Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2681

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.361.330/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377e lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding omgangsregeling in belang van minderjarige tijdens traumabehandeling

De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een moeder en haar minderjarige kind, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) als voogd is aangesteld. De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld waarbij de omgang beperkt was tot minimaal één keer per drie weken onder begeleiding. De moeder is het hier niet mee eens en is in hoger beroep gegaan om een frequentere omgang te verkrijgen.

Tijdens de procedure is gebleken dat de minderjarige sinds 2021 bij pleegouders woont en binnenkort een traumabehandeling zal starten. De GI stelt dat het in het belang van het kind is om de omgang te beperken om rust en stabiliteit te waarborgen, terwijl de moeder betoogt dat de beperking niet goed is onderbouwd en dat het kind juist baat heeft bij meer contact.

Het hof constateert dat de meest recente rapportages ontbreken en dat er onvoldoende informatie is om een weloverwogen beslissing te nemen. Daarom wordt de zaak aangehouden tot 30 oktober 2026, waarbij de GI wordt verzocht om een onderbouwd rapport over de actuele situatie en het verloop van de traumabehandeling. De huidige omgangsregeling blijft voorlopig van kracht om de rust voor het kind te waarborgen.

Het hof benadrukt tevens dat de moeder zich moet inzetten voor een goede samenwerking met de GI in het belang van het kind. Na ontvangst van de rapportage zal de mondelinge behandeling worden voortgezet.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden tot 30 oktober 2026 voor aanvullende rapportage en voortzetting van de mondelinge behandeling, waarbij de huidige omgangsregeling voorlopig blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.330
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 595834)
beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.L. Witteveen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI),
gevestigd te Utrecht.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 augustus 2025, uitgesproken onder zaaknummer 595834 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 november 2025;
- het standpuntstuk van de GI (verweerschrift).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- de pleegmoeder.
3. De feiten
3.1
[de minderjarige] is geboren [in] 2020 tijdens een relatie van de moeder met [naam1] (de vader). De vader heeft [de minderjarige] erkend, maar heeft al een aantal jaren geen contact meer met [de minderjarige] .
3.2
[de minderjarige] woont sinds maart 2021 bij de pleegouders.
3.3
Bij beschikking van 8 februari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een omgangsregeling vastgesteld waarbij de moeder en [de minderjarige] wekelijks onder regie van de GI begeleide omgang hebben gedurende twee uur per week. Deze omgangsregeling is in afstemming met de voogd en de moeder gewijzigd naar één keer in de twee weken onder begeleiding van [naam2] .
3.4
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 september 2024 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Bij beschikking van 18 februari 2025 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - met wijziging van de beschikking van 8 februari 2023 - als omgangsregeling vastgesteld dat [de minderjarige] minimaal één keer in de drie weken begeleide omgang heeft met de moeder, waarbij de voogd de regie heeft over de organisatie van de omgang.
4.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:
Primair
I. te bepalen dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen;
II. te bepalen dat de beschikking van 8 februari 2023 wordt gewijzigd, in die zin dat moeder recht heeft op minimaal één keer in de twee weken, twee uur, begeleide omgang met [de minderjarige] ;
Subsidiair
III. een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht.
4.3
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouder, ook als deze niet (meer) het gezag heeft. [1] De rechter kan een omgangsregeling wijzigen als er een wijziging van omstandigheden is. [2] Deze uitgangspunten gelden ook als de GI de voogdij over het kind heeft. [3]
5.2
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het beperken van de omgangsregeling [de minderjarige] meer rust zal geven. Volgens de moeder is door de beperking van de omgang het afscheid na de omgang voor [de minderjarige] moeilijker geworden en stelt [de minderjarige] vragen aan haar waaruit blijkt dat [de minderjarige] onzeker is over de omgang, bijvoorbeeld of de moeder wel blij was met haar geboorte. Verder blijkt uit de rapportage van de GI dat [de minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt ondanks het gedrag dat zij laat zien. De moeder wil de zorgen en het feit dat [de minderjarige] hersteltijd nodig heeft na de omgang niet bagatelliseren. Alleen wil dit niet zeggen dat dit komt omdat de omgang te frequent plaatsvindt en dat het gedrag van [de minderjarige] verbetert wanneer de frequentie wordt beperkt. Dit is volgens de moeder op geen enkele wijze onderbouwd dan wel onderzocht. Toen sprake was van één keer per week omgang was de hersteltijd korter dan nu het geval is, aldus de moeder.
5.3
De GI stelt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de omgangsregeling eens per twee weken te laten plaatsvinden. Het gedrag van [de minderjarige] lijkt nu na de omgang minder heftig te zijn en zij heeft geen week hersteltijd meer nodig. Op deze manier heeft [de minderjarige] meer tijd om tot ontwikkeling te komen. Bovendien gaat [de minderjarige] starten met EMDR-therapie en daarvoor is rust en stabiliteit nodig. De hoop is dat [de minderjarige] minder last van de omgangsregeling krijgt door de therapie en als dat het geval is denkt de GI op dit moment dat de omgangsregeling eerder in duur kan worden uitgebreid dan in frequentie. Er is nu een minimale regeling vastgesteld en tijdens de evaluaties zal moeten worden bekeken of een uitbreiding mogelijk is. Daarvoor is het wel nodig dat de moeder bij de evaluaties aanwezig is. De moeder wil op dit moment niet in gesprek met de GI en ook reageert zij niet op e-mails.
5.4
De raad heeft op de zitting gezegd dat op dit moment de beslissing van de rechtbank om de omgang terug te brengen van eens per twee weken naar eens per drie weken de juiste beslissing is. [de minderjarige] laat zorgelijk gedrag zien na de omgang en komt daardoor tot stilstand in haar ontwikkeling. Onderzocht moeten worden wat de oorzaak van dit gedrag van [de minderjarige] is. Voor nu heeft [de minderjarige] rust nodig om haar traumabehandeling aan te gaan. Afhankelijk van het verloop van deze traumabehandeling kan worden bekeken of een opbouw naar eens per twee weken omgang met de moeder mogelijk is.
5.5
Het hof overweegt het volgende. Op grond van de stukken die in het dossier zitten en wat op de zitting is besproken, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] . Tijdens de zitting heeft het hof met partijen besproken welke stukken in het dossier zitten en werd geconstateerd dat bijvoorbeeld de meest recente rapportage van de GI mist, want in het dossier zit een rapportage van 28 oktober 2024. Deze rapportage is inmiddels bijna anderhalf jaar oud. Het is aan de GI haar stelling dat het in belang van [de minderjarige] is dat de omgang met de moeder wordt beperkt, te onderbouwen met actuele schriftelijke informatie (niet alleen van de GI). Daartoe behoren onder meer recente verslagen over de begeleide omgang en alle verdere relevante stukken die de stelling van de GI kunnen onderbouwen.
Bovendien wil het hof inzicht in het verloop van de traumabehandeling die [de minderjarige] op korte termijn gaat starten en welke mogelijkheden [de minderjarige] na deze behandeling heeft in het contact met de moeder. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak voor zes maanden aanhouden (tot en met 30 oktober 2026) en de GI verzoeken om het hof (met afschrift aan de overige belanghebbenden en de raad) schriftelijk, zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, te informeren over de actuele situatie van [de minderjarige] (waaronder het verloop van de traumabehandeling) en of in die situatie uitbreiding van de omgang met de moeder in het belang van [de minderjarige] is. Tijdens dit half jaar is het belangrijk dat er rust en stabiliteit is voor [de minderjarige] , zodat het hof de huidige omgangsregeling voorlopig in stand laat. Na ontvangst van genoemde informatie zal het hof de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum en tijdstip voortzetten, waarvoor alle belanghebbenden zullen worden uitgenodigd. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
5.6
Tot slot merkt het hof op dat het wel op de weg van de moeder ligt zich in het belang van [de minderjarige] in te zetten voor een goede samenwerking met de GI en dat zij niet het contact met de GI afhoudt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de GI om het hof (met afschrift aan de overige belanghebbenden en de raad) uiterlijk 30 oktober 2026 schriftelijk, zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, te informeren over de actuele situatie van [de minderjarige] (waaronder het verloop van de traumabehandeling) en of in die situatie uitbreiding van de omgang met de moeder in het belang van [de minderjarige] is;
het hof zal na ontvangst van genoemde informatie de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum en tijdstip voortzetten, waarvoor alle belanghebbenden zullen worden uitgenodigd;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:377e lid 1 BW
3.HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943