Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2709

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
21-005918-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens hennepteelt met matiging wegens termijnoverschrijding

In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019, waarin hij medepleegde aan het telen en verwerken van hennep.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €127.254,70, gebaseerd op een gedetailleerde berekening van het aantal oogsten, het aantal planten, de opbrengst per plant en de marktwaarde van de hennep. Hierbij is rekening gehouden met verklaringen van medeverdachten, metingen van de netbeheerder en het ontnemingsrapport van 4 maart 2020. De totale opbrengst minus de kosten resulteert in het genoemde bedrag.

Daarnaast heeft het hof de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op €122.254,70, waarbij een korting van €5.000,00 is toegepast vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak in beide instanties. De raadsvrouw had primair niet-ontvankelijkheid gevorderd en subsidiair matiging van de vordering, maar het hof heeft de vordering grotendeels gehonoreerd met de genoemde matiging.

Het arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. M.B. de Wit en mr. J.A.M. Kwakman en uitgesproken op 30 april 2026. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht met de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting, alsmede de bepaling van de maximale duur van gijzeling op 1095 dagen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €127.254,70 en legt een betalingsverplichting aan de Staat op van €122.254,70 na matiging wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005918-23
Uitspraakdatum: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 november 2023 met parketnummer 08-770001-21 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 193.691,69, en oplegging aan betrokkene van een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag € 174.322,52. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. M.G.J. Plat, hebben aangevoerd.

De beslissing

De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 193.691.69 en heeft betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

De ontnemingsvordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 959.154,90. Op de zitting in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie mondeling een derde van dat bedrag, te weten € 319.718,30, gevorderd. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 193.691,69 en dat aan betrokkene, in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 174.322,52.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de vordering te matigen. Indien wordt uitgegaan van een betrokkenheid van betrokkene in de periode van 1 november 2018 tot en met 10 december 2019 kunnen er namelijk maximaal 4 oogsten hebben plaatsgevonden, uitgaande van een kweekperiode van 10 weken en een rustperiode van 4 weken. Indien wordt aangenomen dat betrokkene sinds 1 mei 2018 betrokken is geweest, kunnen in de periode van 1 mei 2018 tot en met 10 december 2019 maximaal 6 oogsten hebben plaatsgevonden. En zelfs daarvan is niet aannemelijk dat dit geslaagde oogsten zijn geweest. Echter, nu medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) een bedrag van € 45.000,00 heeft moeten betalen, zou voor betrokkene volgens de verdediging niets anders moeten gelden.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 30 april 2026 ten aanzien van het medeplegen van het telkens telen en verwerken van hennep in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019 veroordeeld tot een straf.
Het hof neemt als grondslag voor de ontnemingszaak hetgeen bewezen is verklaard in het hiervoor genoemde arrest van het hof. Het hof acht het aannemelijk dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten, door het telkens telen en verwerken van hennep gedurende een langere periode.
Op grond van wettige bewijsmiddelen zoals opgenomen in het arrest in de strafzaak en in deze beslissing schat het hof het voordeel op een bedrag van
€ 127.254,70. Als grondslag voor deze schatting neemt het hof het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 4 maart 2020 (hierna: ontnemingsrapport). [1] Het hof komt als volgt tot deze schatting.
Periode
Volgens netbeheerder Enexis is er op 17 april 2018 een zogeheten power down/power up geweest op het perceel [adres 2] te [plaats] , terwijl er in die periode geen geregistreerde stroomstoring is geweest. Dit houdt in dat de stroomtoevoer naar het pand bewust enige tijd is stil gelegd en dit wordt vaak gedaan bij het installeren van een illegale stroominstallatie. [2] Het hof volgt de berekening van de politie en stelt, ten gunste van betrokkene, vast dat de eerste kweekcyclus in kweekruimte 1 is gestart op 1 mei 2018.
Wat betreft de aanvangsdatum van kweekruimte 2 gaat het hof uit van de ter zitting van het hof in het dossier gevoegde schriftelijke verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) waarin hij aangeeft dat het opbouwen van de kweekruimte op de bovenverdieping eind 2018, begin 2019 klaar was en dat ze vanaf toen 1.250 planten kwijt konden. [3] Hoewel de fraude-inspecteur van Enexis heeft verklaard dat de positieve netmeting in september 2019 van 20 ampère naar 100 ampère is gegroeid, betekent dit niet dat kweekruimte 2 pas toen in werking is getreden. De netmeting heeft slechts betrekking op één maand en staat aan het hebben plaatsgevonden van een eventuele eerdere dubbele kweek niet in de weg.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat kweekruimte 1 in werking is geweest vanaf 1 mei 2018 en dat kweekruimte 2 in werking is geweest vanaf 7 januari 2019. Deze kwekerijen waren nog in werking tot na de bewezenverklaarde periode waarin betrokkene actief betrokken was bij de hennepplantage. Het hof gaat er evenwel niet vanuit dat verdachte na de bij hem bewezenverklaarde periode enig voordeel heeft genoten.
Aantal oogsten, aantal planten en opbrengst
Conform het ontnemingsrapport gaat het hof uit van een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken per oogst. [4] Het hof zal hier in het voordeel van betrokkene een rustpauze van twee weken na iedere oogst bij optellen, vanwege het opruimen en het opnieuw inrichten van de kwekerij.
Uit het dossier blijkt dat een van de oogsten verloren is gegaan vanwege een aannemelijk geachte waterschade [5] en dat er vóór kerst 2019 een oogst is geript. [6] Het hof gaat er in het voordeel van betrokkene vanuit dat de geripte oogst een voltooide oogst was en dat die oogst op 23 december 2019 heeft plaatsgevonden. Teruggerekend vanaf de rip van de voltooide oogst vlak voor de kerst in 2019, en rekening houdende met de ‘rustperiode’ tussen twee kweken, betekent dit dat de laatste succesvolle oogst heeft plaatsgevonden rond 1 oktober 2019. Omdat uit de metingen van Enexis niet is af te leiden dat er vanaf de opbouw van de tweede kweekruimte continu dubbel is gekweekt en de verdediging dit betwist, gaat het hof er in het voordeel van betrokkene vanuit dat sprake is geweest van één succesvolle dubbele oogst. Dat er minstens één dubbele kweek is geoogst, kan worden afgeleid uit de verklaring van [medeverdachte 1] , waarin hij spreekt over een grote hoeveelheid planten (1.300) en de verklaring van [medeverdachte 2] waaruit volgt dat ze vanaf eind 2018, begin 2019, al 1.250 planten kwijt konden.
De periode van 1 mei 2018 tot en met 1 oktober 2019 beslaat 74 weken en dat komt neer op in totaal zes oogsten. Zoals hiervoor aangegeven betreft één daarvan een geslaagde dubbele oogst (in twee ruimtes). Nu één enkele oogst (van één ruimte) verloren is gegaan wegens waterschade, gaat het hof uit van vier geslaagde enkele oogsten en één geslaagde dubbele oogst.
De beide kweekruimtes hebben bij elkaar opgeteld een oppervlakte van 86 vierkante meter. Volgens het rapport ‘Afpakken’ staan er gemiddeld 15 planten op een vierkante meter. Dit zou betekenen dat er 1.290 planten aanwezig waren. [medeverdachte 1] heeft verklaard over een grotere hoeveelheid planten, namelijk iets meer dan 1.300. [7] Bij de doorzoeking werden 1.278 potten aangetroffen. [8] [medeverdachte 2] heeft concreet verklaard dat er ruimte was voor 1.250 planten. [9] De ene kweekruimte is iets groter dan de andere kweekruimte, maar omdat niet te achterhalen is welke kweekruimte als eerste in werking is getreden, gaat het hof in het voordeel van betrokkene uit van aanvankelijk 600 planten in de kweekruimte die als eerste in werking is getreden. Het hof gaat, uitgaande van de verklaring van [medeverdachte 2] , uit van een dubbele oogst van 1.250 planten. Het hof gaat er (dus) vanuit dat er in de tweede kweekruimte 650 planten zijn geoogst. In totaal zijn er dus 5 x 600 en 1x 650 = 3.650 planten (geslaagd) geoogst.
Het hof neemt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt de berekening van het openbaar ministerie, waarbij overeenkomstig de door het Functioneel Parket Afpakken gehanteerde normen in kweekruimte 1 en kweekruimte 2 is uitgegaan van een opbrengst van 28,2 gram hennep per plant met een gemiddelde opbrengst van € 4.070,00 per kilogram. Anders dan de verdediging ziet het hof in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, geen aanleiding om aan te nemen dat betrokkene per kilogram minder verdiend zou hebben dan het standaardbedrag van € 4.070,00 per kilogram. Nu, anders dan een enkele opmerking van [medeverdachte 1] dat hij van medeverdachte [medeverdachte 2] had gehoord dat de opbrengt € 3.000,00 per kilo zou zijn, verder nergens uit blijkt dat de hennep (steeds) werd verkocht voor € 3.000,00, zal het hof vasthouden aan het standaardbedrag.
Kosten
De totale kosten, gebaseerd op 5 oogsten in kweekruimte 1 en 1 oogst in kweekruimte 2, met in totaal 3.650 planten zijn als volgt opgebouwd:
Investeringen
€ 16.000,00
Afschrijvingskosten
€ 2.400,00
Stekken á € 3,81
€ 13.906,50
Variabele kosten (€ 1,12 per plant)
€ 4.088,00
Personeelskosten (€ 0,21 per plant)
€ 766,50
Totale kosten
€ 37.161,00
Anders dan de verdediging, ziet het hof geen aanleiding om € 100.00,00 aan investeringskosten aan te nemen. Dat dit bedrag is geïnvesteerd in elektriciteit, nieuwe lampen en airco’s voor de kwekerij, zoals door de verdediging is betoogd, blijkt onvoldoende uit het dossier en is niet nader onderbouwd door de verdediging.
Conclusie
Kweekruimte 1
Bruto-opbrengst: 600 planten x 5 oogsten (= 3.000 planten) x 28,2 gram (= 84,6 kilogram) x € 4.070
€ 344.322,00
Kweekruimte 2
Bruto-opbrengst: 650 x 1 oogst (= 650 planten) x 28,2 gram (= 18,33 kilogram) x € 4.070,00
€ 74.603,10
Totale opbrengst
€ 418.925,10
Totale kosten
€ 37.161,00
Wederrechtelijk verkregen voordeel:
€ 381.764,10
Verdeling
Gelet op het beeld dat naar voren is gekomen waarbij betrokkene met twee anderen, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , heeft samengewerkt, en op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris op 20 juni 2022 dat de verdiensten door drieën gedeeld werden [10] , zal het hof het berekende voordeel van € 381.764,10 delen door drie, wat neerkomt op € 127.254,70 per persoon. Dat medeverdachte [medeverdachte 1] een transactie opgelegd heeft gekregen van € 45.000,00 maakt niet dat het hof tot een andere conclusie komt ten aanzien van betrokkene. Het hof houdt vast aan de laatste verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris.
Het hof stelt het door betrokkene ontvangen wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 127.254,70.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat daarom 20 % korting moet worden toegepast op het opgelegde ontnemingsbedrag.
Blijkens het dossier is de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag aan betrokkene afgegeven op 25 juni 2020. Het vonnis is van 7 november 2023. Dit is drie jaar en vier en een halve maand later. Betrokkene is op 13 november 2023 in hoger beroep gekomen. De beslissing van het hof is genomen op 30 april 2026. Dit is twee jaar en ruim vijf en een halve maand later. Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden.
Het uitgangspunt is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag. De vermindering van het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate van overschrijding. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak in beide instanties, ziet het hof aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel met 10% te matigen, waarbij het hof als uitgangspunt een maximale vermindering van € 5.000,00 hanteert. Het hof zal dit bedrag daarom in mindering brengen op het te betalen ontnemingsbedrag.
Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op (€ 127.254,70 - € 5.000,00 =)
€ 122.254,70.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 127.254,70 (honderdzevenentwintigduizend tweehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 122.254,70 (honderdtweeëntwintigduizend tweehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. M.B. de Wit en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 april 2026.

Voetnoten

1.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 4 maart 2020, pagina 499 tot en met 507 van het dossier.
2.Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 4 maart 2020, pagina 432.
3.Een geschrift, te weten een verklaring van [medeverdachte 2] van 14 september 2022, pagina 3.
4.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 4 maart 2020, pagina 502 van het dossier.
5.Een geschrift, te weten een verklaring van [medeverdachte 2] van 14 september 2022 en een proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2020, pagina 349.
6.Proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2020, pagina 366.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 1 juli 2020, pagina 853.
8.Proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2020, pagina 367.
9.Een geschrift, te weten een verklaring van [medeverdachte 2] van 14 september 2022, pagina 3.
10.Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 20 juni 2022, pagina 3.