Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2683

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.363.320/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgangsregeling en oplegging dwangsom voor nakoming door moeder

De moeder verzocht het hof om de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen te wijzigen, waarbij zij wilde dat de omgang via een omgangshuis zou plaatsvinden totdat een onderzoek naar een melding over de vader was afgerond. Het hof stelde vast dat het onderzoek door Veilig Thuis was afgerond zonder bewijs van kindermishandeling, waardoor de voorwaarde van de moeder niet langer van toepassing was.

De vader verzocht in incidenteel hoger beroep om de bestaande omgangsregeling te bekrachtigen en een dwangsom op te leggen aan de moeder voor het geval zij de regeling niet naleeft. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat er geen directe communicatie tussen de ouders is en dat alle communicatie via advocaten verloopt, wat het hof zorgelijk achtte.

Het hof oordeelde dat de bezwaren van de moeder onvoldoende waren om de omgangsregeling te wijzigen en dat de moeder zich aan de regeling moet houden. Gezien het feit dat de moeder de regeling eerder stopzette en pas na een kort geding weer nakwam, werd de dwangsom van € 200 per dag of dagdeel opgelegd, met een maximum van € 20.000. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De omgangsregeling wordt bekrachtigd en de moeder krijgt een dwangsom opgelegd voor niet-nakoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.320
(zaaknummer rechtbank Gelderland 449020)
beschikking van 30 april 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: voorheen mr. J.J. van Vliet, nu mr. G.J.P.C.G. Verheijen,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] , [land1] ,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift van de moeder met producties 1 en 2, ingekomen op 5 januari 2026;
- het verweerschrift van de vader tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties
1 tot en met 15.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten met dien verstande dat
mr. Verheijen wegens omstandigheden via een Teamsverbinding heeft deelgenomen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is een vertegenwoordiger verschenen.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie gehad.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2020; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2022,
over wie alleen de moeder het gezag uitoefent. De vader heeft beide kinderen erkend.
3.3
De vader heeft de rechtbank onder meer verzocht ook hem te belasten met het gezag en om een zorg-/omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen.
3.4
In de bestreden beslissing heeft de rechtbank de beslissing over het gezag aangehouden. Wel heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, die vanaf januari 2026 luidt als volgt:
  • de kinderen verblijven een keer per twee weken van vrijdag uit school/na de opvang tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij de vader de kinderen op vrijdag ophaalt van school/de opvang en (iemand uit het netwerk van) de moeder de kinderen op zondag bij de vader haalt;
  • de kinderen verblijven de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil (de invulling van) het recht op omgang van de vader met de kinderen.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen en te bepalen dat er slechts omgang zal zijn via het omgangshuis in [plaats1] , totdat er duidelijkheid is over de uitkomst van het onderzoek naar de melding van [de minderjarige1] over de vader. En daarna, als Veilig Thuis ‘groen licht’ heeft gegeven, te bepalen dat de kinderen een keer per twee weken van vrijdag uit school/na de opvang tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen op vrijdag ophaalt van school/de opvang en hen op zondag bij het politiebureau aan de [adres] in [plaats1] terugbrengt.
4.3
De vader voert verweer is op zijn beurt met één grief in hoger beroep gekomen (incidenteel hoger beroep). Hij verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en aanvullend te bepalen dat de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling zal gelden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200 per dag of dagdeel dat de moeder hieraan haar medewerking niet verleent. Althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
5.2
Niet in geschil is dat de vader recht heeft op omgang met de kinderen, maar wel de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat haar vorige advocaat haar verzoek verkeerd heeft begrepen en dat er geen omgang via het omgangshuis hoeft plaats te vinden. Waar het haar om gaat is dat de omgang in Nederland plaatsvindt. Het hof begrijpt dat de moeder het aan het hof over laat om die wens nader vorm te geven. Haar advocaat heeft er op de zitting aan toegevoegd dat het vooral veilig moet zijn en in het belang van de kinderen.
5.3
De moeder had aanvankelijk ook als voorwaarde gesteld dat er duidelijkheid moest zijn over het onderzoek na een melding van [de minderjarige1] en dat Veilig Thuis groen licht moest geven. Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het onderzoek door Veilig Thuis is afgerond en is besproken en er geen bewijs is van kindermishandeling. Verder heeft Veilig Thuis volgens de advocaat van de vader geadviseerd om de ingezette trajecten te volgen. Het hof maakt hier uit op dat de voorwaarde zoals de moeder die stelde inmiddels niet meer van toepassing is en dat die voorwaarde dus geen belemmering meer kan zijn voor het nakomen van de omgangsregeling.
5.4
Uit het procesdossier en ook tijdens de mondelinge behandeling is voor het hof duidelijk geworden dat er geen rechtstreekse communicatie tussen partijen is. Alle communicatie verloopt via de advocaten. Zo doen de advocaten zelfs voorstellen voor de verdeling van de vakanties, waar partijen dan mee akkoord gaan. De vader heeft wel contact met de school van de kinderen en die informeren hem ook. In noodgevallen communiceert de vader via de vader van de moeder (opa moederszijde). Met de raad is het hof van oordeel dat dit een zorgelijke situatie is. Zoals de raad ook heeft verklaard ter zitting, gaat het hier om nog jonge kinderen en de ouders zullen daarom een manier moeten vinden om op een normale en volwassen manier met elkaar te communiceren in het belang van hun kinderen. Naar de manier waarop dat in de toekomst vorm moet krijgen wil de raad nog onderzoeken. Voor nu heeft de raad geadviseerd dat het noodzakelijk is dat er een duidelijke regeling is voor partijen waar ze zich aan (moeten) houden.
5.5
Een dergelijke regeling is er, namelijk zoals deze is vastgelegd in de bestreden beschikking. Partijen houden zich daar ook aan, hoewel er wel een kort-geding voor nodig is geweest om de moeder de regeling te laten nakomen. De bezwaren die de moeder tegen de huidige regeling naar voren heeft gebracht zijn voor het hof van onvoldoende gewicht om de regeling nu anders in te vullen, nog daargelaten dat de moeder ook niet heeft gesteld hoe die nieuwe regeling er volgens haar dan concreet uit zou moeten zien. Het hof drukt partijen op het hart om de ingezette individuele trajecten te blijven volgen, in het belang van hun kinderen.
5.6
In zijn incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de in de bestreden beschikking vastgesteld omgangsregeling te bekrachtigen en daar aan toe te voegen dat de moeder een dwangsom van € 200 per dag of dagdeel verbeurt dat zij haar medewerking aan de omgangsregeling niet verleent. De moeder heeft tegen dat verzoek geen verweer gevoerd.
5.7
Het hof zal het verzoek van de vader toewijzen, nu de moeder de door haar stopgezette omgangsregeling pas weer is nagekomen nadat zij daartoe door de voorzieningenrechter is veroordeeld. Het opleggen van een dwangsom zal voor de moeder een prikkel moeten zijn om de door de rechtbank vastgelegde omgangsregeling te blijven nakomen. Het hof zal wel een maximum bepalen waarboven geen dwangsommen meer verbeurd worden.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief van de moeder en slaagt die van de vader. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en deze aanvullen met een dwangsom zoals hierna vermeld.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2025;
7.2
bepaalt aanvullend dat de moeder een dwangsom van € 200 per dag of dagdeel verbeurt dat zij haar medewerking aan de omgangsregeling niet verleent, tot een maximum van € 20.000 is bereikt;
7.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S. Kuijpers en
C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 30 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.