ECLI:NL:GHARL:2026:2404

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
200.363.436
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over levering onroerende zaak na echtscheiding en voorwaarden conceptakte

Partijen zijn in 2016 gescheiden en moeten nog steeds een onroerende zaak in Italië verdelen die tot de huwelijksvermogensgemeenschap behoorde. De man heeft de overwaarde van €370.000 aan de vrouw betaald en vordert levering van haar aandeel conform een conceptakte. De vrouw weigert te tekenen vanwege onjuiste titelomschrijving en onwenselijke garanties in de conceptakte.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de man af, maar het hof oordeelt dat het spoedeisend belang van de man onverminderd aanwezig is. Het hof stelt vast dat de titel in de conceptakte passend is en dat de vrouw haar aandeel moet leveren. Echter, de voorwaarden in de conceptakte zijn deels onduidelijk en lijken niet volledig passend bij de situatie, waardoor de zaak te complex is voor een kort geding.

De man vordert ook betaling van kosten en dwangsommen, maar het hof oordeelt dat hiervoor geen spoedeisend belang bestaat. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, vernietigt de proceskostenveroordeling en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van de door de man betaalde proceskosten. Iedere partij draagt verder zijn eigen kosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, vernietigt de proceskostenveroordeling en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van proceskosten, terwijl overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.436
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: 597827
arrest in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont [woonplaats1] , Italië
advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
niet verschenen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), op 4 december 2025 (hierna: het bestreden vonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van grieven. De vrouw is in hoger beroep niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn in 2016 gescheiden en moeten nog steeds een tot de huwelijks-vermogensgemeenschap behorende onroerende zaak in [woonplaats1] , Italië (hierna: de woning) verdelen. De rechtbank Amsterdam heeft op 11 oktober 2017 een stappenplan bepaald voor de verdeling van (de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot) de woning. Op 20 november 2024 heeft de voorzieningenrechter een aangepaste versie van dit stappenplan vastgesteld (hierna: het stappenplan) en zowel de vrouw als de man veroordeeld om mee te werken aan de uitvoering daarvan. Het stappenplan bepaalt onder meer dat als de man het aandeel van de vrouw wil en kan overnemen tegen betaling van de overwaarde, de vrouw daaraan moet meewerken. In dit vonnis is de waarde van de woning conform een taxatie uit 2017 bepaald op € 1.240.000. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 26 februari 2025 de overwaarde vastgesteld op (€ 1.240.000 minus hypothecaire leningen ten bedrage van € 500.000 gedeeld door twee =) € 370.000. De man heeft dit bedrag van € 370.000 omstreeks 13 maart 2025 aan de vrouw betaald en maakt sindsdien aanspraak op levering van de woning conform de voorwaarden in de door een Italiaanse notaris in opdracht van de man in het Italiaans opgestelde conceptakte van levering van 11 april 2025 (hierna: de conceptakte). De vrouw betwist niet dat zij haar aandeel in de woning moet leveren, maar wil de conceptakte niet tekenen omdat de titel van de levering niet correct is omschreven en omdat er ten onrechte door haar te verstrekken garanties en vrijwaringen in de conceptakte staan. Zij wil pas meewerken als de conceptakte op deze punten wordt aangepast.
2.2.
De man heeft, na eiswijziging, gevorderd dat de voorzieningenrechter de vrouw op straffe van een dwangsom veroordeelt om mee te werken aan levering van de woning conform de voorwaarden in de conceptakte. Daarnaast vordert hij € 50.000 aan dwangsommen en € 41.079 aan noodzakelijke vergunningskosten en 50% van de leveringskosten waarvan de hoogte onbekend is. Ten slotte vordert hij om de vrouw te verbieden om, als de man bij de ten uitvoerlegging van dit vonnis executoriaal beslag zou laten leggen, zich te beroepen op de dwangsom van € 370.000 die de man mogelijk heeft verbeurd in verband met de veroordeling in het vonnis van deze voorzieningenrechter van 26 februari 2025.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen en bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring de man in de proceskosten van de zijde van de vrouw veroordeeld en ook tot betaling van wettelijke rente daarover als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving de betaling heeft voldaan. Kort gezegd is de voorzieningenrechter voor wat betreft de vordering om mee te werken van oordeel dat niets in het vonnis van 20 november 2024 de vrouw verplicht om alle in de conceptakte voorkomende bedingen te accepteren.
2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de geweigerde voorzieningen alsnog worden gegeven, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten, alsmede met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van de proceskostenveroordeling op basis van het bestreden vonnis waarvan beroep, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling door de man tot aan de dag van de terugbetaling. De man biedt bewijs aan.
2.5.
Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter deels in stand en beslist voor een deel anders; het bekrachtigt de beslissing onder 4.1 en vernietigt de beslissingen met betrekking tot de proceskosten onder 4.2 tot en met 4.4 en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van de door de man betaalde proceskosten. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

spoedeisend belang
3.1
Tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat ten tijde van de procedure in eerste aanleg sprake is (geweest) van een spoedeisend belang is geen grief geformuleerd, zodat het hof dat oordeel moet eerbiedigen. Ook in hoger beroep heeft de man nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Hij heeft de overwaarde van € 370.000 in maart 2025 aan de vrouw voldaan. Zijn belang om het aandeel van de vrouw in de woning geleverd te krijgen is onverkort voldoende spoedeisend. Voor de spoedeisendheid van bepaalde nevenvorderingen, zoals geldvorderingen die met de hoofdvordering samenhangen, gelden andere regels. De spoedeisendheid daarvan zal het hof hierna per nevenvordering behandelen en beoordelen.
maatstaf
3.2
Het hof moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Van belang daarbij is dat voor het leveren van bewijs in een voorlopige voorziening geen ruimte is gezien het spoedeisend karakter.
3.3
Omdat de vrouw in het hoger beroep niet is verschenen, maar in eerste aanleg wel, is het van belang in dit kader op te merken dat de devolutieve (afwentelende) werking van het hoger beroep meebrengt dat het hof bij de beoordeling mede acht moet slaan op wat de vrouw in de procedure bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd.
3.4
Het hof ziet aanleiding om eerst de inhoudelijke grieven te behandelen en daarna de grief over de proceskostenveroordeling.
titel (grief 2)
3.5
De vrouw kan zich niet vinden in de titel voor de levering als omschreven in de conceptakte. Die is volgens haar niet juist omschreven. De man klaagt dat van een onjuiste titel, zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, geen sprake is.
3.6
Het hof overweegt ter zake van de titel van de conceptakte als volgt. Wat partijen hebben afgesproken in combinatie met de beslissingen van de Nederlandse rechter wordt in onderlinge samenhang bezien in Nederland beschouwd als de tussen partijen geldende echtscheidingsafspraken. In dit kader ziet het hof niet in waarom de titel
‘(…)OVERDRACHT VAN ONROERENDE RECHTEN TER UITVOERING VAN ECHTSCHEIDINGSAKKOORDEN(…)tot bezwaren leidt en waarom op grond van deze titel niet tot overdracht kan worden overgegaan. Dit geldt temeer nu in de conceptakte onder e. en f. de ter zake relevante beslissingen van de Nederlandse rechter worden vermeld. Van onduidelijkheid ten aanzien van de titel voor overdracht aan de man kan geen sprake zijn.
3.7
Wat de vrouw daartoe in eerste aanleg tijdens de mondelinge behandeling aanvoert (zie randnummer 3 van de pleitnotities van 11 november 2025), dat het voor haar essentieel is dat de titel correct in de conceptakte wordt opgenomen, ook vanwege de gevolgen van valse verklaringen door partijen in die conceptakte, kan niet tot een ander oordeel leiden. Wat de vrouw met ‘de gevolgen’ bedoelt omschrijft zij onder punt 18 van de pleitnotities van 9 september 2025. Zij stelt dat partijen door de notaris zijn gewaarschuwd voor de gevolgen van valse verklaringen, waaronder strafrechtelijke sancties. Met inachtneming van het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof met voormelde titel geen sprake zijn van het afleggen van een valse verklaring ten aanzien van de titel voor overdracht van de onroerende zaak en dus is de vrees voor strafrechtelijke sancties ongegrond.
voorwaarden (grief 3)
3.8
In de conceptakte ter uitvoering van de overdracht van de onroerende zaak zijn voorwaarden opgenomen waarvan de vrouw meent dat zij die niet hoeft te accepteren
De man klaagt dat de voorzieningenrechter de vrouw in haar bezwaren heeft gevolgd en heeft geoordeeld dat de vrouw op de door haar aangevoerde gronden mag blijven weigeren om mee te werken aan de levering van haar aandeel conform de voorwaarden in de conceptakte omdat deze verder gaan dan uit het vonnis van 20 november 2024 blijkt én dat die weigering geen strijd oplevert met de veroordeling in het vonnis van 20 november 2025.
3.9
Het hof overweegt als volgt. Op zichzelf komt het hof de conceptakte van overdracht en de daarin voorkomende bedingen plausibel voor. Wel lijkt de akte een standaardakte voor een overdracht aan een derde, terwijl het in onderhavig geval niet om levering aan de derde gaat, maar om toedeling aan een andere deelgenoot. Daarvoor lijken bepaalde bedingen niet op de plaats, zoals de bepaling in artikel 6 dat Pro de vrouw ervan op de hoogte is dat renovaties gedeeltelijk niet in overeenstemming zijn met de bouwvergunningen en de toevoeging bij artikel 6 dat Pro partijen niet alleen ieder de helft van de vergunningskosten dragen, maar ook de helft van alle technische kosten en in het algemeen alles wat met de verkrijging van de bovengenoemde verklaring van overeenstemming van de onroerende zaken in kwestie is verbonden. Hetzelfde geldt voor de garantieverklaringen in artikel 7 over Pro de energieprestaties en de catch-all bepaling in artikel 9. Voor deze bedingen geldt dat zij in nauw verband staan met de vraag of en in hoeverre de daarin genoemde zaken zijn meegenomen in de bepaling van de waarde van de woning in 2017 – in welk geval de garanties wellicht dubbelop zijn – en welke zaken zien op wat daarna is gebeurd.
3.1
Het lijkt het erop dat partijen het een en ander destijds niet goed uit onderhandeld hebben, althans voor het hof is volstrekt onduidelijk gebleven wat ten grondslag heeft gelegen aan de waardebepaling in 2017 in samenhang met de conceptakte en de daarin voorkomende bedingen die in geschil zijn. Daarmee is de zaak te complex om op grond van de voorliggende bescheiden een beslissing te nemen en leent zich dus niet voor een kort geding. Beiden hebben een verschillende visie op wat afgesproken is. In het vonnis van 20 november 2024 is onder 4.1. sub c. beslist dat
‘(…) iedere partij de helft van de kosten ter zake van de levering aan [appellant] draagt, waaronder eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen.’ Onweersproken staat vast dat de vrouw op basis van de taxatiewaardes uit 2017 is uitgekocht. Onduidelijk is of de man, zoals de vrouw stelt, na 2017 nog wijzigingen aan de onroerende zaak heeft aangebracht en of er verbouwingen hebben plaatsgevonden waarvoor al dan niet vergunningen zijn aangevraagd. De man betwist dat alles en het hof kan dat op grond van de in het geding gebrachte stukken niet vaststellen. Of de vrouw terecht gehouden is om, naast de eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen, nog daargelaten eventuele vergunningen voor verbouwingen na vaststelling van de taxatiewaardes uit 2017, ook gehouden kan worden aan de helft van ‘alle technische kosten’ en de bijbehorende sancties, lasten van welke aard ook, ook fiscale, is een vraag die in kortgedingprocedure, zonder nader onderzoek niet beantwoord kan worden. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen namelijk geen plaats voor uitgebreide bewijslevering (zie ook 3.2). Het hof ziet geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken en gaat dan ook aan het bewijsaanbod van de man voorbij. De stelling van de man dat de vrouw niet hoeft bij te dragen in eventuele verbouwingskosten of boetes strookt overigens niet met artikel 6 van Pro de conceptakte.
geldsommen: kosten levering, vergunningen en verbouwing (grief 5)
3.11
In het vonnis van 20 november 2024 is onder punt 4 op bladzijde vier vermeld dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten ter zake van de levering aan de man waaronder de eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen, te dragen (zie hiervoor onder 3.10).
3.12
De gevraagde voorziening betreft de veroordeling tot het betalen van geldbedragen. Het hof vindt dat die voorziening hier niet op zijn plaats is. Het is zo dat een ieder van partijen de helft van de kosten van de levering van de onroerende zaak aan de man draagt, waaronder de eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen. De man heeft niet aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij (vooraf) betaling daarvan. Voor bepaalde nevenvorderingen, zoals een geldvordering die met de hoofdvordering samenhangt, in dit geval dus de door de man gevorderde helft van de eventuele benodigde vergunningen verbonden aan de levering en tenaamstelling van de onroerende zaak, gelden enigszins afwijkende regels ten aanzien van het spoedeisend belang. Doorgaans is er voor de toewijzing van een dergelijke vordering geen spoedeisend belang. In dit geval geldt dit temeer nu het door de man genoemde bedrag aan eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen alleen nog maar een begroting is. Hetzelfde geldt voor de leveringskosten. Die kosten zijn nog niet gemaakt en ook een concreet bedrag is door de man niet genoemd. Eventuele verbouwingkosten behoren naar het oordeel van het hof sowieso niet tot de kosten van de benodigde vergunningen. Daarover zijn tussen partijen nooit afspraken gemaakt, althans daarover is niets gesteld, en ook in het vonnis van 20 november 2024 heeft een vordering van de zijde van de man daarover niet aan de rechtbank voorgelegen. Kortom, de vrouw is eerst ter gelegenheid van de levering van de onroerende zaak aan de man (in ieder geval) de helft van de kosten van levering waaronder de eventuele kosten van noodzakelijke vergunningen verschuldigd. Nog daargelaten dat de man bij voorafbetaling ook niet aantoont dat hij in staat is het eventueel door de vrouw te veel betaalde terug te betalen.
3.13
Gelet op wat hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat de zaak zich niet leent voor een beslissing in kort geding laat staan dat voldoende vaststaat dat in een bodemprocedure de vorderingen van de man zullen worden toegewezen. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de man naar oordeel van het hof niet toewijsbaar zijn.
conclusie
3.14
Grief 2 met betrekking tot de titel slaagt maar kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Grieven 3 en 5 die zich richten tegen de voorwaarden in de conceptakte falen. Het hof komt gezien het karakter van een voorlopige voorziening als de onderhavige niet toe aan bespreking van de grieven 4 (de gevorderde dwangsommen of een voorschot) en 6 (een belangenafweging). Het hof bepaalt dat elke partij in eerste aanleg zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen in beroep ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen. Grief 1 slaagt dus en leidt tot vernietiging van het vonnis voor zover de man daarbij in de proceskosten van de vrouw is veroordeeld.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2025, behalve voor wat betreft de beslissingen onder 4.2 tot en met 4.4 met betrekking tot de proceskosten die hierbij worden vernietigd,
4.2
veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van alles wat hij op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter aan de vrouw heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van terugbetaling,
4.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter in de rechtbank en het hof,
4.4
verklaart de veroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad, en
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, R. Prakke-Nieuwenhuizen en S. Kuijpers, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.