Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
verweerster in hoger beroep,
1.De procedure in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
5.5 Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.
Daarbij komt dat de raad in zijn rapport van 27 juni 2025 had geadviseerd dat beide ouders individuele hulpverlening zouden moeten starten, om te bewerkstelligen dat zij zich niet laten leiden door hun eigen emoties. De moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij hier inmiddels aan werkt. Zij volgt therapie en werkt toe naar een EMDR-traject met haar psycholoog. Daarentegen is de vader niet gestart met de geadviseerde emotieregulatietraining. Ter zitting heeft de vader te kennen gegeven dat hij de noodzaak hiervan niet inziet en dat hij denkt dat het beter met hem zal gaan zodra hij weer contact heeft met [de minderjarige] . Hij heeft gesteld dat hij tijdens een eerdere relatie al eens een dergelijke training heeft gedaan. Het hof constateert echter dat dit niet heeft kunnen voorkomen dat er in de relatie met de moeder opnieuw geweld heeft plaatsgevonden en de raad heeft benoemd dat uit de informatie van de politie volgt dat ook in een volgende relatie huiselijk geweld plaatsvond. Deze informatie onderstreept de noodzaak van de door de raad geadviseerde emotieregulatietraining. Door hier de noodzaak niet van in te zien en geen gevolg aan het advies te geven laat de vader zien dat hij zijn eigen aandeel in de verstoorde verstandhouding tussen hem en de moeder en zijn eigen verantwoordelijkheid richting [de minderjarige] onvoldoende erkent. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de omgang met haar vader op een prettige en veilige manier verloopt, waarbij ook de moeder vertrouwen in de veiligheid moet krijgen, maar de vader zet geen stappen om ervoor te zorgen dat hij haar de benodigde veiligheid en stabiliteit kan bieden.
Het hof acht stabiliteit voor [de minderjarige] van groot belang en is van oordeel dat de vader die op dit moment onvoldoende kan bieden. Nu de vader zich sinds de bestreden beschikking niet heeft ingezet voor de geadviseerde hulpverlening, én die ook niet nodig vindt, ziet het hof geen reden om te verwachten dat dit in de nabije toekomst anders zal zijn. Het hof acht de kans daarom groot dat opnieuw een contactbreuk ontstaat tussen [de minderjarige] en de vader als de omgang nu weer opgestart zou worden. Een nieuwe contactbreuk zou nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige] .