Appellant heeft een schuldenlast van ruim €292.000, voornamelijk voortkomend uit zijn voormalige onderneming en een restschuld eigen woning. Na een proefplaatsing is appellant in loondienst getreden, maar sinds oktober 2025 ziekgemeld en niet in staat zijn werkzaamheden te hervatten. De rechtbank wees het verzoek tot vervroeging van de wsnp-termijn af omdat appellant onvoldoende had aangetoond maximaal te hebben afgelost.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zich maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor schuldeisers te verwerven. Het hof nam kennis van het aanvangsverslag van de bewindvoerder, verklaringen van schuldhulpverleners en stukken van appellant. Het hof oordeelde dat appellant vanaf oktober 2024 vrijwillig bedragen heeft afgedragen, ondanks een afloscapaciteit van €0, en dat hij structureel bleef afdragen na indiensttreding.
Het hof achtte aannemelijk dat appellant zich maximaal heeft ingespannen, mede gelet op zijn belastbaarheid, de zorg voor zijn zoon en het advies van de gemeente over het aantal te werken uren. Het hof stelde het aanvangsmoment van de wsnp vast op 6 oktober 2024 en verlengde de wsnp-termijn met zes maanden vanaf het moment van uitspraak, waarbij appellant ontheven is van verdere afdracht- en inspanningsverplichtingen.