Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2494

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.360.542/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing gezamenlijk gezag en omgangsregeling vader met minderjarige

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2023. De moeder oefent het gezag uit. De vader startte een procedure om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling te verkrijgen. De rechtbank wees deze verzoeken af, waarna de vader hoger beroep instelde.

Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag alleen kan worden toegewezen indien ouders voldoende kunnen samenwerken. Uit de stukken en zitting blijkt dat de communicatie tussen ouders ontbreekt, het vertrouwen ontbreekt en de vader onvoldoende betrokken is bij het kind. De vader houdt zich niet aan omgangsafspraken en erkent zijn verantwoordelijkheid onvoldoende.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde hulpverlening, waaronder emotieregulatietraining, die de vader niet volgt. Het hof acht het in het belang van het kind dat omgang en gezamenlijk gezag nu niet worden toegewezen vanwege het risico op contactbreuk en onveilige situatie.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 15 juli 2025 en wijst het beroep van de vader af. De omgangsregeling en het verzoek tot gezamenlijk gezag worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeschikking en wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en omgang af vanwege verstoorde ouderrelatie en onvoldoende betrokkenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.542/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 228053)
beschikking van 23 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
wonende op een geheim te houden adres,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A. Mulder te Groningen,
en
[verweerster](de moeder),
wonende op een geheim te houden adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E.H. Jansen te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 januari 2024, 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 15 juli 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 oktober 2025;
- een brief namens de vader van 5 november 2025 met bijlage(n);
- een brief namens de vader van 18 november 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 23 februari 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023. De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit.
3.2
De vader is de procedure op 1 november 2023 gestart met het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Hij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil of het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen door de moeder of gezamenlijk door beide ouders moet worden uitgeoefend en daarnaast het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] . De rechtbank heeft, na in eerdere tussenbeschikkingen een voorlopige omgangsregeling te hebben vastgesteld, bij de bestreden beschikking de verzoeken van de vader om gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om de beschikkingen van 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een zorgregeling vast te stellen tussen hem [de minderjarige] , inhoudende dat er wekelijks contact tussen hen zal zijn op een door het hof nader te bepalen wijze en dat dit contact aldus wordt opgebouwd dat [de minderjarige] een weekend per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen en dat het gezag ten aanzien van [de minderjarige] aldus wordt gewijzigd dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over haar zullen uitoefenen.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vader af te wijzen.
4.4
Ter zitting van het hof is namens de vader aangevoerd dat enkel de vernietiging van de bestreden beschikking (van 15 juli 2025) wordt verzocht en niet van de eerdere tussenbeschikkingen.

5.De motivering van de beslissing

Herstelfunctie hoger beroep
5.1
De grief die namens de vader is aangevoerd en stelt dat de bestreden beschikking van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, kan in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hoger beroep biedt immers de mogelijkheid om eventuele fouten en tekortkomingen uit de eerste aanleg te corrigeren. Het hof is van oordeel dat bespreking van deze grief derhalve geen belang meer dient.
Gezag
5.2
Volgens artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren). Om samen beslissingen te kunnen nemen over zaken die het kind aangaan, is een zekere mate van onderling overleg en betrokkenheid nodig, of is ten minste nodig dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Het hof is van oordeel dat deze minimaal noodzakelijke basis tussen de ouders ontbreekt. Daarom acht het hof het in het belang van [de minderjarige] om het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, af te wijzen. Het hof legt hierna uit waarom.
5.4
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken komt naar voren dat er geen communicatie plaatsvindt tussen de ouders en dat het onderlinge vertrouwen ontbreekt. Daarnaast voelt de moeder veel spanning in relatie tot de vader. Daar komt bij dat de vader niet (structureel) betrokken is bij het leven van [de minderjarige] . De vader heeft moeite met het nakomen van afspraken omtrent de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] . Hij laat een patroon zien van te laat komen, afzeggen, of zich verslapen. Hij lijkt zich daarbij niet bewust te zijn van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid richting [de minderjarige] en geen rekening te houden met haar belang, in ieder geval neemt hij die verantwoordelijkheid niet. Ook tijdens de zitting bij het hof is niet gebleken dat er in de houding van de vader richting de moeder en [de minderjarige] iets is veranderd. Het valt op dat vader een slachtofferrol lijkt aan te nemen, in plaats van dat hij met het eerder gegeven advies van de raad aan de slag is gegaan. Met de moeder heeft het hof er mede hierdoor geen vertrouwen in dat de vader zijn rol als gezaghebbend ouder kan waarmaken. Omdat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is, bestaat een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen haar ouders wanneer de ouders samen het gezag over haar hebben. Het valt daarnaast niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, gelet op wat ter zitting en uit de stukken naar voren is gekomen.
5.5 Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.
Vaststelling omgangsregeling5.6 Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met onder meer zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op verzoek van (een van) de ouders stelt de rechter een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht dan wel ontzegt hij het recht op omgang.
5.7
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen, moet worden afgewezen.. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en voegt hier het volgende aan toe.
5.8
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader de vastgestelde omgangsregeling niet naar behoren is nagekomen. In september 2024 is de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader gestart. Deze omgang is in maart 2025 vanuit het [naam] beëindigd omdat het met name de vader niet lukte om zich aan de gemaakte afspraken te houden. Sindsdien is er ook geen contact meer geweest tussen hem en [de minderjarige] .
Daarbij komt dat de raad in zijn rapport van 27 juni 2025 had geadviseerd dat beide ouders individuele hulpverlening zouden moeten starten, om te bewerkstelligen dat zij zich niet laten leiden door hun eigen emoties. De moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij hier inmiddels aan werkt. Zij volgt therapie en werkt toe naar een EMDR-traject met haar psycholoog. Daarentegen is de vader niet gestart met de geadviseerde emotieregulatietraining. Ter zitting heeft de vader te kennen gegeven dat hij de noodzaak hiervan niet inziet en dat hij denkt dat het beter met hem zal gaan zodra hij weer contact heeft met [de minderjarige] . Hij heeft gesteld dat hij tijdens een eerdere relatie al eens een dergelijke training heeft gedaan. Het hof constateert echter dat dit niet heeft kunnen voorkomen dat er in de relatie met de moeder opnieuw geweld heeft plaatsgevonden en de raad heeft benoemd dat uit de informatie van de politie volgt dat ook in een volgende relatie huiselijk geweld plaatsvond. Deze informatie onderstreept de noodzaak van de door de raad geadviseerde emotieregulatietraining. Door hier de noodzaak niet van in te zien en geen gevolg aan het advies te geven laat de vader zien dat hij zijn eigen aandeel in de verstoorde verstandhouding tussen hem en de moeder en zijn eigen verantwoordelijkheid richting [de minderjarige] onvoldoende erkent. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de omgang met haar vader op een prettige en veilige manier verloopt, waarbij ook de moeder vertrouwen in de veiligheid moet krijgen, maar de vader zet geen stappen om ervoor te zorgen dat hij haar de benodigde veiligheid en stabiliteit kan bieden.
Het hof acht stabiliteit voor [de minderjarige] van groot belang en is van oordeel dat de vader die op dit moment onvoldoende kan bieden. Nu de vader zich sinds de bestreden beschikking niet heeft ingezet voor de geadviseerde hulpverlening, én die ook niet nodig vindt, ziet het hof geen reden om te verwachten dat dit in de nabije toekomst anders zal zijn. Het hof acht de kans daarom groot dat opnieuw een contactbreuk ontstaat tussen [de minderjarige] en de vader als de omgang nu weer opgestart zou worden. Een nieuwe contactbreuk zou nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige] .
5.9
Gelet op wat hiervoor is overwogen acht het hof omgang tussen de vader en [de minderjarige] op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 juli 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. C. Coster en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.