Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2459

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
21-001035-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel wegens mensenhandel en witwassen

Betrokkene is in hoger beroep veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor onder meer mensenhandel, hennepteelt en witwassen. De rechtbank Noord-Nederland had eerder het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €192.772,00 en de ontnemingsverplichting opgelegd.

Het hof heeft de beslissing van de rechtbank vernietigd en doet opnieuw recht. Het openbaar ministerie had een hogere vordering ingediend van circa €294.272,00, gebaseerd op een kasopstelling en vermeende overwaarde van een woning, maar het hof volgt de rechtbank niet in de waardering van de woning en de hypotheekfraude.

De kasopstelling, gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr, toont uitgaven die niet met legale inkomsten zijn te verklaren. De verdediging voerde onder meer vrijspraak en belastingdelict aan, maar het hof acht aannemelijk dat de strafbare feiten hebben geleid tot het wederrechtelijk voordeel.

De redelijke termijn is met enkele maanden overschreden, maar dit is gecompenseerd in de strafoplegging. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel definitief vast op €192.772,00 en legt de betalingsverplichting aan betrokkene op.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €192.772,00 en legt de betalingsverplichting aan betrokkene op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001035-24
Uitspraakdatum: 23 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 december 2023 met parketnummer 18-268894-21 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[Betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] (Vietnam),
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 6 maart 2026 en 13 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het onderzoek is op de zitting van het hof van 23 april 2026 gesloten.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en haar raadsvrouw, mr. G.L.P. Biesmans, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.

De beslissing

De rechtbank heeft bij beslissing van 28 december 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 192.772,00 en heeft de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van datzelfde bedrag.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 293.739,00. Het openbaar ministerie heeft de vordering op de zitting van de rechtbank aangepast naar een bedrag van € 294.272,00. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd om de beslissing van de rechtbank te bevestigen.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft primair aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat in de onderliggende strafzaak primair vrijspraak is bepleit. Subsidiair is aangevoerd dat betrokkene zwart heeft gewerkt en dat derhalve sprake is van een belastingdelict en niet van wederrechtelijk verkregen inkomsten. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering te matigen in verband met de draagkracht van betrokkene.
Grondslag waarop de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 23 april 2026 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk voor:
  • medeplegen van mensenhandel (feit 1);
  • medeplegen van het telen van hennep (feit 2);
  • witwassen (feit 3);
  • bezit van een vuurwapen en munitie (feit 4) en
  • bezit van een geluiddemper (feit 5).
Blijkens het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de eenvoudige kasopstelling. Dat betekent de schatting van dat voordeel in de onderhavige ontnemingszaak dient te worden gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sr).
Uit artikel 36e, derde lid, Sr volgt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk is aan degene die is veroordeeld voor een misdrijf dat bedreigd wordt met een geldboete van de vijfde categorie, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
In deze zaak is sprake van een veroordeling wegens onder meer mensenhandel en witwassen. Dit zijn misdrijven waarvoor, zonder daarbij straf verhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Uit de opgemaakte kasopstelling blijkt dat betrokkene uitgaven heeft gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. Het hof acht het aannemelijk dat de hennepteelt waarvoor betrokkene is veroordeeld en/of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof kan zich vinden in de volgende overwegingen van de rechtbank (hieronder cursief opgenomen) en neemt deze over:
“Het verweer inhoudend dat het vermogen van veroordeelde wordt verklaard doordat zij zwart werk heeft verricht, verwerpt de rechtbank. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk legale arbeid heeft verricht in de afgelopen jaren. Ter zitting van de inhoudelijke behandeling in de strafzaak kon veroordeelde bijvoorbeeld geen naam of locatie noemen van het restaurant waar zij zou hebben gewerkt. In de schriftelijke rondes met betrekking tot de ontneming is evenmin een concrete verifieerbare verklaring gegeven met betrekking tot de herkomst van het aangetroffen vermogen van veroordeelde. Daar komt bij dat uit het dossier duidelijke aanwijzingen naar voren komen dat zij, behalve bij de hennepkwekerij in [plaats] , ook betrokken is geweest bij andere illegale activiteiten Nu veroordeelde geen openheid heeft gegeven over (de hoogte van) haar illegale verdiensten, neemt de rechtbank de door de politie opgestelde eenvoudige kasopstelling, zoals opgenomen in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [1] (hierna: het rapport) als uitgangpunt bij de berekening van het te ontnemen bedrag. Bij deze (hierna op te nemen) kasopstelling is de politie uitgegaan van de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2021 (het moment van aanhouding van veroordeelde). Deze periode is ruimer dan de bewezenverklaring van de hennepteelt, maar sluit aan bij de bewezenverklaring van witwassen in voornoemd vonnis.
Volgens kasopstelling heeft veroordeelde uitgaven gedaan ter hoogte van € 194.272,00 die
niet verklaarbaar zijn vanuit een legale inkomstenbron. De rechtbank neemt dit over, met
uitzondering van de post "‘vliegtickets Suriname en Vietnam’". De rechtbank heeft
veroordeelde vrijgesproken van witwassen ten aanzien van deze vliegtickets en blijkens de
toelichting bij deze post (5.5.2 van het rapport) is niet duidelijk hoe duur deze vliegtickets
waren en door wie ze zijn betaald.
De rechtbank constateert dat het rapport voorts stelt dat sprake is van wederrechtelijk
verkregen vermogen in de vorm van de overwaarde van een woning aan de [adres 2]

. Deze overwaarde wordt geschat op een bedrag van € 100.000,-, hetgeen het geschatte totale wederrechtelijk verkregen vermogen in de visie van de politie en de officier van justitie zou brengen op € 294.272,00. De rechtbank gaat hier niet in mee. Dat de woning is verkregen door middel van hypotheekfraude acht de rechtbank niet bewezen, zoals overwogen in voornoemd vonnis. Bovendien is de woning aangeschaft in 2008; ruim vóór de in het vonnis bewezenverklaarde pleegperiode en vóór de periode waar de ontneming op ziet. De conclusie van de politie dat de hypotheek voor deze woning vanaf 2016 moet zijn betaald met wederrechtelijk verkregen vermogen en dat zonder dit vermogen de woning niet meer in het bezit van veroordeelde zou zijn geweest, deelt de rechtbank niet. Daarbij speelt ook mee dat de volwassen kinderen van veroordeelde (ook) in de betreffende woning woonden en de hypotheek mogelijk ook konden betalen.

Bovenstaande maakt dat de rechtbank komt tot de volgende berekening:
€ 194.272,00 - 1.500 (vliegtickets) = € 192.772,00
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 192.772,00 voordeel heeft
genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het verzoek tot matiging van het bedrag in
verband met de draagkracht van veroordeelde als volgt. Op de voet van het bepaalde in
artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, komt de draagkracht in beginsel eerst in
de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat
veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter
gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. Nu niet aannemelijk is geworden dat ten
aanzien van veroordeelde sprake is van een dergelijke situatie, verwerpt de rechtbank het
gevoerde draagkrachtverweer.”

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat evenals in de strafzaak, ook in de ontnemingszaak in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Uit de stukken blijkt dat op de officier van justitie op 5 april 2022 schriftelijk heeft gevorderd om het bedrag waarop het wederechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 293.739,009 en gevorderd dat de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De rechtbank heeft op 28 december 2023 – tijdig - op de ontnemingsvordering beslist.
Ten aanzien van de fase in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Betrokkene heeft op 5 januari 2024 hoger beroep ingesteld. De eindbeslissing volgt op 23 april 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met een paar maanden is overschreden.
Omdat met de schending van de redelijke termijn ruimschoots rekening is gehouden in de opgelegde straf in de hoofdzaak, acht het hof de schending van de redelijke termijn
voldoende gecompenseerd. Het hof ziet daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
192.772,00 (honderdtweeënnegentigduizend zevenhonderdtweeënzeventig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 192.772,00 (honderdtweeënnegentigduizend zevenhonderdtweeënzeventig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Dörholt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 april 2026.
Mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e 3e lid Sr d.d. 25 mei 2022 inzake onderzoek NNRCC20024 MASAYA.