Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2625

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
21-003287-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 9a SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontploffing woning door onvoorzichtig boren in gasleiding met gemeen gevaar

Verdachte werd door de rechtbank veroordeeld voor het veroorzaken van een ontploffing in een woning door onvoorzichtig boren in een gasleiding, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof bevestigt het bewezenverklaarde, maar wijzigt de strafoplegging.

Het hof oordeelt dat verdachte als laadpaalmonteur een bijzondere zorgplicht (Garantenstellung) had en onvoorzichtig handelde door uitsluitend te vertrouwen op een detectiemeter die geen pvc-leidingen kon detecteren en geen inspectie van de kruipruimte te verrichten. Verdachte heeft bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het betreden van de kruipruimte, waarbij het hof de eerdere verklaringen waarin hij ontkende de kruipruimte te hebben betreden, geloofwaardig acht.

De ontploffing werd veroorzaakt doordat verdachte door een gasleiding boorde, waardoor gas vrijkwam en zich vermengde met zuurstof. Een houtkachel in de woning ontstak het gasmengsel, wat de explosie veroorzaakte. Het hof stelt dat deze externe factor de causaliteitsketen niet doorbreekt en dat de ontploffing aan de schuld van verdachte is toe te rekenen.

Gezien de ernst van het feit, de impact op de bewoners en verdachte, en het ontbreken van eerdere veroordelingen, legt het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren op, met een proeftijd van twee jaar. De taakstraf kan worden vervangen door 60 dagen hechtenis. Het hof houdt rekening met de mogelijke gevolgen voor de verblijfstitel van verdachte en de persoonlijke omstandigheden.

Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank voor wat betreft strafmotivering en strafoplegging en doet in die onderdelen opnieuw recht, terwijl het vonnis in alle overige onderdelen wordt bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren met 2 jaar proeftijd wegens ontploffing woning door onvoorzichtig boren in gasleiding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003287-24
Uitspraakdatum: 28 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 26 juli 2024 met parketnummer 08-158507-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:
  • het bewezen verklaren van het ten laste gelegde feit;
  • het opleggen van een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aan zijn schuld te wijten ontploffing, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is ontstaan (artikel 158 van Pro het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank heeft verdachte voor dat feit veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis met aanvulling van die gronden en bewijsmiddelen, behalve voor zover het betreft de strafmotivering en de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Aanvulling bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt
proces-verbaal van verhoord.d. 17 november 2023, opgenomen op pagina 1-10 van het dossier van Politie Oost-Nederland met nummer PL0600-2022146153, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Waar in de woning was het toegangsluik tot de kruipruimte van de woning?
A: Ik weet dat niet.
V: Bent u in de kruipruimte geweest?
A: Nee.
2. De
verklaring van verdachteafgelegd in eerste aanleg ter terechtzitting van 28 juni 2024:
Ik heb niet in de kruipruimte gekeken omdat ik volledig vertrouwde op mijn detectiemeter. Dat was in alle voorgaande gevallen voldoende. […]
Ik ben ervan uitgegaan dat de meter accuraat genoeg was om te detecteren. Nu zou ik ook hebben gekeken in de kruipruimte.

Aanvullende overwegingen

Ten aanzien van verdachte’s verklaring in hoger beroep
Verdachte heeft, anders dan bij de politie en in eerste aanleg, in hoger beroep verklaard dat hij de kruipruimte in de woning heeft opengemaakt en dat hij in de kruipruimte heeft gekeken. Volgens verdachte kon de kruipruimte niet worden betreden, waardoor verdachte zijn detectiemeter zou hebben gebruikt.
Het hof overweegt dat verdachte in hoger beroep voor het eerst met deze verklaring komt en eerder herhaaldelijk heeft verklaard dat hij niet in de kruipruimte is geweest en daar ook geen onderzoek naar heeft verricht. Uit het dossier volgt daarnaast dat zowel bij de politie als in eerste aanleg meerdere keren is gevraagd naar de kruipruimte en dat verdachte iedere keer heeft aangegeven daar niet te zijn geweest. Dat, terwijl de bewoner - aangever [slachtoffer] - verdachte voorafgaand aan zijn werkzaamheden wel zou hebben gewezen op de in de woning aanwezige kruipruimte.
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij niet wist waar het toegangsluik tot de kruipruimte was en dat hij niet in de kruipruimte is geweest. Dat verdachte niet bij de kruipruimte zou zijn geweest volgt ook uit de aangifte. Vervolgens heeft verdachte in eerste aanleg het volgende verklaard:
“Ik heb niet in de kruipruimte gekeken omdat ik volledig vertrouwde op mijn detectiemeter.”en
“Ik ben ervan uitgegaan dat de meter accuraat genoeg was om te detecteren. Nu zou ik ook hebben gekeken in de kruipruimte.”
Het hof stelt op basis daarvan vast dat daarover geen verwarring heeft kunnen bestaan en dat verdachte meermaals in de gelegenheid is gesteld om vragen te beantwoorden of daarover een verklaring af te leggen. Dat verdachte destijds bij de politie niet in staat zou zijn geweest om volledig te verklaren, zoals zijn raadsman ter zitting van het hof heeft aangevoerd, is niet aannemelijk nu ook in de antwoorden over het tenlastegelegde die zijn ingestuurd door zijn voormalige advocaat niet wordt gesproken over het betreden of bekijken van de kruipruimte. Bovendien heeft hij, zoals hierboven gemeld, bij de rechtbank heel concreet verklaard niet in de kruipruimte te hebben gekeken.
Gelet op voorgaande en in het bijzonder op verdachte’s eerdere, consistent afgelegde verklaringen met betrekking tot de kruipruimte, acht het hof de verklaring van verdachte in hoger beroep dan ook ongeloofwaardig. Het hof gaat daarom uit van de verklaring zoals verdachte die in eerste aanleg heeft afgelegd.
Ten aanzien van verdachte’s handelen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte niet voldoet aan de drempel van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 158 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Volgens de raadsman heeft het handelen van verdachte niet de daarvoor vereiste mate van onvoorzichtigheid bereikt. Verder stelt de raadsman dat ten aanzien van het werken met gasleidingen de Garantenstellung in geval van verdachte niet geldt. Volgens de raadsman geldt de Garantenstellung in dit geval enkel ten aanzien van zijn werk als elektricien. In dat kader heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat van verdachte niet mag worden verwacht dat hij kennis had van de materiaalsoorten van gasleidingen en van de beperkingen van zijn detectiemeter. Volgens de raadsman valt dat buiten zijn opleiding, vakgebied en verantwoordelijkheid. Enerzijds heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte voor dit incident al zestig laadpalen heeft geplaatst en dat dat goed is verlopen. Anderzijds heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte slechts twee maanden ervaring had in het plaatsen van laadpalen en daarvoor slechts één meeloop dag heeft gehad, hetgeen volgens de verdediging volstrekt onvoldoende is als voorbereiding op de complexe situaties die bij woninginstallaties kunnen voorkomen. De raadsman heeft in dat kader gewezen op de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever.
Allereerst stelt het hof vast dat uit de eigen verklaringen van verdachte, zowel bij de politie als in eerste aanleg, volgt dat verdachte wist dat de door hem gebruikte detectiemeter alleen koper en ijzer kon detecteren en geen leidingen van pvc. Dat de verdediging in hoger beroep stelt dat achteraf is gebleken dat pvc ook waarneembaar zou zijn voor deze meter, doet daar niet aan af. Bovendien is dat in de praktijk ook niet gebleken, nu de detectiemeter volgens verdachte geen signalen heeft gegeven bij de door verdachte geraakte gasleiding van pvc.
Verder stelt het hof vast dat verdachte een eigen bedrijf heeft en als zzp’er door een opdrachtgever is ingeschakeld om een laadpaal bij de desbetreffende woning te plaatsen. Het hof overweegt in dat kader dat verdachte als zzp’er zelf de verantwoordelijkheid draagt voor de door hem uit te voeren werkzaamheden. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie ook verklaard dat hij als uitvoerder verantwoordelijk is voor de veiligheid. De enkele omstandigheid dat verdachte in dit geval zonder contract of instructies van zijn opdrachtgever zou hebben gewerkt, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat de Garantenstellung hier van toepassing is, omdat van verdachte als - in dit geval - laadpaalmonteur met een eigen bedrijf een zekere professionaliteit en bijzondere zorgplicht mag worden verwacht. Bij het aanleggen van een laadpaal is het evident dat werkzaamheden moeten worden verricht die de technische installaties van een woning aangaan, daaronder ook begrepen een eventuele gasleiding. Immers, een laadpaalmonteur moet de bekabeling voor de laadpaal aanleggen, deels in de woning zonder daarbij de al aanwezige leidingen te beschadigen. Op zijn minst dient een laadpaalmonteur daarom zich te vergewissen van de aanwezigheid en specifieke ligging van de al aanwezige leidingen. Het hof is daarom van oordeel dat de Garantenstellung ook geldt voor verdachte als laadpaalmonteur. Verdachte kiest ervoor om als monteur deze opdracht aan te nemen en daarvoor werkzaamheden te verrichten waarvoor het onder andere nodig is om te boren in een muur waarin of waaronder zich dergelijke leidingen kunnen bevinden met alle risico’s van dien. Het hof volgt de raadsman dan ook niet in zijn stelling dat de Garantenstellung voor verdachte alleen zou gelden voor zijn werk als elektricien, nu het waarborgen van de veiligheid een belangrijk onderdeel is in het werk als monteur van laadpalen.
Het gaat in deze branche om werkzaamheden aan een woning, waarbij verdachte zich uiterst bewust had moeten zijn van de risico’s, zoals de aanwezigheid van leidingen in een muur, en de te nemen stappen voordat hij kon overgaan tot het daadwerkelijk veilig plaatsen van de laadpaal. Verdachte heeft dat nagelaten, door het gebruik van een detectiemeter die, naar zijn eigen zeggen, geen PVC leidingen kon detecteren. Door te gaan boren in een muur, richting de kruipruimte van de woning, en daarbij enkel te vertrouwen op een detectiemeter die alleen koper en ijzer kon detecteren zonder verdere voorzorgsmaatregelen zoals een inspectie van de kruipruimte en het bestuderen van het leidingenplan op een kaart heeft verdachte als laadpaalmonteur, naar het oordeel van het hof, aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld.
Het verweer van de raadsman wordt gelet op het voorgaande verworpen.
Ten aanzien van het causale verband
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de houtkachel in de woning de directe ontstekingsbron is geweest voor de ontploffing en dat verdachte tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden niet op de hoogte was van het branden van een houtkachel. In dat kader heeft de raadsman aangevoerd dat de ontploffing in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend.
In het kort overweegt het hof, in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank, het volgende. Van aardgas is in het algemeen bekend dat het een zeer brandbare en explosieve stof is. Naar algemene ervaringsregels leidt het boren door een gasleiding in een afgesloten ruimte zoals een kruipruimte is, waarbij er een aanzienlijke hoeveelheid gas vrijkomt, al snel tot het ontstaan van een zeer explosief gas-zuurstof mengsel, zoals dat in zijn algemeenheid bekend is van aardgas, en dat vervolgens door een van buiten komende omstandigheid of factor zeer gemakkelijk kan leiden tot een ontploffing met zeer ernstige gevolgen. Het hof merkt daarbij op dat, ongeacht of verdachte op de hoogte was geweest van de houtkachel die aan het branden was in de woning, dit gevaar hoe dan ook bestond en het explosieve mengsel in de (afgesloten) kruipruimte als gevolg van het lek boren van de aardgasleiding zeer gemakkelijk ook door een andere omstandigheid in de woning tot een explosie had kunnen leiden.
Verdachte heeft vanaf de buitenzijde door de funderingsmuur naar de kruipruimte geboord, en heeft vervolgens door de in de kruipruimte gelegen buiten-gasleiding en binnen-gasleiding geboord. Doordat verdachte door een gasleiding in de muur heeft geboord, is er – zoals de rechtbank dat ook heeft overwogen – gas de kruipruimte ingestroomd, heeft dat gas zich in de kruipruimte via de aanwezige openingen in de funderingsmuren via de overige delen van de kruipruimte onder de gehele woning kunnen verspreiden en heeft dat gas zich gemengd met het aanwezige zuurstof en de explosiegrens bereikt. Doordat de houtkachel op dat moment lucht uit de kruipruimte heeft aangezogen, is het gas-zuurstofmengsel onder de woning vervolgens ontstoken en geëxplodeerd. De houtkachel is in dit geval de ‘externe’ omstandigheid of factor geweest, waardoor het mengsel tot een explosie is gekomen maar deze externe omstandigheid doorbreekt de causaliteitsketen niet. Dat er een ontploffing is ontstaan met gevaar voor goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander is daarom - mede gelet op de andere hierboven en door de rechtbank overwogen omstandigheden - aan de schuld van verdachte te wijten en kan daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.
Het verweer van de raadsman wordt gelet daarop verworpen.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft tijdens het verrichten van werkzaamheden voor het plaatsen van een laadpaal een ontploffing veroorzaakt die aan zijn schuld te wijten is, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is ontstaan. Doordat verdachte zonder voldoende voorbereidend onderzoek te doen tijdens die werkzaamheden door een gasleiding in de muur van de woning heeft geboord is er een enorme ontploffing ontstaan, waardoor de gehele woning is ingestort terwijl de bewoners nog in de woning waren. Het betreft een zeer gevaarlijk feit dat veel gevoelens van angst, onrust en onveiligheid teweeg brengt. Bovendien leidt een dergelijk feit doorgaans tot grote (financiële) schade voor zowel de bewoners als voor de omliggende woningen. Het is een incident met een enorme (emotionele) impact, zowel voor de bewoners als voor verdachte. De bewoners hebben van het ene op het andere moment hun woning en bezittingen verloren. Het is, zoals de rechtbank heeft overwogen, een wonder dat de bewoners zonder ernstig letsel onder het puin vandaan zijn gekomen. Het hof merkt daarnaast op dat dit feit ook voor de omliggende buren en de getuigen ingrijpend moet zijn geweest.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 11 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verdachte heeft alleen dit feit op zijn strafblad staan.
Verder volgt uit het - inmiddels enigszins verouderde - reclasseringsadvies van 18 december 2023 dat de risico’s op recidive worden ingeschat als laag en dat er geen noodzaak wordt gezien voor het adviseren van interventies voor gedragsverandering.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nog steeds werkzaam is als elektricien en in de tussentijd een schikking heeft moeten treffen, omdat hij met zijn bedrijf anders failliet zou worden verklaard. Verder heeft verdachte verklaard dat de gevolgen hiervan, met name op financieel gebied, voor hem nauwelijks te overzien zijn en dat zijn relatie in de tussentijd is beëindigd.
De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte al erg is gestraft en dat het opleggen van een straf geen toegevoegde waarde zal hebben. De raadsman heeft in dat kader naar voren gebracht dat verdachte alles is kwijtgeraakt, een enorme schuldenlast heeft en dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat in zijn situatie vanwege een verblijfstitel de zogenoemde ‘glijdende schaal’ van het vreemdelingenrecht aan de orde kan zijn.
Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in dit concrete geval, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen passende afdoening is.
Ten aanzien van de consequenties voor verdachte’s verblijfstitel merkt het hof op dat door de raadsman is aangevoerd dat de afdoening van deze zaak invloed zou kunnen hebben op de verblijfstitel van verdachte in Nederland. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het systeem van de ‘glijdende schaal’, waarin onder andere de verblijfsduur en de ernst van een opgelegde straf een rol spelen en heeft dit bij de strafoplegging in aanmerking genomen, zodat de op te leggen straf geen directe consequenties hoeft te hebben voor het behoud van de verblijfstitel van verdachte in Nederland.
Vooropgesteld heeft het hof oog voor de impact en de ingrijpende gevolgen die dit ook voor verdachte heeft gehad en tot op heden heeft. Het hof heeft gezien dat verdachte zijn betrokkenheid en medeleven heeft laten zien door een brief aan de bewoners te schrijven en dat verdachte jaren later nog steeds zichtbaar is aangeslagen door hetgeen er is gebeurd. Het hof overweegt dat de gevolgen en de impact van dit feit voor zowel het gezin als voor verdachte enorm zijn. Verdachte heeft aangegeven tot op de dag van vandaag nog veel last te hebben van wat er is gebeurd en daarvoor onder behandeling te zijn bij een psycholoog. Verder heeft verdachte aangegeven zich veel zorgen te maken over zijn toekomst, vooral gelet op zijn verblijfstitel, zijn Verklaring Omtrent het Gedrag en het kunnen uitvoeren van zijn werk als elektricien en de enorme financiële aansprakelijkheid. Verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels als gevolg van dit feit wordt benaderd door diverse schuldeisers, waarbij het om zeer hoge bedragen gaat. Het hof weegt die (persoonlijke) omstandigheden evenals het feit dat verdachte nooit eerder is veroordeeld mee in de strafoplegging en komt tot een andere straf dan de rechtbank aan verdachte heeft opgelegd.
Alles afwegende en voorgaande in aanmerking genomen, zal het hof aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf opleggen. Het hof acht het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 158 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafmotivering en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. L.J. Hofstra en mr. A.J. de Haan, in aanwezigheid van de griffier mr. M.F. Bijlsma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 april 2026.