Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2765

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
21-005049-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemotiveerde vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 mei 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 11 november 2024. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 januari 2024 te [plaats] mishandeling had gepleegd door de benadeelde meermalen in het gezicht te slaan of te stompen. De politierechter had de verdachte schuldig verklaard maar geen straf opgelegd en de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken. Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de mishandeling te bewijzen. De aangifte van de benadeelde werd niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De camerabeelden waren te vaag en onduidelijk om vast te stellen dat de verdachte mishandeling had gepleegd. Ook de verklaring van een portier was onvoldoende betrouwbaar omdat de identiteit en bron van kennis niet vaststonden.

De verdachte ontkende de mishandeling steeds en verklaarde dat hij een wuifgebaar maakte naar de benadeelde. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd in hoger beroep niet gehandhaafd en was daarmee niet meer aan de orde. Het gerechtshof sprak de verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs mishandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005049-24
Uitspraakdatum: 4 mei 2026
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 november 2024 met het parketnummer 18-184458-24, in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 21 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.D. Arends, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter.
In dat vonnis heeft de politierechter bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en is geen straf of maatregel opgelegd aan de verdachte.
Verder is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen.
Het gerechtshof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 januari 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem meermalen, in ieder geval éénmaal, in het gezicht te stompen en/of te slaan.

Vrijspraak

Het gerechtshof acht niet bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde mishandeling heeft begaan. Daarom spreekt het gerechtshof de verdachte daarvan vrij.
Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
De verdachte heeft zowel in het politieverhoor als op de zitting bij de politierechter en op de zitting in hoger beroep ontkend dat hij in het [café] in [plaats] [benadeelde] in het gezicht heeft geslagen of gestompt.
Bij de politierechter heeft hij verklaard dat hij op de aan hem getoonde camerabeelden van het voorval heeft gezien dat hij vervelende bewegingen maakte met zijn onderarm. In hoger beroep heeft hij die vervelende bewegingen nader geduid als een wuifgebaar naar [benadeelde] , in de trant van “Ga eens weg”. In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit.
Naar het oordeel van het gerechtshof wordt de aangifte van [benadeelde] niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De - door de politierechter als bewijsmiddel gebruikte - camerabeelden van het voorval zijn naar het oordeel van het gerechtshof te vaag en te onduidelijk. Op basis van die beelden kan het gerechtshof niet vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde] . Het gerechtshof volgt daarom niet de beschrijving van de camerabeelden door de [verbalisant 1] .
Uit het - door de politierechter als bewijsmiddel gebruikte - proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 1 maart 2024 blijkt het volgende.
De portier van het café heeft kort na het voorval verklaard dat de verdachte [benadeelde] met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen. Wie deze portier is geweest, daarvan blijkt niet uit dit proces-verbaal. Uit dit proces-verbaal blijkt daarnaast evenmin wat de bron van wetenschap is van de portier. Daardoor kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre deze verklaring van de portier betrouwbaar te achten is en als belastend bewijs kan dienen.
Aangezien ook overigens geen steunbewijs voor de aangifte aanwezig is, dient het bovenstaande te leiden tot vrijspraak.

Vordering van de benadeelde partij

Nu de - door de politierechter afgewezen - vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet is gehandhaafd in hoger beroep, is die vordering niet meer aan de orde en kan het gerechtshof daarover niet beslissen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. E. de Witt, mr. J. Hielkema en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 mei 2026.