Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2497

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.361.365/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging opschorting omgangsregeling tussen moeder en minderjarige

De ouders van een minderjarige, geboren in 2012, zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader en staat sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). Een zorgregeling voorzag in omgang met de moeder, die sinds september 2024 was aangepast tot wekelijkse zaterdagomgang.

Sinds juli 2025 is de omgang gestaakt na een incident tussen moeder en kind. De minderjarige verblijft sinds maart 2026 doordeweeks op een woongroep en in het weekend bij de vader. De GI verzocht de kinderrechter om de zorgregeling op te schorten en de regie over het herstarten te krijgen, wat werd toegewezen.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof oordeelde dat de opschorting in het belang van de minderjarige is. Het hof benadrukte dat de moeder de grenzen van het kind moet respecteren en dat de GI actief betrokken is bij het herstelproces. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kinderrechter en wees het beroep van de moeder af.

De minderjarige werd geïnformeerd via een kindbrief waarin het besluit werd toegelicht en waarin werd benadrukt dat het contact in de toekomst mogelijk weer kan worden hersteld in haar eigen tempo. Het hof benadrukte het belang van rust en ruimte voor het kind en een actieve samenwerking tussen moeder en GI voor herstel van het contact.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opschorting van de omgangsregeling en bevestigt dat de gecertificeerde instelling de regie houdt over het herstarten van de omgang in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.365/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201730)
beschikking van 23 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd te Leeuwarden.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats2] ,
advocaat mr. I.W. van Dijk te Leeuwarden.

1.1. Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] op verzoek van de GI opgeschort en bepaald dat de GI de regie heeft over het heropstarten van die omgang. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
Het huwelijk van de vader en de moeder is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.
2.2
Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2012. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
2.3
[de minderjarige] staat sinds 8 juli 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien jaarlijks verlengd. De ondertoezichtstelling loopt nu tot 4 oktober 2026.
2.4
Voor [de minderjarige] is een zorgregeling vastgesteld bij beschikking van 12 september 2022 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Die zorgregeling houdt in dat [de minderjarige] om de week op zaterdag zes uren en de andere week op een doordeweekse dag vier uren bij de moeder verblijft.
2.5
De ouders hebben nadien de regeling gewijzigd en afgesproken dat [de minderjarige] sinds de start van de middelbare school in september 2024 iedere zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur omgang heeft met de moeder.
2.6
Sinds 26 juli 2025 wordt geen uitvoering meer gegeven aan de regeling en gaat [de minderjarige] niet meer naar haar moeder toe.
2.7
[de minderjarige] verblijft sinds 11 maart 2026 op doordeweekse dagen op een woongroep en in de weekenden bij de vader.

3.De procedure bij de kinderrechter3.1 De GI heeft de kinderrechter verzocht de tussen de ouders in september 2024 overeengekomen zorgregeling op te schorten en de GI de regie te geven over het

heropstarten van de zorgregeling, alsmede over de duur, frequentie, locatie en eventuele
begeleiding daarvan.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de in de beschikking van 12 september 2022 vastgelegde zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] en de nadien door de ouders gewijzigde regeling waarbij [de minderjarige] sinds de start van de middelbare school in september 2024 iedere zaterdag van 11.00 – 19.00 uur omgang heeft met de moeder, opgeschort en bepaald dat de GI de regie heeft over het heropstarten van de zorgregeling, alsmede over de duur, frequentie, locatie en eventuele begeleiding daarvan.
3.3
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 6 oktober 2025, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst, dan wel dat het hof beslist dat de zorgregeling voor een maximale termijn van drie maanden wordt opgeschort.
4.2
De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter en wil dat het hof de beslissing in stand laat.
4.3
De vader wil ook dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n) van de moeder, ingekomen op 7 november 2025;
- een brief van de raad van 21 november 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- het verweerschrift in hoger beroep van de GI met bijlage(n);
- het verweerschrift in hoger beroep van de vader met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 23 januari 2026 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 16 maart 2026 met bijlage.
4.5
[de minderjarige] heeft op 23 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van het opschorten van de zorgregeling. Zij wil graag dat de situatie, waarin ze geen contact heeft met haar moeder, zo blijft.
4.6
De zitting bij het hof was op 26 maart 2026. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en
-twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
In de wet staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een zorgregeling kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Hoe oordeelt het hof?5.2 Het hof stelt allereerst vast dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Eind juli 2025 heeft een incident plaatsgevonden tussen de moeder en [de minderjarige] en sindsdien is er geen omgang meer geweest. Het hof moet beoordelen of deze gewijzigde omstandigheden een wijziging van de zorgregeling rechtvaardigen en zo ja, of de verzochte regeling in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
5.3
Het hof is, net als de kinderrechter, van oordeel dat omgang op dit moment niet in het belang is van [de minderjarige] en dat de GI de regie moet voeren over het herstarten en de opbouw ervan. Het hof neemt, na eigen onderzoek, de overwegingen van de kinderrechter in de bestreden beschikking over en maakt die tot de zijne. Het hof overweegt daarnaast nog het volgende.
5.4
Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij het gevoel heeft dat [de minderjarige] de regie voert en de GI dit zonder meer opvolgt. Het hof deelt deze overtuiging niet. Het hof heeft de overtuiging dat de GI actief betrokken is. De GI voert regelmatig gesprekken met [de minderjarige] . Daarbij komt het contact met haar moeder vaak ter sprake om dit onderwerp blijvend bespreekbaar te maken voor [de minderjarige] . De GI ziet al langer een patroon bij de moeder waarbij zij onvoorspelbaar en onrustig is en niet de belangen van [de minderjarige] centraal stelt in het contact. Voor [de minderjarige] was de grens na het incident op 26 juli 2025 bereikt, waardoor zij heeft besloten voorlopig geen contact met haar moeder te willen. Zij voert inmiddels goede gesprekken met een jeugdcoach en de GI ziet een positieve ontwikkeling in haar gedrag. [de minderjarige] durft zich nu meer uit te spreken. Het hof acht het daarom aannemelijk dat zij, zodra er weer ruimte is bij [de minderjarige] voor contact met haar moeder, dit zal aangeven en dat de GI dit direct zal oppakken.
5.5
Het hof is van oordeel dat de moeder de grenzen van [de minderjarige] nu moet respecteren en geen contact met haar moet zoeken op de wijze zoals zij dat in de afgelopen tijd heeft gedaan. Het is het hof gebleken dat [de minderjarige] er veel last van heeft als zij op een voor haar vertrouwde plek, namelijk de stal van haar paard, zomaar van haar moeder een briefje in haar locker aantreft. Het heeft [de minderjarige] ook erg geraakt dat haar paard [naam1] door de moeder is verplaatst naar een andere stal en dat zij dit via een briefje in haar locker moest vernemen. Dit levert voor [de minderjarige] weer onvoorspelbaarheid en onrust op en bevestigt haar ook in de weerstand die zij nu voelt bij contact met haar moeder. Tijdens de zitting gaf de GI aan bereid te zijn om samen met de moeder te werken aan het herstel van het contact. De moeder doet er verstandig aan deze kans te grijpen. Zo kan zij bijvoorbeeld via de GI een brief aan [de minderjarige] schrijven, waarin zij [de minderjarige] ’s gevoelens erkent, als eerste stap naar contactherstel. De GI heeft deze handreiking naar de moeder gedaan, maar de GI zal ook zelf actief moeten blijven in het betrekken van de moeder bij dit proces. Het hof kan zich voorstellen dat het langer uitblijven van een herstelcontactmoment de drempel voor [de minderjarige] alleen maar hoger maakt en dat moet worden voorkomen. Het hof benadrukt dat een actieve samenwerking tussen de moeder en de GI onmisbaar is voor het belang van [de minderjarige] en voor het herstel van contact.
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat deze wordt opgeschort. Het hof ziet geen aanleiding om deze opschorting voor een korte termijn dan de duur van de ondertoezichtstelling te bepalen, zoals de moeder subsidiair heeft verzocht. Het is niet in het belang van [de minderjarige] om een herstelgesprek met de moeder te forceren. Eerst zal het vertrouwen in de moeder moeten worden opgebouwd. Het is niet te voorzien hoeveel tijd ervoor nodig is om bij [de minderjarige] een basis voor een herstelgesprek te bewerkstelligen. Het hof zal de beschikking van de kinderrechter dan ook bekrachtigen.
5.7
Deze beschikking wordt niet naar [de minderjarige] verstuurd. Het hof heeft deze beslissing als volgt aan haar uitgelegd in een brief:
Beste [de minderjarige] ,
Op maandag 23 maart 2026 hebben we met elkaar gesproken. Je hebt mij onder andere verteld dat je op dit moment geen contact wilt met je moeder en daarom ook geen regeling meer. Je maakt je ook zorgen om je paard [naam1] , die naar een andere stal is gegaan. Je wilt graag dat [naam1] teruggaat naar de oude stal en je wilt dat je moeder je daar niet opzoekt. Elke week heb je contact met jeugdcoach [naam2] en dat is fijn voor jou.
Na ons gesprek heb ik op donderdag 26 maart 2026, samen met twee andere rechters, met je ouders, hun advocaten en de jeugdbeschermer [naam3] gesproken. Je moeder wil graag gauw een gesprek met jou en vindt het moeilijk dat ze al zo lang geen contact met je heeft. Ze vindt het belangrijk dat je weet dat [naam1] jouw paard is en ook van jou zal blijven. Ook hebben we gehoord dat je nu deels in een gezinshuis woont. Na dit gesprek heb ik samen met de twee andere rechters een beslissing genomen. Jij hebt mij laten weten dat je onze beslissing graag zelf wilt lezen en daarom schrijven we je deze brief.
De kinderrechter heeft eerder beslist dat de omgangsregeling tussen jou en je moeder voor nu wordt stopgezet en dat het aan de jeugdbeschermer is of, hoe en wanneer die regeling weer opgestart kan worden. Wij zijn het met die beslissing van de kinderrechter eens en die laten we daarom in stand. Eigenlijk vinden we het voor kinderen belangrijk dat ze goed contact hebben met hun beide ouders. Maar soms gaat dat om allerlei redenen niet. In jouw geval maken we ons grote zorgen over jou, over wat er in het verleden allemaal is gebeurd en over wat maakt dat je nu zo heftig reageert en last hebt van deze situatie. Hierin kan het helpen dat je voor nu de rust en ruimte krijgt en dat ondertussen de jeugdbeschermer blijft kijken wat het beste voor jou is.
Het is me duidelijk geworden dat deze beslissing moeilijk zal zijn voor je moeder. Zij wil heel graag contact met je en wil graag weer een rol spelen in je leven. Ik denk daarom dat haar deur altijd open zal staan voor jou. Ik hoop dat deze beslissing je rust zal geven en dat je daardoor in de toekomst misschien wel weer de ruimte zal voelen om – in je eigen tempo – weer contact te hebben met je moeder.
Ik wil je als laatste nog laten weten dat ik de inhoud van deze brief in de beslissing voor je ouders en de jeugdbeschermer heb opgenomen, zodat zij ook weten wat ik jou heb geschreven. Bedankt voor het gesprek.
Met vriendelijke groet,
de rechter

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 oktober 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. Pieters en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.