Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2677

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.360.395/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:235n BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging alleenstaand gezag moeder en aanhouding beslissing omgangsregeling in belang minderjarige

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2024. Voorheen hadden zij gezamenlijk gezag, maar de rechtbank heeft het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen en de moeder alleen met het gezag belast. De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzocht om een zorgregeling waarbij de minderjarige meerdere dagen per week en de helft van vakanties en feestdagen bij hem verblijft.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat wijziging van het gezag in het belang van het kind noodzakelijk is en bekrachtigt de beslissing dat de moeder het gezag alleen uitoefent. Dit vanwege de verstoorde communicatie tussen ouders en de strafrechtelijke veroordeling van de vader voor stalking, waardoor gezamenlijke gezagsuitoefening niet haalbaar is.

Ten aanzien van de omgangsregeling acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd over wat in het belang van het kind is. De vader is sinds september 2025 in behandeling bij een gecertificeerde instelling en volgt Dialectische Gedragstherapie. Het hof houdt de beslissing over omgang aan en verzoekt om een schriftelijke voortgangsrapportage over de therapie uiterlijk 30 oktober 2026. Daarna zal de zaak worden voortgezet met een nieuwe mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het alleenstaand gezag van de moeder en houdt de beslissing over omgang aan in afwachting van de therapie van de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.395
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594739)
beschikking van 30 april 2026
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P. de Haan,
en
[verweerster] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.E. Oud.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
[naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, mondeling uitgesproken op 17 juli 2025 en op schrift gesteld op 28 juli 2025, uitgesproken onder het zaaknummer 594739 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 oktober 2025;- het verweerschrift met een productie(s);
- een journaalbericht namens de vader van 9 maart 2026 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 10 maart 2026 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat (via beeldbellen);
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad.
3.2
Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. Tot aan de bestreden beschikking hadden de ouders samen het gezag over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, de moeder alleen belast met het gezag over [de minderjarige] en het verzoek van de vader een zorgregeling vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De vader wil dat het hof de beslissing van de rechtbank de moeder alleen met het gezag te belasten ongedaan maakt en een zorgregeling vaststelt, inhoudende dat [de minderjarige] bij hem verblijft gedurende een periode van (gemiddeld) twee tot drie dagen per week en ook de helft van de vakanties en de helft van alle feestdagen.
4.3
De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof die beslissing in stand laat.

5.De motivering van de beslissing

het gezag
5.1
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang [de minderjarige] noodzakelijk is, maar dan op grond van artikel 1:235n BW in plaats van – zoals de rechtbank oordeelde – artikel 1:251a BW. Het hof kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot de beslissing om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten en neemt deze, na eigen onderzoek, over. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.
5.3
Naar het oordeel van het hof zijn in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is minimaal nodig dat de ouders in staat zijn tot overleg over belangrijke beslissingen die over [de minderjarige] moeten worden genomen, of ten minste tot het maken van afspraken over situaties die zich rond [de minderjarige] kunnen voordoen. De onderlinge verhouding en communicatie tussen de ouders zijn te veel verstoord en er is geen enkele basis voor gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders. Het is gezien alles wat tussen deze ouders heeft gespeeld, waaronder de strafrechtelijk veroordeling van de vader voor stalking van de moeder, niet te verwachten dat daarin binnen afzienbare tijd verbetering komt. De moeder is de hoofdopvoeder van [de minderjarige] en het is in zijn belang dat de moeder snel en zonder vertraging gezagsbeslissingen over hem kan nemen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen ten aanzien van de beslissing over het gezag. Dit is ook in overeenstemming met het advies dat de raad op de zitting bij het hof heeft gegeven.
de omgangsregeling
5.4
In artikel 1:377a van het BW is bepaald:
1. Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.5
De vader zegt te begrijpen dat er in het verleden veel dingen niet goed zijn gegaan, maar daarvoor heeft hij zijn straf van de politierechter gekregen. Verder werkt hij aan zichzelf. Hij is eind februari 2026 gestart met Dialectische Gedragstherapie bij [naam2] . De vader stelt dat hij er alles aan wil doen om toe te werken naar contactherstel met [de minderjarige] .
5.6
Het hof acht zich op grond van de nu beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht over de vraag of, en zo ja, welke omgangsregeling met de vader in het belang van [de minderjarige] is. Uit de stukken blijkt dat de vader sinds 23 september 2025 in behandeling is bij [naam2] . In het begin was de vader wisselend aanwezig bij de afspraken, maar inmiddels komt hij deze afspraken goed na. De vader lijkt te proberen zijn leven op orde te krijgen, maar daarvoor moeten nog wel de nodige stappen door de vader worden gezet. Het hof ziet bij de vader vooral onmacht om tot gedragsverandering te komen. Om te werken aan zijn emotieregulatie-problematiek is de vader sinds kort gestart met Dialectische Gedragstherapie. Verder las het hof in het behandelcontract dat de vader ook als persoonlijk doel heeft om niet meer te blowen, maar dat doet hij nog wel. Alvorens een beslissing te geven wil het hof de vader de kans geven de komende maanden te laten zien dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt en zich inzet om de therapie met succes te volbrengen. Het hof zal in afwachting van het verloop van de Dialectische Gedragstherapie de behandeling van de zaak ten aanzien van de omgang voor zes maanden aanhouden. Het hof verzoekt de advocaat van de vader (met afschrift aan de advocaat van de moeder en de raad) schriftelijk, zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, te informeren over het verloop van de Dialectische Gedragstherapie van de vader. Het hof zal geen voorlopige omgangsregeling vastleggen. Op dit moment is nog niet duidelijk of een (begeleide) omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] is, want daarvoor is eerst meer zicht nodig op de vorderingen die de vader maakt in zijn proces om tot gedragsverandering te komen. Na ontvangst van genoemde informatie zal het hof de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum en tijdstip voortzetten, waarvoor alle belanghebbenden zullen worden uitgenodigd.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2025 ten aanzien van de beslissing over het gezag;
en, alvorens verder te beslissen:
verzoekt de advocaat van de vader om het hof (met afschrift aan de advocaat van de moeder en de raad) uiterlijk 30 oktober 2026 schriftelijk, zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, te informeren over het verloop van de Dialectische Gedragstherapie van de vader;
het hof zal na ontvangst van genoemde informatie de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum en tijdstip voortzetten, waarvoor alle belanghebbenden zullen worden uitgenodigd;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, H. Phaff en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.