Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2409

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
21-005578-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gevaar en hinder op de weg en weigering ademonderzoek met rijontzegging

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg en het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek. Hij negeerde een rood verkeerslicht, reed over een dubbele doorgetrokken streep en veroorzaakte een aanrijding. Daarnaast weigerde hij op het politiebureau mee te werken aan een ademtest.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Het verweer dat verdachte niet opzettelijk handelde en dat hij niet kon blazen vanwege astma werd verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en eerdere succesvolle ademtesten.

Het hof legde een geldboete van € 500,- op voor het veroorzaken van gevaar en hinder, met een vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf van 7 dagen waarvan 6 voorwaardelijk, een taakstraf van 30 uur en een rijontzegging van 9 maanden voor het weigeren mee te werken aan het ademonderzoek. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke rijontzegging werd afgewezen wegens onduidelijkheid over de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot geldboetes, taakstraf, gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging van 9 maanden wegens gevaar en hinder op de weg en weigering ademonderzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005578-24
Uitspraakdatum: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 4 december 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-263722-24 en 96-181436-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-157525-17, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing zowel betrokken wat op de zitting van het hof van 7 april 2026 als op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte is aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 4 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht,
  • verdachte veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg tot een geldboete van € 500,00, bij niet voldoen te vervangen door 10 dagen hechtenis, waarvan € 250,00, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en
  • verdachte veroordeeld voor het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek tot een geldboete van € 1.000,00, bij niet voldoen te vervangen door 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en
  • de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16-263722-24:
hij op of omstreeks 23 juni 2023 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam 2] , - op de kruising van de [straatnaam 2] met de [straatnaam 1] een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of - via de rijstrook bestemd voor het links afslaande verkeer over een dubbele doorgetrokken streep rechtdoor is gereden en/of (vervolgens) - op voornoemde kruising in botsing is gekomen met een van rechts komende personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
in de zaak met parketnummer 96-181436-23 (gevoegd):
hij op of omstreeks 23 juni 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg en het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij niet met opzet een aanrijding heeft veroorzaakt. Toen hij kwam aanrijden bij het kruispunt meende verdachte dat het stoplicht op groen stond en dat hij zich op de rijstrook voor doorgaand verkeer bevond. Verder heeft verdachte aangevoerd dat hij na het ongeval niet kon blazen omdat hij in shock was en astmatisch is, en dat hij om die reden heeft aangeboden om mee te werken aan een bloedonderzoek.
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Het hof komt in beide zaken tot een bewezenverklaring en bezigt daarvoor de hierna genoemde bewijsmiddelen.
In de zaak met parketnummer 16-263722-24:
1. De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van het hof op 7 april 2026, inhoudende:
Op 23 juni 2023 ben ik over de rijstrook voor links afslaand verkeer gereden. Ik reed rechtdoor en ging daarbij over een dubbele doorgetrokken streep. Ook ben ik door een rood stoplicht gereden. Toen heb ik de auto die van rechts kwam, geschampt. Vervolgens ben ik een stuk doorgeschoten en heb ik de auto aan de kant van de weg gezet. Toen kwam de politie.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 1 juli 2023, opgenomen op pagina 7 en volgende van het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland, met fotobijlagen, met nummer PL00900-2023188625-1 van 7 juli 2023, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] :
Op vrijdag 23 juni omstreeks 20:50 uur reed ik in mijn Tesla over de [straatnaam 2] komende uit de richting van de [straatnaam 3] te [plaats] . Bij de tweede verkeerslichten ( [straatnaam 4] ) stond ik op de rechter rijstrook voor doorgaand verkeer. Ik zag opeens een zwarte personenauto links langs mij heen komen. Deze reed over de rijstrook voor links afslaand verkeer. Ik zag dat dat verkeerslicht ook op rood stond. Ik zag dat de bestuurder van de zwarte auto rechtdoor reed. Ik zag dat er een BMW van rechts kwam en vervolgens in aanraking kwam met de zwarte auto. Ik ben er achteraan gegaan en zag dat de bestuurder van de zwarte auto op de [straatnaam 5] stopte.
In de zaak met parketnummer 96-181436-23 (gevoegd):
1. De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van het hof van 7 april 2026, inhoudende:
Op het politiebureau heb ik niet geblazen.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2023, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op vrijdag 23 juni 2023 omstreeks 20:55 uur kreeg ik een melding te gaan naar de [straatnaam 2] kruising met de [straatnaam 5] alwaar betrokkenen zouden staan van een aanrijding die er samen niet uit kwamen. Ter plaatse trof ik een aantal mensen aan en twee voertuigen met schade. Ik hoorde dat de bestuurder van de Seat Mii (
het hof begrijpt: verdachte) weggelopen was en mogelijk onder invloed was. De omstanders hadden een foto van de bestuurder gemaakt. Op de foto was een persoon te zien met een blanke huidskleur en een T-shirt met korte mouwen met een opvallende rode kraag en rode band aan zijn mouw. Ik verbalisant hoorde over de portofoon dat iemand de persoon vermoedelijk zag lopen op een fietspad richting [plaats] Haven. Ik ben hierop direct gaan zoeken en trof een persoon op het fietspad in de omgeving aan. Ik zag dat de persoon aan het signalement voldeed. Ik zag dat de persoon onvast ter been vast en met een dubbele tong sprak. Ik heb de persoon als verdachte aangehouden ter zake verlaten plaats ongeval zonder zijn identiteit bekend te maken en het rijden onder invloed van alcohol. Door collega’s is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie [straatnaam 6] [nummer] te [plaats] . In het bureau is de verdachte door de hulpofficier van justitie gevorderd medewerking te verlenen aan het onderzoek naar inwendig gebruik van alcohol op het ademanalyse apparaat. De verdachte weigerde mee te werken aan de ademanalyse.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van parketnummer 16-263722-24 (kort gezegd: het veroorzaken van gevaar op de weg). Het hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter waar de deze overweegt (hierna cursief weergegeven):
Naar het oordeel van de politierechter kan uit de inhoud van de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De getuigenverklaring is heel duidelijk. De gedragingen van de verdachte die daarin worden beschreven, worden ondersteund door de foto’s van de beelden die door de Tesla van de getuige zijn gemaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bovenste uitstralende licht van een verkeerslicht rood is. Op een van de foto’s is te zien dat de positie van de lichten bovenaan is. De verkeerslichten stonden dus op rood. (…)
In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
Verdachte heeft een voor zijn rijrichting bestemd rood verkeerslicht genegeerd en is via de rijstrook bestemd voor links afslaand verkeer vervolgens over een dubbele doorgetrokken streep rechtdoor een kruising opgereden. Vervolgens is hij op de kruising van de [straatnaam 2] met de [straatnaam 1] in botsing gekomen met een van rechts komende auto. Door zo te handelen heeft verdachte concreet gevaar veroorzaakt. De bewering van verdachte op de zitting van het hof dat hij geen gevaar op de weg veroorzaakte, is naar het oordeel van het hof in dat licht onzinnig. Natuurlijk was verdachtes gedrag op de weg gevaarlijk. Dat zijn handelen ook daadwerkelijk gevaarlijk was blijkt ook uit het feit dat er vervolgens een aanrijding is ontstaan. Om die reden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt. Verdachtes verweer dat hij het niet opzettelijk deed, is voor een veroordeling voor het ten laste gelegde feit niet van belang. Dat verwijt wordt hem niet gemaakt en de wet stelt in artikel 5 WVW Pro 1994 ook niet die eis.
Ten aanzien van parketnummer 96-181436-23 (kort gezegd: het na een gegeven bevel niet meewerken aan een ademtest). Het hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter waar deze overweegt (hierna cursief weergegeven):
Naar het oordeel van de politierechter kan uit de inhoud van de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 163 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft (…) geweigerd mee te werken aan het ademonderzoek. Het is niet aan verdachte om (nadere) eisen te stellen wanneer de politie vordert mee te werken aan een dergelijk onderzoek.
In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
Verdachte heeft voor het eerst tijdens de zitting van het hof verklaard dat hij niet kon blazen omdat hij astmatisch is. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk geworden, omdat verdachte pas in hoger beroep voor het eerst heeft verklaard dat hij om die reden niet heeft kunnen blazen. Hij heeft dit alleen onderbouwd door het hof een puffer te laten zien. Dat is onvoldoende. Zeker nu uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol en toen wel succesvol een ademonderzoek heeft afgerond. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat er een bijzondere geneeskundige redenen was die maakte dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek onwenselijk was. Het hof verwerpt daarom het verweer van verdachte en acht wettig en overtuigend bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek terwijl daarvoor geen bijzondere geneeskundige reden aannemelijk is geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-263722-24 en in de zaak met parketnummer 96-181436-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
in de zaak met parketnummer 16-263722-24:
hij op 23 juni 2023 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam 2] ,
- op de kruising van de [straatnaam 2] met de [straatnaam 1] een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en
- via de rijstrook bestemd voor het links afslaande verkeer over een dubbele doorgetrokken streep rechtdoor is gereden en (vervolgens)
- op voornoemde kruising in botsing is gekomen met een van rechts komende personenauto, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
In de zaak met parketnummer 96-181436-23 (gevoegd):
hij op 23 juni 2023 te [plaats] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 16-263722-24 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het in de zaak met parketnummer 96-181436-23 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg moet worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, bij niet voldoen te vervangen door 10 dagen hechtenis, waarvan € 250,00, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voor het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek tot een gevangenisstraf van 7 dagen, waarvan 6 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 30 uren, bij niet voldoen te vervangen door 15 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij veroordeling sprake zal zijn van een zogenaamde ‘tweede strafpunt’ waardoor zijn rijbewijs
(het hof begrijpt: van rechtswege)ongeldig wordt verklaard, terwijl hij zijn rijbewijs nodig heeft voor (het vinden van) werk en zijn sociale contacten.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straffen en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van aanzienlijk gevaar en hinder op de weg en het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Daarnaast heeft verdachte een door het bevoegd gezag genomen besluit genegeerd.
Bij het bepalen van de strafoplegging heeft het hof in strafverzwarende zin gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Bij een veroordeling in 2019 is verdachte een taakstraf opgelegd. Verdachte heeft die taakstraf in 2019 voltooid. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom in de fout te gaan.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en op de zitting bij het hof door hem naar voren zijn gebracht.
Het hof heeft bij de strafoplegging gekeken naar de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS)-oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het uitgangspunt voor het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek is een geldboete van € 1.300,00, en ook een onvoorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden. Voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg bestaat geen uitgangspunt in de LOVS-oriëntatiepunten. Daarvoor heeft het hof gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 500,00, bij niet voldoen te vervangen door 10 dagen hechtenis, waarvan € 250,00, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg, en oplegging van een gevangenisstraf van 7 dagen, waarvan 6 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 30 uren, bij niet voldoen te vervangen door 15 dagen hechtenis, en een rijontzegging van 9 maanden, een passende en noodzakelijk bestraffing is. Een geheel voorwaardelijke rijontzegging acht het hof niet op zijn plaats omdat sprake is van recidive.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 96-157525-17 is verdachte op 20 februari 2018 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam veroordeeld. Aan verdachte is toen een rijontzegging opgelegd van 11 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke rijontzegging. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, omdat er onduidelijkheid bestaat over het moment van aanvang en afloop van de proeftijd.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.
Oordeel van het hof
Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, gelet op de onduidelijkheid over het moment waarop de proeftijd is aangevangen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-263722-24 en in de zaak met parketnummer 96-181436-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-263722-24 en in de zaak met parketnummer 96-181436-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-181436-23 onder 1 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-181436-23 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-263722-24 onder 1 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
2 (twee) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 96-157525-17.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. M.C. van Linde en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 april 2026.