Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2766

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
21-002680-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schuldwitwassen met voorwaardelijke geldboete na mediation en schadevergoeding

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte veroordeeld voor schuldwitwassen. Het gerechtshof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, met een aanpassing van de strafmaat en de afwijzing van de schadevergoedingsvordering.

De politierechter had een geldboete van €500 opgelegd, te vervangen door 10 dagen hechtenis bij niet-betaling, en de schadevergoeding van €1.000 aan de benadeelde partij toegewezen. Het hof vernietigde deze beslissingen en legde een voorwaardelijke geldboete van €500 op met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege het blanco strafblad van de verdachte, haar medewerking aan mediation en de reeds betaalde schadevergoeding.

Het bewijs bestond uit een pintransactie bij een Geldmaat en financiële transacties die duidden op het gebruik van de bankrekening van de verdachte voor witwaspraktijken. De verdachte had een informatieplicht over de herkomst van het geld, waaraan zij niet voldeed. De mediation leidde tot een betaling van €1.100 aan de benadeelde partij, die daarmee haar vordering introk.

Het gerechtshof heeft de strafmotivering aangevuld en de ernst van het feit benadrukt, waardoor toepassing van artikel 9a Sr niet passend werd geacht. De geldboete wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte binnen twee jaar opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De vordering tot schadevergoeding wordt niet toegewezen omdat de benadeelde partij deze heeft ingetrokken na volledige vergoeding via mediation.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 met een proeftijd van twee jaar en de schadevergoedingsvordering is afgewezen wegens intrekking na mediation.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002680-25
Uitspraakdatum: 4 mei 2026
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2025 met het parketnummer 18-319615-24, in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 21 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen en aan haar geen straf of maatregel zal opleggen. Verder is gevorderd dat het gerechtshof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal afwijzen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en haar raadsman, mr. S. Arts, hebben aangevoerd in hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter.
In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte ter zake van schuldwitwassen veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, bij niet voldoening daarvan te vervangen door 10 dagen hechtenis. Verder is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het gerechtshof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft beslist.
Het gerechtshof bevestigt het vonnis van de politierechter, behalve voor zover het betreft de beslissing van de politierechter op de op te leggen straf en op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis van de politierechter komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre vernietigt het gerechtshof het vonnis.
Verder zal het gerechtshof het vonnis van de politierechter bevestigen onder aanvulling van de bewijsgronden en van de strafmotivering.
Aanvulling van bewijsgronden
Ter zake van het bewijs voor de bewezen verklaarde pleegplaats hanteert het gerechtshof het proces-verbaal van verhoor van de verdachte op pagina 18 van het politieonderzoek. Daaruit blijkt van een pinhandeling van haar bij een Geldmaat in
[plaats].
Het gerechtshof overweegt tevens dat het bedrag van € 120,00 dat op de rekening van de verdachte is “overgebleven” (gestort op haar bankrekening door een kennis was € 1.000,00 en gepind van haar bankrekening door haar voor die kennis was € 880,00) naar het oordeel van het gerechtshof gezien moet worden als een
financiële beloningdie de verdachte heeft ontvangen voor het gebruik van haar bankrekening ten behoeve van die kennis. Gelet op deze financiële beloning, waarvan de verdachte op de hoogte moet zijn geweest, gelet op haar verklaring bij de politierechter, inhoudende dat zij € 120,00 zelf heeft gehouden, rustte op de verdachte een evidente informatieplicht naar de herkomst van het bedrag van
€ 1.000,00. Daaraan heeft zij niet voldaan.
Aanvulling van de strafmotivering
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het in hoger beroep door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen acht. Naar het oordeel van het gerechtshof staat de ernst van het feit hieraan in de weg.
Wél acht het gerechtshof gronden aanwezig om de door de politierechter opgelegde geldboete op te leggen in voorwaardelijke vorm, met een proeftijd van 2 jaren. Dit ter waarschuwing aan haar om zich niet opnieuw te begeven in enige strafrechtelijke ontsporing. Deze beslissing is gegrond op het blanco strafblad van de verdachte, op het feit dat zij heeft meegewerkt aan een geslaagd mediationtraject en met name op de omstandigheid dat zij de schade inmiddels heeft vergoed aan de benadeelde partij, zoals hieronder nader is beschreven.

Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde]

De [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De politierechter heeft deze vordering geheel toegewezen.
In hoger beroep is gebleken dat de verdachte en de benadeelde partij na mediation overeengekomen zijn dat de verdachte € 1.100 euro zal betalen aan de benadeelde partij als schadevergoeding en dat de benadeelde partij op 18 maart 2026 € 1.100,- van de verdachte heeft ontvangen.
In een mail van 20 april 2026 heeft de benadeelde partij (nogmaals) laten weten dat de kwestie voor hem afgedaan is nu zijn schade geheel is vergoed. Het gerechtshof beschouwt dit als een intrekking van de vordering en zal daarom niet beslissen op de vordering.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de opgelegde straf en op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. E. de Witt, mr. J. Hielkema en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 mei 2026.