Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.De toelichting op de beslissing van het hof
‘(…)OVERDRACHT VAN ONROERENDE RECHTEN TER UITVOERING VAN ECHTSCHEIDINGSAKKOORDEN(…)tot bezwaren leidt en waarom op grond van deze titel niet tot overdracht kan worden overgegaan. Dit geldt temeer nu in de conceptakte onder e. en f. de ter zake relevante beslissingen van de Nederlandse rechter worden vermeld. Van onduidelijkheid ten aanzien van de titel voor overdracht aan de man kan geen sprake zijn.
‘(…) iedere partij de helft van de kosten ter zake van de levering aan [appellant] draagt, waaronder eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen.’ Onweersproken staat vast dat de vrouw op basis van de taxatiewaardes uit 2017 is uitgekocht. Onduidelijk is of de man, zoals de vrouw stelt, na 2017 nog wijzigingen aan de onroerende zaak heeft aangebracht en of er verbouwingen hebben plaatsgevonden waarvoor al dan niet vergunningen zijn aangevraagd. De man betwist dat alles en het hof kan dat op grond van de in het geding gebrachte stukken niet vaststellen. Of de vrouw terecht gehouden is om, naast de eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen, nog daargelaten eventuele vergunningen voor verbouwingen na vaststelling van de taxatiewaardes uit 2017, ook gehouden kan worden aan de helft van ‘alle technische kosten’ en de bijbehorende sancties, lasten van welke aard ook, ook fiscale, is een vraag die in kortgedingprocedure, zonder nader onderzoek niet beantwoord kan worden. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen namelijk geen plaats voor uitgebreide bewijslevering (zie ook 3.2). Het hof ziet geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken en gaat dan ook aan het bewijsaanbod van de man voorbij. De stelling van de man dat de vrouw niet hoeft bij te dragen in eventuele verbouwingskosten of boetes strookt overigens niet met artikel 6 van Pro de conceptakte.