Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2472

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
21-004543-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging diefstal met braak en diefstal in woning tot gevangenisstraf van vier maanden

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot diefstal met braak en diefstal in een woning. Het hof vernietigde dit vonnis omdat het niet voldeed aan wettelijke eisen en de kwalificatie van poging niet correct was verwerkt.

Uit het bewijs, waaronder aangiften, forensisch onderzoek en camerabeelden, blijkt dat verdachte op 1 januari 2025 via braak een woning binnenging zonder iets weg te nemen, en op 3 januari 2025 een telefoon en laptop uit een andere woning stal. Verdachte ontkende betrokkenheid, maar zijn verklaring werd door het hof als ongeloofwaardig verworpen.

Het hof achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden, mede vanwege recidive en het ontbreken van respect voor eigendommen en privacy van slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor poging tot diefstal met braak en diefstal in een woning.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004543-25
Uitspraakdatum: 23 april 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 27 oktober 2025 met parketnummer 18-170965-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 27 oktober 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het vonnis niet voldoet aan de wettelijke eis dat het een uitwerking bevat van de gehanteerde bewijsmiddelen. Daarnaast vernietigt het hof het vonnis omdat ten aanzien van feit 1 primair een “poging” is bewezenverklaard terwijl dat niet in de kwalificatie terugkomt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (enig) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam in de achterdeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. primair
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een telefoon (Samsung A22), en/of
- een laptop/notebook (HP),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , (een) voorwerp(en), te weten:
- een telefoon (Samsung A22) en/of
- een laptop/notebook (HP)
heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens, tenzij anders vermeld, verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0100-2025033452, opgemaakt door [brigadier] , brigadier bij politie Eenheid Noord-Nederland, gesloten en ondertekend op 4 maart 2025:
1. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 januari 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van het voornoemd dossier d.d. 4 maart 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , verklaar het volgende:
Op woensdag 1 januari 2025 om 22:54 uur, hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn: [slachtoffer 1] . Vanavond, op woensdag 01 januari 2025, omstreeks 19.30 uur, ging ik samen met mijn hond weg uit mijn woning naar de woning van mijn moeder. Mijn woning betreft een 2 onder 1 kap aan de [adres 3] in [plaats 1] . Ik deed de deuren op slot en de deuren waren in goede staat. Op woensdag 01 januari 2025, omstreeks 20.30 uur, kwam ik terug bij mijn woning. Ik liep naar de achterdeur en zag dat de onderste ruit van de achterdeur kapot was. Ik deed de deur vervolgens open en zag de lade van de keuken open staan. Ik zag dat er bloed op lades van de keuken zat. Ik zag ook dat de bestekbak uit een lade van de keuken gepakt was. Ik ben vervolgens door de woning heen gelopen en zag op de bovenverdieping dat een kast open stond. Ik weet zeker dat ik deze dicht had gedaan. Ik heb gekeken of er wat weggenomen is, maar ik kan nog niet constateren dat er iets weggenomen is. Onlangs sprak ik met [naam 1] . [naam 1] is mijn buurvrouw van 5 jaar geleden. [naam 1] woonde naast mij onder hetzelfde dak van de 2 onder 1 kap. Ik hoorde haar zeggen dat [verdachte] aan haar vroeg of ik nog iedere avond naar mijn moeder ga.
2. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning d.d. 13 januari 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant.
Ik, verbalisant [verbalisant2] , verklaar het volgende. Ik ben werkzaam als Forensisch medewerker. Op donderdag 2 januari 2025 om 09:51 uur kwam ik, naar aanleiding van een poging tot gekwalificeerde diefstal in/uit woning, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 3] , [postcode] [plaats 1] . Op de buitenzijde van een lade in de keuken zat een rode substantie lijkend op bloed. Ik heb deze substantie onderzocht met een indicatieve test voor humaan bloed en deze was positief. Ik heb vervolgens dit bloed veiliggesteld voor nader DNA onderzoek (SIN: AAST3057NL). Op het aanrecht, boven de eerder genoemde lade, lag een bestekbak. Deze kwam uit de lade. Aan de zijkant zag ik een rode substantie gelijkend op bloed. Ik heb deze substantie met een indicatieve test voor bloed onderzoek en ook deze was positief. Ik heb vervolgens dit bloed ook veiliggesteld voor nader DNA onderzoek (SIN: AAST3056NL).
3. Het deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, d.d. 21 februari 2025 opgemaakt door dr. [naam 2] , opgenomen op pagina 76 e.v. van voornoemd dossier.
Het onderzoeksmateriaal is onderworpen aan DNA-onderzoek met de NGM SElectTM kit. Hiermee kunnen DNA-kenmerken van maximaal 17 loci worden aangetoond. Dit is inclusief een DNA-kenmerk voor de geslachtsbepaling.
De resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek zijn weergegeven in Tabel 2.
[AFBEELDING]
4. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .
Op vrijdag 3 januari 2025, omstreeks 08.15 uur, was ik, [slachtoffer 2] , van huis gegaan.
Ik weet niet of ik de achterdeur op slot had gedaan. Ik deed mijn voordeur op slot en
ging weg. Op vrijdag 3 januari 2025, omstreeks 16.30 uur, kwam ik weer thuis. Ik had op dit moment nog niet door dat mijn laptop en mijn mobiele telefoon uit mijn woning waren weggenomen. Omstreeks 20.00 uur, wilde ik aan de eettafel achter mijn laptop zitten. Ik zag dat mijn laptop niet op de tafel lag. Ik liep naar de achterdeur, die toegang geeft tot mijn achtertuin, en merkte dat de achterdeur van het slot was. Ik ben door de woning gelopen om te controleren of er meer goederen weggenomen waren. Ik zag dat mijn mobiele telefoon, die op mijn bed lag, ook was weggenomen. Verder zag ik dat er niks was weggenomen uit de woning. Er zijn geen braaksporen te zien in het kozijn van de achterdeur. Ik had een laptop van het merk HP. De laptop is ongeveer vijf jaar oud. Mijn mobiele telefoon is van het merk Samsung en het type is een A22.
5. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2025, inclusief fotoblad, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant3] .
Op dinsdag 21 januari 2025 omstreeks 22.20 uur ontving ik verbalisant een tweetal foto' s van [naam 3] , dit betreft de zoon van aangever [slachtoffer 2] . [naam 3] vertelde dat de camera in het voorraam staat en de tuin van zijn vader [slachtoffer 2] filmt. Ik hoorde dat [naam 3] vertelde dat hij een tweetal foto' s van de video had genomen waar een manspersoon te zien is in de voortuin van zijn vader.
Op de foto' s zijn de volgende datums en tijdstippen te zien:
03-01-2025, 13.38.16 (zoals weergegeven op bladzijde 46 van voornoemd dossier)
03-01-2025, 13.47.30 (zoals weergegeven op bladzijde 47 van voornoemd dossier)
6. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2025, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant3] .
Op 3 januari 2025 heeft er een diefstal uit woning plaatsgevonden aan de [adres 2] in [plaats 2] . De aangever heeft foto's afkomstig van zijn beveiligingscamera gedeeld met de politie. Op deze foto's is een persoon te zien. Ik, verbalisant, herken de persoon op de beelden ambtshalve als [verdachte] . Ik, verbalisant, herken [verdachte] aan zijn gelaat en postuur. Ook herken ik de haardracht. Ik verbalisant heb tijdens mijn werk op 5 januari 2025 nog een instap in een woning gedaan alwaar [verdachte] aanwezig was.
7. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 maart 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.
Ik heb om de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] heen gelopen.
U houdt mij voor dat er camerabeelden zijn gemaakt dat ik in de voortuin van [adres 2] in [plaats 2] stond en daar zijn screenprints van gemaakt. Ik stond daar op 03-01-2025, omstreeks 13.38.16 en 03-01-2025, omstreeks 13.47.30 (Zie fotoblad 2025002983-13). Dat klopt, die persoon ben ik.
8. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 februari 2025, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 4] .
Op 3 januari 2025 kwamen politiemensen bij mij aan de deur voor een telefoon die gestolen moest wezen. Ik heb die telefoon van [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) gekocht. Ik heb er dertig euro voor betaald.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft tijdens de verhoren bij de politie zijn betrokkenheid bij de in de tenlastegelegde feiten steeds ontkend. Daarnaast heeft verdachte via zijn raadsvrouw per e-mail van 8 april 2026 aan het hof laten weten het niet eens te zijn met de veroordeling ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van het hof
Het gerechtshof acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot diefstal door middel van braak en de onder feit 2 primair tenlastegelegde diefstal uit de woning heeft begaan.
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen – de aangifte van [slachtoffer 1] , de bevindingen van de politie zoals gerelateerd in het proces-verbaal forensisch onderzoek woning van 2 januari 2025 en het rapport Forensisch DNA-onderzoek – stelt het hof vast dat verdachte op 1 januari 2025, de woning aan de [adres 3] in [plaats 1] binnen is gegaan, door de onderste ruit van de achterdeur kapot te maken. Tijdens het onderzoek in de woning zijn verschillende bloedsporen aangetroffen die door de politie zijn veiliggesteld. Het bloedspoor op de lade van de keuken en op de bestekbak leverde een DNA-match op met verdachte. Verdachte heeft geen verklaring gegeven over hoe de bloedsporen daar terecht zijn gekomen. Het hof concludeert op basis van deze bewijsmiddelen dat het verdachte is geweest die, na het breken van de ruit, de woning is binnengegaan. Uit de omstandigheid dat door aangever is vastgesteld dat na zijn thuiskomst boven in de woning van één van de kasten de deur open stond, terwijl aangever voor zijn vertrek die kastdeur had gesloten, vloeit voort dat degene die in de woning is geweest in ieder geval in die woning de betreffende kastdeur open heeft laten staan. Dit duidt erop dat door die persoon is gezocht naar (een) voorwerp(en) om mee te nemen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte iets heeft meegenomen uit de woning, zodat sprake van een poging diefstal door middel van braak.
Feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen – de aangifte van [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen waarin verdachte wordt herkend als de persoon op de camerabeelden – stelt het hof vast dat verdachte op 3 januari 2025 de woning aan de [adres 2] in [plaats 2] binnen is gegaan en een telefoon en een laptop/notebook heeft meegenomen. Op de beelden van de beveiligingscamera die gericht is op de tuin van de aangever is op 3 januari 2025 een persoon te zien die voor het raam staat met zijn gezicht naar de camera gericht. De camerabeelden zijn met de politie gedeeld waarna verdachte door verschillende verbalisanten is herkend. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat, hoewel hij erkent de persoon te zijn op de camerabeelden, hij de woning niet binnen is gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij bij de woning liep omdat hij op zoek was naar een Poolse man die hem nog geld verschuldigd was. Later zou hij de Poolse man hebben aangetroffen met een telefoon en een tablet (het hof begrijpt: notebook/laptop) die hij aan verdachte aanbood. Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet verifieerbaar is en niet wordt ondersteund door de rest van het dossier. Wel staat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte op de datum van de diefstal voor de woning heeft gestaan, dat hij over de gestolen telefoon heeft beschikt en dat hij die zeer kort na de diefstal heeft verkocht. Het hof zal de verklaring dan ook als ongeloofwaardig ter zijde schuiven. Het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.primair
hij op 1 januari 2025 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (enig) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.primair
hij op 3 januari 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , in een woning, [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een telefoon (Samsung A22), en
- een laptop/notebook (HP), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van braak en een diefstal uit een woning. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van de bewoners en de persoonlijke levenssfeer. Dergelijke feiten brengen heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2026 volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, onder meer voor woninginbraken. Het hof stelt vast dat verdachte niets heeft geleerd van die eerdere veroordelingen. Het hof weegt dit mee in het nadeel van de verdachte.
Het hof heeft de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bij de strafoplegging betrokken. Als oriëntatiepunten voor insluiping in een woning en een woninginbraak wordt als oriëntatiepunt, in geval van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden respectievelijk van 5 maanden genoemd. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het ten aanzien van feit 1 bij een poging is gebleven.
Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. A. Meester en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 april 2026.