ECLI:NL:GHARL:2026:2713

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
24/1963
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 AwbArt. 6:10 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:73 AwbArt. 25a AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar en afwijzing verzoek ambtshalve vermindering box 3-heffing 2016

Belanghebbende maakte met een brief van 24 februari 2016 bezwaar tegen de box 3-heffing over meerdere jaren, waaronder 2016, terwijl de aanslag over 2016 nog niet was opgelegd. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen 2016 niet-ontvankelijk wegens te late indiening en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat hij principieel bezwaar had gemaakt en dat hij erop mocht vertrouwen niet jaarlijks bezwaar te hoeven maken. Het Hof oordeelde dat het bezwaar tegen 2016 prematuur was en dat het latere bezwaar van 26 december 2021 te laat was ingediend. De Inspecteur handelde terecht door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek om ambtshalve vermindering af te wijzen.

Verder stelde belanghebbende dat de box 3-heffing een individuele en buitensporige last vormde. Het Hof stelde vast dat het forfaitaire rendement hoger was dan het werkelijke rendement, maar dat belanghebbende voldoende inkomen had om de belasting te voldoen, zodat geen sprake was van een buitensporige last.

Het Hof wees ook de stellingen over schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid af, en wees het verzoek om materiële schadevergoeding af. Wel kende het Hof een vergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde het griffierecht en proceskosten voor het hoger beroep.

De uitspraak bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en sluit het geschil over de aanslag IB/PVV 2016 af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 is niet-ontvankelijk, met toekenning van een vergoeding voor overschrijding redelijke termijn en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1963
uitspraakdatum: 29 april 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats] (Duitsland)(hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 7 oktober 2024, nummer AWB 23/2542, in het geding tussen belanghebbende en
de
Inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.372 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.611.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het door belanghebbende gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft het bezwaar daarnaast aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek in hetzelfde geschrift afgewezen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar en – door middel van rechtstreeks beroep - tegen de afwijzende beschikking in beroep gekomen bij de Rechtbank. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft het verzoek van de Inspecteur tot beperkte kennisneming toegewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Belanghebbende en zijn vader zijn verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] en mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft de Inspecteur op 24 februari 2016 een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
“Hierbij maak ik – ter behoud van rechten – bezwaar tegen alle aan mij opgelegde en nog op te leggen aanslagen inkomstenbelasting premie /volksverzekeringen – waaronder onder meer (doch niet uitsluitend) begrepen de aanslagen voor de jaren 2010-2015 – indien en voor zover daarin aan mij de zogenoemde “box 3-heffing” (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, hoofdstuk 5, Wet inkomstenbelasting 2001) wordt opgelegd althans indien en voor zover daarin aan mij een te hoge box 3-heffing is/wordt opgelegd
(…)
Proefproces(sen)
Ik heb er geen bezwaar tegen als (de behandeling van) dit bezwaarschrift wordt aangehouden tot er een onherroepelijk vaststaande uitspraak (van de Hoge Raad der Nederlanden) is inzake (een) lopende (proef)procedure(s). Hetgeen in dergelijke procedures wordt aangevoerd tegen de box 3-heffing dient hier als ingelast te worden beschouwd.”
2.2.
De Inspecteur heeft met datum 15 maart 2016 in zes brieven, namelijk voor elk van de jaren 2010 tot en met 2015 één brief, gereageerd op de in 2.1 genoemde brief. In zowel zijn brief over het jaar 2014 als die over het jaar 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende geschreven dat hij de brief van 24 februari 2016 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2014 respectievelijk 2015 en hem vervolgens het volgende medegedeeld:
“Een bezwaarschrift tegen een voorlopige aanslag is niet meer mogelijk vanaf het belastingjaar 2010. Uw bezwaarschrift wordt aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5 Wet IB 2001. Dit verzoek wijs ik af, omdat de Belastingdienst van mening is dat de vermogensrendementsheffing, en dus ook de heffing op spaargeld, niet in strijd is met artikel 1 van Pro het eerste Protocol van het EVRM.
U kunt tegen deze beslissing bezwaar maken. Onder aan deze brief leest u hoe u dat doet. Bezwaar maken is echter niet nodig. De Belastingdienst bereidt samen met de bond voor belastingbetalers en financiële dienstverleners over dit geschil op dit moment proefprocedures voor, via de regeling van massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de AWR. U kunt dit nalezen in het besluit van de Staatssecretaris van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M (zie: Staatscourant 30 juni 2015, nr. 18400). Dit betekent onder meer dat als de Belastingdienst in hoogste nationale instantie (de Hoge Raad) niet geheel in het gelijk wordt gesteld, ook de aanslagen worden herzien die op 26 juni 2015 nog niet onherroepelijk vaststonden. Dit geldt ook voor uw aanslag.”
2.3.
In het in 2.2 genoemde besluit van de Staatssecretaris van 26 juni 2015 staat onder meer:
“In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.
(…)
Deze bezwaarschriften hebben alle betrekking op dezelfde rechtsvraag. Deze rechtsvraag luidt als volgt:
Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?
Het gaat hierbij alleen om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol.
(…)
Indienen van bezwaar niet meer nodig
De toepassing van de regeling van artikel 25a van de AWR betekent onder meer dat als de Belastingdienst niet geheel in hoogste nationale instantie in het gelijk wordt gesteld, ook de aanslagen worden herzien van de belastingplichtige die geen bezwaarschrift heeft ingediend. Voorwaarde daarvoor is dat zijn aanslag op het moment van de dagtekening van het besluit nog niet onherroepelijk vaststaat (artikel 25a, dertiende lid, van de AWR).
Belastingplichtigen die uitsluitend bovenvermelde rechtsvraag aan de orde willen stellen hoeven derhalve geen bezwaar meer te maken.
Als een bezwaarschrift (mede) ziet op een of meer andere geschilpunten, moet de inspecteur het bezwaar op het punt van de rechtsvraag afwijzen. Ook in dit geval wordt de aanslag echter herzien op het punt van de rechtsvraag als de Belastingdienst niet geheel in het gelijk wordt gesteld.”
2.4.
Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan. Volgens die aangifte bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) € 75.372 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 10.611. Het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari 2016 bestaat uitsluitend uit bank- en spaartegoeden van in totaal € 289.736.
2.5.
De Inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2018 de aanslag IB/PVV 2016 opgelegd overeenkomstig de aangifte.
2.6.
In zijn arresten van 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad ten aanzien van het box 3-stelsel geoordeeld dat voor de jaren 2013 en 2014 geen sprake is van een rechtstekort waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien en dat voor ingrijpen van de rechter in beginsel geen plaats is, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP Pro wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. [1] In zijn arrest van 2 juli 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit ook geldt voor het belastingjaar 2016. [2]
2.7.
De Inspecteur heeft op 31 december 2021 van belanghebbende een brief ontvangen met dagtekening 26 december 2021 waarin het volgende staat:

Kopie van brief inzake bezwaarschrift 2016 i.v.m. heffing box 3
Geachte heer, mevrouw,
Op 24 februari 2016 zond ik een bezwaar tegen
alleaan mij opgelegde en nog op te leggen aanslagen inkomstenbelasting premie /volksverzekeringen , waaronder onder meer (doch niet uitsluitend) begrepen de aanslagen voor de jaren 2010-2015 – inzake de zogenoemde “box 3-heffing”.
Ik ontving van de Belastingdienst een brief hierover. Die brief kan ik echter niet vinden.
Wilt u mij een kopie zenden van de brief hierover van de Belastingdienst die ik ontving na 24 februari 2016.”
2.8.
De Inspecteur heeft belanghebbende een kopie gestuurd van de brief van 15 maart 2016 over het jaar 2015 (zie 2.2).
2.9.
Op 2 februari 2022 heeft belanghebbende het volgende aan de Inspecteur geschreven:
“Op of omstreeks 29 februari 2016 maakte ik - ter behoud van rechten - bezwaar tegen alle aan mij opgelegde en nog op te leggen aanslagen inkomstenbelasting premie /volksverzekeringen - waaronder onder meer (doch niet uitsluitend) begrepen de aanslagen voor de jaren 2010-2015 - indien en voor zover daarin aan mij de zogenoemde "box 3-heffing” (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, hoofdstuk 5, Wet inkomstenbelasting 2001) wordt opgelegd althans indien en voor zover daarin aan mij een te hoge box 3-heffing is/wordt opgelegd. Alle (proef-)procedures tegen de box 3- heffing dienen - zoals ik heb geschreven - als ingelast te worden beschouwd. Ik lift mee op de procedures die de Belastingdienst heeft gevoerd samen met de Bond voor belastingbetalers en financiële dienstverleners.
In uw brief van 15 maart 2016 (…) schrijft u dat de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen betrekking heeft op het belastingjaar 2015. Dat is niet helemaal volledig. Mijn bezwaren hebben namelijk betrekking op alle bezwaren over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022. De jaren 2010-2015 worden expliciet vermeld in mijn eerdere brief. In mijn eerdere brief wordt verder vermeld dat mijn bezwaren betrekking hebben op “alle nog op te leggen aanslagen inkomstenbelasting – premie/volksverzekeringen met betrekking tot box 3.
Ik verzoek u mij schriftelijk te bevestigen dat ik bezwaren heb ingediend over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022. Derhalve niet alleen op het fiscale jaar 2015.”
De Inspecteur heeft de brief van 2 februari 2022 aangemerkt als een bezwaarschrift tegen, onder meer, de aanslag IB/PVV 2016.
2.10.
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 april 2023 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. Vervolgens heeft de Inspecteur het bezwaar aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen, omdat het niet binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar 2016 is ingediend.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij bevestigende beantwoording is in geschil of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
3.2.
Belanghebbende stelt dat hij met zijn brief van 24 februari 2016 niet alleen bezwaar heeft gemaakt voor alle belastingjaren tot en met 2015, maar ook voor het belastingjaar 2016 en de daarop volgende jaren. De Inspecteur heeft hem nooit duidelijk gemaakt dat hij pas bezwaar kon maken nadat de aanslag IB/PVV 2016 was opgelegd. Volgens belanghebbende was sprake van een principieel bezwaar en is de Rechtbank ten onrechte daaraan voorbijgegaan. Daarnaast mocht hij erop vertrouwen dat hij niet ieder jaar opnieuw bezwaar hoefde te maken, gelet op hetgeen stond vermeld in de brieven van 15 maart 2016 (zie 2.2). Bovendien heeft hij na ontvangst van de aanslag IB/PVV 2016 wel binnen de bezwaartermijn bezwaar gemaakt. Hij stelt ook dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden en ten onrechte niet is ingegaan op zijn stellingen over het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder is hij van mening dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat de Inspecteur onderzoek heeft ingesteld naar zijn huishoudsamenstelling. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de aanslag IB/PVV 2016.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in februari 2016 niet kon menen dat de Inspecteur al een voor bezwaar vatbaar besluit over de definitieve aanslag IB/PVV 2016 had genomen en dat hij daarom te vroeg bezwaar heeft gemaakt. De Inspecteur stelt ook dat belanghebbende aan de passage uit de brieven van 15 maart 2016 voor de jaren 2014 en 2015 (zie 2.2) niet het vertrouwen kon ontlenen dat hij voor latere jaren niet ieder jaar opnieuw bezwaar hoefde te maken. Belanghebbende heeft tegen de aanslag IB/PVV 2016 voor het eerst op 3 februari 2022 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is onverschoonbaar te laat ingediend. Wanneer de brief van 3 februari 2022 wordt aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, geldt vervolgens dat dat verzoek na de vijfjaarstermijn is gedaan. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar
4.1.
Op grond van artikel 6:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
4.2.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij binnen de bezwaartermijn bij de Inspecteur een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2016 met dagtekening 16 maart 2018. De Inspecteur heeft dit betwist. Belanghebbende heeft enkel met deze blote stelling niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2016.
4.3.
Belanghebbende heeft per brief van 24 februari 2016 bij de Inspecteur aangegeven dat hij bezwaar maakt tegen alle nog op te leggen aanslagen IB/PVV waarin rekening wordt gehouden met een te hoge box 3-heffing. Aangezien op dat moment het jaar 2016 nog liep en het inkomen over dat jaar dus nog niet vaststond, kon de aanslag IB/PVV 2016 nog niet opgelegd zijn. Belanghebbende wist dat of behoorde dat redelijkerwijs te weten. Bovendien kon belanghebbende op dat moment ook nog niet weten of, en zo ja, in hoeverre in die aanslag rekening zou worden gehouden met een te hoge box 3-heffing, omdat zijn werkelijke rendement over het jaar 2016 nog niet vaststond. Onder die omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende met zijn voormelde brief niet op goede gronden gebruik kon maken van een rechtsmiddel tegen de toekomstige aanslag IB/PVV 2016, zodat de Inspecteur die brief terecht niet als een (prematuur) bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 in behandeling heeft genomen. Het Hof vindt voor deze opvatting steun in de parlementaire geschiedenis die tot de invoering van artikel 6:10 Awb Pro heeft geleid. [3]
4.4.
Vervolgens beoordeelt het Hof of belanghebbende op een ander moment bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2016. De Inspecteur heeft in dat kader de brief van belanghebbende van 2 februari 2022 (zie 2.6) aangemerkt als een bezwaarschrift. Het Hof is van oordeel dat een eerdere brief van belanghebbende kwalificeert als een bezwaarschrift, namelijk die van 26 december 2021 (zie 2.5). Met die brief verzoekt belanghebbende weliswaar om een kopie van de reactie van de Inspecteur op zijn brief van 24 februari 2016, maar uit de brief 26 december 2021 volgt ook dat belanghebbende het niet eens is met de aanslag IB/PVV 2016 en dat hij in de veronderstelling is dat sprake is van een bezwaarprocedure voor het jaar 2016. Dat volgt uit (1) het onderwerp van die brief, waarin belanghebbende refereert aan een eerder bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2016 in verband met de box 3-heffing en (2) de inhoud van die brief, waarin hij refereert aan zijn brief van 24 februari 2016 waarin hij bezwaar heeft tegen de nog op te leggen aanslagen inzake de box 3-heffing, waaronder dus ook de aanslag IB/PVV 2016.
4.5.
De Inspecteur heeft het bezwaarschrift van 26 december 2021 ontvangen op 31 december 2021. Dat is na afloop van de bezwaartermijn van de aanslag IB/PVV 2016. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. [4] In dat kader heeft belanghebbende gesteld (1) dat hij al in februari 2016 ook voor toekomstige jaren principieel bezwaar heeft gemaakt tegen de box 3-heffing en dat de Inspecteur hem niet heeft geïnformeerd dat dat niet kon en (2) dat hij uit de brief van de Inspecteur van 15 maart 2016 voor het jaar 2015 (zie 2.2) mocht afleiden dat hij voor latere jaren niet afzonderlijk bezwaar hoefde te maken. Ten aanzien van het eerste punt refereert het Hof naar zijn eerdere overweging dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon menen dat de aanslag IB/PVV 2016 in februari 2016 al was opgelegd, zodat bezwaar destijds niet mogelijk was. Daarnaast staat in de aanslag IB/PVV 2016 de volgende rechtsmiddelverwijzing:
“Bent u het niet eens met deze aanslag? Ga naar www.belastingdienst.nl/bezwaarcheck en kijk wat u het beste kunt doen. Maakt u bezwaar, doe dit dan tijdig. Verstuur het online bezwaarformulier of uw gewijzigde aangifte uiterlijk 30 april 2018 met uw DigiD. Kunt u alleen schriftelijk bezwaar maken? Dan moet uw bezwaarschrift op 30 april 2018 binnen zijn bij uw belastingkantoor.”
4.6.
Belanghebbende heeft zich daarna, en ook na de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 en 2 juli 2021 (zie 2.6), niet eerder dan bij de brief van 26 december 2021 gemeld bij de Inspecteur. Wat betreft het tweede punt volgt uit de brief van 15 maart 2016 dat de Inspecteur de brief van 24 februari 2016 mede heeft aangemerkt als verzoeken om vermindering van de voorlopige aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 en dat hij die verzoeken heeft afgewezen. De daarbij gegeven toelichting dat belanghebbende bezwaar kan maken, maar dat dat niet nodig is, heeft betrekking op de beslissing van de Inspecteur over een verzoek om herziening van voorlopige aanslagen voor die jaren en dus niet op aanslagen voor volgende jaren. Bovendien heeft de Inspecteur in die toelichting gewezen op de aanwijzing massaal bezwaar (zie 2.3), waarin uitdrukkelijk is vermeld (i) dat het alleen gaat om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en de persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige daarbij geen rol spelen en (ii) dat belastingplichtigen die uitsluitend deze rechtsvraag aan de orde willen stellen geen bezwaar meer hoeven te maken. Belanghebbende kon op basis van die toelichting dus niet ervan uitgaan dat hij geen afzonderlijk bezwaar hoefde te maken tegen nadien aan hem opgelegde belastingaanslagen. In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest door zich pas bij brief van 26 december 2021 bij de Inspecteur te melden. Belanghebbende heeft dan ook te laat bezwaar gemaakt, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4.7.
Vervolgens had de Inspecteur het bezwaar moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering. [5] Dat verzoek heeft de Inspecteur op 31 december 2021 ontvangen en is dus binnen de vijfjaarstermijn ingediend. [6] Dat betekent dat het Hof toekomt aan een beoordeling van het materiële geschil.
Box 3
4.8.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of belanghebbende in strijd met artikel 1 EP Pro bij het EVRM (het eigendomsrecht) is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de box 3-heffing. Voor de beoordeling van die vraag is niet in geschil dat het werkelijke rendement van belanghebbende in het jaar 2016 € 2.081 bedraagt en dat dit rendement lager is dan het voor dat jaar op basis van de Wet IB 2001 forfaitair berekende rendement.
4.9.
Bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last moet de heffing worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van belanghebbende. [7] Indien de box 3-heffing hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. [8] De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op belanghebbende.
4.10.
Het Hof stelt vast dat de verschuldigde belasting over het forfaitaire rendement € 1.101 meer bedraagt dan het werkelijke rendement. [9] Uit de aangifte IB/PVV 2016 volgt dat belanghebbende over 2016 een belastbaar loon heeft genoten van ruim € 90.000 en dat hij bank- en spaartegoeden heeft van bijna € 290.000. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen zodanig laag is dat hij op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting over box 3 te voldoen. In zijn geval is dus geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en misbruik van bevoegdheid
4.11.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank niet of onvoldoende is gemotiveerd, omdat daarin geen aandacht is besteed aan zijn stelling dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden en dat de Inspecteur misbruik van procesrecht heeft gepleegd vanwege het onderzoek naar zijn huishoudsamenstelling en het daarop volgende geheimhoudingsverzoek.
4.12.
Het Hof is van oordeel dat die stellingen, voor zover die al zouden slagen, niet kunnen leiden tot een vermindering van de aanslag IB/PVV 2016. Het hoger beroep is daarom ook in zoverre ongegrond.
Vergoeding van materiële schade
4.13.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade ten bedrage van € 2.612. Het Hof wijst dit verzoek af. De wettelijke regeling van artikel 8:73 Awb Pro (oud) biedt in procedures over de IB/PVV immers alleen de mogelijkheid van een schadevergoeding indien het (hoger) beroep gegrond wordt verklaard. Nu dit hoger beroep ongegrond wordt verklaard, kan reeds om die reden geen schadevergoeding worden toegekend.
Vergoeding van immateriële schade
4.14.
Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof gaat daarom uit van een redelijke termijn van in totaal vier jaar. Die termijn begint te lopen vanaf het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment dat het Hof uitspraak doet.
4.15.
De Inspecteur heeft het bezwaar ontvangen op 31 december 2021. Op de datum van deze uitspraak zijn sindsdien afgerond 4 jaren en 4 maanden verstreken. De redelijke termijn van vier jaar is dus met afgerond een half jaar overschreden. Aangezien het belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt, stelt het Hof de vergoeding voor immateriële schade daarom vast op € 500.
4.16.
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 april 2023 op het bezwaar beslist. Dat is afgerond 10 maanden langer dan de redelijke termijn van 6 maanden die geldt om op het bezwaar te beslissen. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase, zodat de Inspecteur de immateriële schade moet vergoeden.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Hoewel het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof aanleiding te bepalen dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 moet vergoeden. De reden daarvoor is dat belanghebbende in hoger beroep moest komen om uiteindelijk tot een inhoudelijke behandeling van het materiële geschil te komen. Om diezelfde reden ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Die vergoeding wordt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 76,22, namelijk de reiskosten van belanghebbende. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken.

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende voor het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 76,22; en
  • bepaalt dat de Inspecteur het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.
De beslissing is op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(R. Zeldenrust) (M.M. Breij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
2.HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
3.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 129.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
6.Artikel 45aa, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
7.Vgl. Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047 en Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831.
8.Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
9.€ 3.182 – € 2.081 = € 1.101.