Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2726

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
21-003505-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere diefstallen en beschadiging scooter met voorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere diefstallen gepleegd tussen maart en mei 2025 en voor het opzettelijk beschadigen van een scooter in juni 2025. De feiten betroffen onder meer de diefstal van een fatbike, zonnebril, horloge en het beschadigen van een scooter, waarbij verdachte bekend heeft deze feiten te hebben gepleegd.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Het hof achtte de bewezenverklaring overtuigend en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 3 weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en verblijf in een instelling voor beschermd wonen.

Daarnaast werd een taakstraf van 40 uur opgelegd, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €1.000 toegewezen voor materiële schade, terwijl de vordering voor immateriële schade werd afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn dakloosheid en begeleiding via het Leger des Heils, en vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in het belang van verdachte of de samenleving. De straf en voorwaarden zijn gericht op het bevorderen van zijn resocialisatie en het voorkomen van recidive.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken, een taakstraf van 40 uur en een schadevergoeding van €1.000 voor materiële schade.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003505-25
Uitspraakdatum: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen , van 11 augustus 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 18-126978-25, 18-160387-25 en 18-195726-25, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof op 17 april 2026 en de zitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde
  • in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2;
  • in de zaak met parketnummer 18-160387-25;
  • in de zaak met parketnummer 18-195726-25.
De advocaat-generaal heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte voor alle tenlastegelegde feiten veroordeeld voor het tenlastegelegde
  • in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2,
  • in de zaak met parketnummer 18-160387-25 en
  • in de zaak met parketnummer 18-195726-25,
tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op en komt tot een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-126978-25:
1. primair
hij op of omstreeks 25 maart 2025, te [plaats 1] , een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 25 maart 2025, te [plaats 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
2.
hij op of omstreeks 4 april 2025, te [plaats 1] , een zonnebril, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 18-160387-25 (gevoegd):
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ( [locatie 1] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 18-195726-25 (gevoegd):
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt onder verschillende parketnummers kort gezegd verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstallen van verschillende goederen en van het beschadigen van een scooter. De dossiers bevatten hiervan telkens aangiften, aangevuld met ander bewijsmateriaal. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bekend deze feiten te hebben gepleegd. Door of namens verdachte zijn geen bewijsverweren gevoerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2 en in de zaken met parketnummers 18-160387-25 en 18-195726-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-126978-25:
1. primair
hij op 25 maart 2025 te [plaats 1] een fatbike, die aan [benadeelde] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 4 april 2025 te [plaats 1] een zonnebril, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 18-160387-25:
1.
hij op 25 mei 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een horloge, dat aan [winkel] ( [locatie 1] ), toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 18-195726-25 (gevoegd):
1.
hij op 27 juni 2025 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft beschadigd.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 18-160387-25 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 18-195726-25 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straffen

Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich in de periode van 25 maart 2025 tot en met 27 juni 2025 driemaal schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) diefstal. Het hof veroordeelt verdachte vandaag in een andere strafzaak (met parketnummer 21-003208-25) voor nog eens vier diefstallen, gepleegd tussen 5 november 2024 en 19 maart 2025. Gezamenlijk laten al deze feiten het beeld zien van een verdachte die gedurende 8 maanden, al dan niet samen met anderen, op strooptocht is geweest. Verdachte heeft met de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten niet alleen financiële schade, maar ook veel overlast aan de benadeelden berokkend, kennelijk omdat hij het belang van eigen financieel gewin daarboven stelde. Daarnaast wordt verdachte in de onderhavige zaak veroordeeld voor het opzettelijk beschadigen van een scooter. Ook dit feit getuigt van weinig respect voor andermans eigendom.
Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 17 april 2026, waaruit onder meer blijkt dat verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten die gepleegd zijn ná de nu bewezenverklaarde feiten, en dat hij op grond van die veroordeling zich gedurende de proeftijd moet houden aan een aantal bijzondere voorwaarden. Uit een bericht van de toezichthouder van 15 april 2026 komt naar voren dat verdachte een tijd dakloos is geweest en dat hij diefstallen pleegde om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verdachte is sinds januari 2026 geplaatst in een woonvoorziening van het Leger des Heils te [locatie 2] en staat daar ook ingeschreven bij de gemeente. Hij ontvangt daar begeleiding en gaat drie dagen per week naar de dagbesteding. Verdachte is in afwachting van een nieuw identificatiebewijs, waarmee vervolgens een uitkering en de inschrijving op een school geregeld kunnen worden. Hij ontvangt momenteel € 50,- per week aan leefgeld. De reclassering signaleert een duidelijke verandering in de houding van verdachte, die zich open en begeleidbaar opstelt, knelpunten bespreekbaar maakt en zich gemotiveerd toont om aan zijn toekomst te werken. De reclassering constateert dat de huidige voorwaarden en het toezicht een positief effect op verdachte hebben en dat het daarom onwenselijk zou zijn als verdachte dit niet kan voortzetten vanwege een nieuwe detentieperiode. Verder adviseert de toezichthouder om als aanvullende bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte verplicht verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is echter van oordeel dat het niet in het belang is van de samenleving, noch van verdachte zelf, om de structuur die het reclasseringstoezicht hem momenteel biedt, te doorkruisen. Het hof ziet daarin aanleiding om voor een andere strafmodaliteit te kiezen en zal daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken opleggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan controle op middelengebruik en een inspanningsverplichting voor het vinden en behoud van werk en/of een opleiding met een vaste structuur. Aan deze voorwaarden zal verdachte zich gedurende drie jaren moeten houden. Om voldoende recht te doen aan de aard en ernst van de feiten, acht het hof daarnaast oplegging van een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 uren hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en noodzakelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.678,06 ingediend. De politierechter heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 850,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Beoordeling van de gevorderde materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.378,06 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag betreft de nieuwwaarde van een weggenomen fatbike en bijbehorend alarm, en is onderbouwd met aankoopbonnen. Het hof stelt vast dat dit schadeposten betreffen die in rechtstreeks verband staan met onder 1 primair bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-126978-25. Het hof constateert dat de goederen ten tijde van het bewezenverklaarde ongeveer 10 maanden oud waren en zal daarom enige afschrijving toepassen. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en schat de schade op een bedrag van € 1.000,00. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering wat betreft de overige gevorderde materiële schade.
Om te bevorderen dat deze schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Beoordeling van de gevorderde immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade gevorderd.
Het hof kan uitsluitend immateriële schade toekennen, indien daarvoor een grondslag is in de wet. Het moet dan gaan om gevallen waarin de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn/haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn of haar persoon is aangetast.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij in deze strafzaak slachtoffer is geweest van een vermogensdelict, namelijk van diefstal. Van lichamelijk letsel of een schending in haar eer of goede naam is dan ook geen sprake. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. De juridische lat voor toewijzing van immateriële schade ligt betrekkelijk hoog. In deze zaak kan niet naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel worden aangenomen. Het gaat bovendien om een vermogensdelict waarvan niet zonder meer kan worden gezegd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Nu een wettelijke grondslag ontbreekt, zal het hof de vordering wat betreft de immateriële schade afwijzen.

Wetsartikelen

De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-160387-25 en in de zaak met parketnummer 18-195726-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-160387-25 en in de zaak met parketnummer 18-195726-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich binnen 14 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de
reclassering van het Leger des Heils, thans gevestigd aan [locatie 3] en dat hij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen, inzichtelijk te maken en de noodzaak voor ondersteuning en behandeling op dit vlak te verkennen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak hij wordt gecontroleerd;
  • zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur;
  • verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-126978-25 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 maart 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. G.A. Versteeg en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 mei 2026.