Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2595

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.366.556/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 1 FwArt. 285 lid 1 onder f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervroeging aanvangsmoment wettelijke schuldsaneringsregeling na maximale inspanning appellant

Appellant heeft een schuldenlast van ruim €292.000, voornamelijk voortkomend uit zijn voormalige onderneming en een restschuld eigen woning. Na een proefplaatsing is appellant in loondienst getreden, maar sinds oktober 2025 ziekgemeld en niet in staat zijn werkzaamheden te hervatten. De rechtbank wees het verzoek tot vervroeging van de wsnp-termijn af omdat appellant onvoldoende had aangetoond maximaal te hebben afgelost.

In hoger beroep stelde appellant dat hij zich maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor schuldeisers te verwerven. Het hof nam kennis van het aanvangsverslag van de bewindvoerder, verklaringen van schuldhulpverleners en stukken van appellant. Het hof oordeelde dat appellant vanaf oktober 2024 vrijwillig bedragen heeft afgedragen, ondanks een afloscapaciteit van €0, en dat hij structureel bleef afdragen na indiensttreding.

Het hof achtte aannemelijk dat appellant zich maximaal heeft ingespannen, mede gelet op zijn belastbaarheid, de zorg voor zijn zoon en het advies van de gemeente over het aantal te werken uren. Het hof stelde het aanvangsmoment van de wsnp vast op 6 oktober 2024 en verlengde de wsnp-termijn met zes maanden vanaf het moment van uitspraak, waarbij appellant ontheven is van verdere afdracht- en inspanningsverplichtingen.

Uitkomst: De wsnp-termijn van appellant begint op 6 oktober 2024 en wordt verlengd met zes maanden, waarbij hij ontheven is van verdere afdracht- en inspanningsverplichtingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.366.556
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: [zaaknummer]
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri

1.De procedure bij de rechtbank

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 12 maart 2026 ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp) uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om een eerdere ingangsdatum van de wsnp (vanaf 6 oktober 2024) afgewezen. [naam1] is tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).

2.De procedure bij het hof

2.1.
Bij (op 19 maart 2026 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellant] tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 maart 2026. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof alsnog een looptijdverkorting van de wsnp toepast van zes maanden.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van:
  • het aanvangsverslag en bijbehorende brief van de bewindvoerder van 14 april 2026;
  • de nader toegezonden stukken van [appellant] van 14 april 2026;
  • het nader toegezonden stuk van [appellant] van 17 april 2026.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Coenders-El Dahri. Daarnaast zijn namens de Kredietbank Nederland mevrouw [naam2] en de heer [naam3] verschenen (hierna samen: schuldhulpverleners). Verder was de bewindvoerder aanwezig.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en het oordeel van de rechtbank
3.1.
[appellant] heeft een schuldenlast van in totaal ruim € 292.000,-. De schulden bestaan voornamelijk uit schulden van zijn voormalige onderneming en een restschuld eigen woning. [appellant] is vanuit de bijstand per 1 mei 2025 op basis van een proefplaatsing bij zijn huidige werkgever gestart voor 32 uur per week. Na de proefperiode van twee maanden, is [appellant] officieel in loondienst getreden voor 32 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot en met 30 april 2026). Daarmee verdient hij € 1.987,07 netto per maand. [appellant] heeft zich sinds 27 oktober 2025 ziekgemeld en is volgens de bedrijfsarts nog niet in staat (geweest) om zijn werkzaamheden te hervatten bij zijn huidige werkgever.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de wsnp toegewezen, maar heeft het gelijktijdige verzoek van [appellant] om de termijn van de regeling eerder, namelijk per 6 oktober 2024, te laten aanvangen afgewezen. Volgens de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende aangetoond dat hij vanaf 6 oktober 2024 maximaal heeft afgelost en heeft voldaan aan de inspanningsverplichting.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.3.
Het hof begrijpt het verzoek van [appellant] zo dat hij een beroep doet op vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de wsnp zoals bedoeld in artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Het hof is van oordeel dat hoger beroep tegen de afwijzende beslissing op het verzoek tot vervroeging van het aanvangsmoment mogelijk is. [1] Dat betekent dat [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, waarin alleen nog de vraag voorligt of de termijn van de wsnp van [appellant] eerder moet aanvangen dan op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp, en zo ja, op welke datum.
De aanvang van de termijn van de wsnp
3.4.
Op grond van artikel 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de wsnp anderhalf jaar. Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp, of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw (het alternatieve aanvangsmoment).
3.5.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat met ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ in artikel 349a lid 1 Fw niet wordt gedoeld op een schuldeisersakkoord, maar op het minnelijk traject van schuldhulpverlening. ‘In het kader van’ betekent in de context van artikel 349a lid 1 Fw hetzelfde als ‘tijdens’. Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment in artikel 349a lid 1 Fw dus om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan, aldus de Hoge Raad, in beginsel ook als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook als een eerste bedrag wordt gespaard tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening. Met een eerste aflossing moet daarnaast op één lijn worden gesteld de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nulaanbod’ aan de schuldeisers. [2]
3.6.
Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de wsnp, moet de schuldenaar tijdens het minnelijk voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor het berekenen van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De rechter moet het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.
De aanvang van de buitengerechtelijk schuldregeling
3.7.
Op 3 juli 2024 is [appellant] met Kredietbank Nederland een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan. Dit betekent dat de buitengerechtelijke schuldregeling zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw is aangevangen op 3 juli 2024.
De eerste aflossing en de verplichtingen uit het minnelijk traject
3.8.
[appellant] heeft, zoals ook is bevestigd door de schuldhulpverleners en de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, in oktober 2024 voor het eerst een bedrag gespaard. Dit terwijl zijn afloscapaciteit op dat moment was vastgesteld op € 0,-. [appellant] ontving op dat moment namelijk een bijstandsuitkering. Ook in de maanden november 2024 en januari tot en met maart 2025 is de afloscapaciteit van [appellant] vastgesteld op € 0,-. Desondanks is het hem gelukt die maanden (vrijwillig) een bedrag af te dragen. Nadat [appellant] – na de proefplaatsing – in loondienst is getreden, is [appellant] structureel blijven afdragen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is door de schuldhulpverleners verklaard dat [appellant] zelfs te veel heeft afgedragen omdat het vrij te laten bedrag onjuist was berekend en daardoor op een te laag bedrag was vastgesteld. Dit is bevestigd door de bewindvoerder. Door mr. Coenders-El Dahri is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat [appellant] ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep een bedrag van € 6.239,45 heeft gespaard. Dit is door de schuldhulpverleners bevestigd. Het hof is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat [appellant] gedurende de buitengerechtelijke schuldregeling heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht.
3.9.
Het hof is verder van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] zich maximaal – naar belastbaarheid – heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Uit de overgelegde stukken volgt dat [appellant] door de bedrijfsarts sinds zijn ziekmelding in oktober 2025 niet in staat wordt geacht zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever te hervatten. [appellant] en de schuldhulpverleners hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat [appellant] samen met zijn jobcoach actief op zoek is naar een andere baan en dat daar inmiddels ook zicht op is. Daarnaast hebben de schuldhulpverleners en [appellant] toegelicht waarom [appellant] tijdens de buitengerechtelijke schuldregeling 32 uur per week heeft gewerkt (en dus niet fulltime). Volgens hen heeft de gemeente [gemeentenaam] (hierna: de gemeente) met [appellant] overleg gevoerd over het aantal te werken uren. De gemeente heeft geadviseerd om een baan te zoeken voor 32 uur, hetgeen [appellant] ook heeft gedaan. Bij dat advies van de gemeente is rekening gehouden met de belastbaarheid van [appellant] , waarbij ook de zorgregeling voor zijn zoon in aanmerking is genomen. De schuldhulpverleners zijn ook van dit advies uitgegaan en waren het eens met de vastgestelde belastbaarheid van 32 uur per week.
Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat [appellant] op de mondelinge behandeling in hoger beroep een oprechte en gemotiveerde indruk maakte en open verklaarde over de situatie waarin hij enige jaren geleden kwam te verkeren door zijn echtscheiding en de negatieve impact die de coronacrisis had op zijn toenmalige onderneming.
3.10.
Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep. Het hof stelt de dag waarop de eerste aflossing is gedaan vast op 6 oktober 2024, zodat de termijn van de wsnp van [appellant] zal lopen vanaf die dag tot en met 6 april 2026. Dit betekent dat de termijn van de wsnp op dit moment al is verstreken. Met het oog op de formele afronding van de wsnp en in aansluiting op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2024 [3] heeft overwogen, zal de termijn worden verlengd met zes maanden vanaf nu. Gedurende deze verlenging is [appellant] ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 maart 2026, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen, namelijk voor zover daarin is bepaald dat de termijn van de wsnp achttien maanden bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis, en beslist daarover als volgt;
4.2.
bepaalt dat de termijn van de wsnp van [appellant] loopt vanaf 6 oktober 2024 tot en met 6 april 2026;
4.3.
verlengt de wsnp met zes maanden vanaf heden en bepaalt dat [appellant] gedurende deze termijn is ontheven van een verdere afdrachtplicht en inspanningsverplichting.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, D. Visser en N.M. Brouwer, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2026.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 24 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7171.
2.Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.
3.Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.o. 3.6.3.