook vanwege het plotselinge vertrek van [naam1] terwijl er net een gesprek was geweest over de kosten en de voortgang. De Jachthoorn geeft in dit bericht aan dat hij zich door STP bij de neus genomen voelt.
Procedureel uitgangspunt
3.11.
De Jachthoorn heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de conclusie van antwoord in reconventie van STP heeft toegelaten, omdat De Jachthoorn daar onvoldoende op heeft kunnen reageren. De Jachthoorn heeft het hof daarom gevraagd om het hoger beroep te beoordelen zonder dit processtuk.
3.12.
De rechtbank heeft geoordeeld dat De Jachthoorn wel voldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren, zowel in haar pleitaantekeningen als mondeling tijdens de mondelinge behandeling. Het processtuk is door de rechtbank toegelaten en maakt daarmee onderdeel uit van het dossier in eerste aanleg. STP heeft in hoger beroep een beroep op dit stuk gedaan. Dat is toegestaan. Het hof wijst op de herkansingsfunctie van het hoger beroep. De Jachthoorn heeft in hoger beroep alle gelegenheid gehad om op dat processtuk (dat ook onderdeel is van het procesdossier in hoger beroep) in te gaan.
De uitgevoerde werkzaamheden
3.13.
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten (artikel 7:400 BW Pro), waarmee STP zich heeft verbonden om werkzaamheden voor De Jachthoorn uit te voeren. Als opdrachtgever is De Jachthoorn loon aan STP verschuldigd (artikel 7:405 lid 1 BW Pro). Over het loon hebben STP en De Jachthoorn afspraken gemaakt in de opdrachtbevestiging. Daarin stonden immers de uurtarieven opgenomen en een beschrijving van welke kosten en verschotten er op welke manier in rekening zouden worden gebracht.
3.14.
Tussen partijen is discussie ontstaan over de (hoogte van de) door STP gestuurde facturen. De Jachthoorn heeft aangevoerd dat de
output(de brief aan de Belastingdienst van 27 december 2023) het aantal in rekening gebrachte uren niet rechtvaardigt. De Jachthoorn heeft daaraan het gevolg verbonden dat geen sprake is van ‘redelijk loon’ in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW Pro. De situatie zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW Pro, namelijk dat partijen niets over het loon hebben afgesproken, doet zich hier echter niet voor. Uit de opdrachtbevestiging volgt immers dat partijen daarover wel afspraken hebben gemaakt. Het hof komt dus niet toe aan een beoordeling van de redelijkheid van het loon zoals bedoeld artikel 7:405 lid 2 BW Pro, maar zal beoordelen of De Jachthoorn in het licht van de overeenkomst gehouden is om het door STP gevorderde bedrag (volledig) te betalen.
3.15.
Met betrekking tot de werkzaamheden is het uitgangspunt dat STP als opdrachtnemer bij betwisting moet aantonen dat de gestelde werkzaamheden zijn verricht. STP verwijst in dat kader naar de bij de facturen gevoegde urenstaten, waarin de verrichte werkzaamheden worden gespecificeerd. Daarbij heeft STP toegelicht dat de adviesvraag van De Jachthoorn complex was, dat zij ver terug moest in de administratie van De Jachthoorn en dat De Jachthoorn herhaaldelijk geen informatie aanleverde, waardoor STP extra werkzaamheden moest verrichten.
3.16.
STP heeft een aantal stukken overgelegd om haar stellingen te onderbouwen. Uit die overgelegde stukken blijkt slechts beperkt welke werkzaamheden precies zijn verricht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft STP dit nader gespecificeerd, maar wat precies tussen partijen is afgesproken over de werkzaamheden en wat STP precies heeft gedaan, blijft onduidelijk.
3.17.
De Jachthoorn heeft herhaaldelijk om een kosteninschatting gevraagd. STP heeft toegezegd dat zij een dergelijke inschatting zou maken, maar dat is niet gebeurd. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken duidelijk dat er tussen partijen is gesproken over de kosten en dat de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden door STP zijn toegelicht.
3.18.
Wel kan uit de stukken worden afgeleid dat STP De Jachthoorn heeft verzocht om informatie aan te leveren, dat zij wachtte op stukken en dat het contact met andere betrokken partijen, bijvoorbeeld met de voorganger van STP, niet altijd gemakkelijk verliep. Dat deze gang van zaken tot extra werkzaamheden van STP heeft geleid, is aannemelijk en heeft De Jachthoorn onvoldoende gemotiveerd betwist.
3.19.
Of de werkzaamheden (daadwerkelijk) zijn verricht zoals STP heeft aangevoerd, is echter niet (langer) relevant voor de beoordeling van de vordering. De Jachthoorn heeft de betaling van de facturen die onderwerp zijn van dit geschil namelijk toegezegd. Het hof licht dit oordeel toe.
De afspraak van 15 april 2024
3.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 15 april 2024 een afspraak hebben gemaakt over de betaling van de facturen met het oog op de geuite onvrede door De Jachthoorn. Evenmin is in geschil dat partijen toen hebben afgesproken dat De Jachthoorn de facturen over de periode oktober tot en met december 2023 (de facturen waarvan STP in de procedure betaling vordert) uiterlijk 21 juni 2024 zou betalen en dat STP dan geen kosten in rekening zou brengen voor de periode tussen januari 2024 en 3 mei 2024. De Jachthoorn heeft bij deze afspraak geen voorbehouden gemaakt ten aanzien van de (redelijkheid van de) verrichte werkzaamheden over de periode tussen oktober en december 2023.
3.21.
Anders dan De Jachthoorn heeft aangevoerd, betreft deze afspraak naar het oordeel van het hof geen schikking of andere zelfstandige grondslag voor de betalingsverplichting van De Jachthoorn, maar een betalingstoezegging van op dat moment reeds verschuldigde facturen voor in haar opdracht verrichte werkzaamheden met als kennelijke tegenprestatie van de zijde van STP dat zij over een aantal maanden geen uren zou factureren. Aan het beroep op dwaling, op grond waarvan De Jachthoorn een voorwaardelijke eis in reconventie heeft ingesteld, komt het hof, evenals de kantonrechter, daarom niet toe.
3.22.
De Jachthoorn heeft zich op het standpunt gesteld dat de afspraak van 15 april 2024 is komen te vervallen als gevolg van het vertrek van [naam1] . De Jachthoorn is bij het maken van de afspraak uitgegaan van continuïteit van de werkzaamheden door zijn contactpersoon [naam1] . Het vertrek van [naam1] kwam voor hem onverwacht. Indien De Jachthoorn van dit vertrek op de hoogte was geweest, had zij de afspraak niet gemaakt, aldus De Jachthoorn. Daarnaast stelt De Jachthoorn dat sprake was van een opdracht verleend met het oog op een persoon (artikel 7:404 BW Pro).
3.23.
Het is onvoldoende gebleken dat De Jachthoorn de opdracht voor de advieswerkzaamheden specifiek aan [naam1] heeft verleend, en dat daarmee sprake zou zijn van een opdracht verleend met het oog op een persoon in de zin van artikel 7:404 BW Pro. [naam1] was weliswaar de contactpersoon van De Jachthoorn, maar uit de opdrachtbevestiging volgt niet dat de opdracht exclusief door [naam1] zou worden uitgevoerd. In dat kader zijn in de opdrachtbevestiging ook verschillende namen en uurtarieven genoemd. Dat de opdracht niet exclusief door [naam1] zou worden uitgevoerd, was voor De Jachthoorn ook kenbaar: op de urenspecificaties bij de facturen was te zien dat en welke andere medewerkers werkzaamheden hadden verricht. Bovendien heeft De Jachthoorn gedurende de werkzaamheden meermaals contact gehad met [naam2] . [naam2] stond bij alle berichten in de cc en was in een aantal gevallen ook de medeondertekenaar van de berichten. STP heeft onbestreden aangevoerd dat De Jachthoorn ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betrokkenheid van [naam2] (noch tegen de andere betrokken medewerkers).
3.24.
Daarnaast heeft De Jachthoorn na het vertrek van [naam1] niet meteen bij STP geklaagd over dat vertrek. In de tussentijd zijn de werkzaamheden voortgezet door (onder andere) [naam2] . De Jachthoorn heeft dit onvoldoende weersproken. STP heeft aangevoerd dat De Jachthoorn pas twee maanden later (op 16 juli 2024) voor het eerst heeft genoemd dat hij van betrokkenheid van [naam1] uitging en dat hij zich zou beraden. De Jachthoorn meldde dit echter pas nadat zij door STP was aangemaand om de gemaakte afspraak van 15 april 2024 na te komen, namelijk om de openstaande facturen over oktober – december 2023 uiterlijk op 21 juni 2024 te betalen. Als de continuïteit van de werkzaamheden door [naam1] zodanig belangrijk en doorslaggevend was geweest, dan had het voor de hand gelegen dat De Jachthoorn daar direct, althans kort na (het bekend worden van) het vertrek van [naam1] een punt van had gemaakt. Daarvoor zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden en dat heeft De Jachthoorn dan ook onvoldoende onderbouwd.
3.25.
Verdere omstandigheden waaruit zou blijken dat de afspraak vanwege het vertrek van [naam1] is komen te vervallen, heeft De Jachthoorn niet aangevoerd.
3.26.
De conclusie is dan ook dat partijen op 15 april 2024 een afspraak hebben gemaakt waarin De Jachthoorn heeft toegezegd dat zij de openstaande facturen over oktober – december 2023 zou betalen. Een afspraak over de continuïteit van de uitvoering van de werkzaamheden door de heer [naam1] is daarbij onvoldoende gebleken. De Jachthoorn zal de facturen daarom moeten voldoen. Aan de overige door De Jachthoorn aangevoerde punten, bijvoorbeeld ten aanzien van het benoemen van een deskundige, komt het hof gelet op het voorgaande niet toe.
3.27.
De Jachthoorn heeft in de memorie van grieven bewijs aangeboden van een aantal van haar stellingen en daarnaast een algemeen bewijsaanbod gedaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat de te bewijzen feiten, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel zullen leiden.
De conclusie
3.28.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat De Jachthoorn in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof De Jachthoorn tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.29.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 19 maart 2025
4.2.
veroordeelt De Jachthoorn tot betaling van de volgende proceskosten van STP:
€ 2.255 aan griffierecht
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van STP (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, D.M.I. De Waele en M.P.M. Hennekens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.