ECLI:NL:GHARL:2026:2785

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
200.365.794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtigingen tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 januari 2026 de machtigingen tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen verlengd tot 24 januari 2027. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De kinderen zijn uit huis geplaatst vanwege de opname van de moeder met een psychose, wat voor de tweede keer in anderhalf jaar gebeurde. De moeder woont inmiddels weer thuis, maar het is onzeker of zij een stabiele opvoedomgeving kan bieden. De vader is niet betrokken bij de opvoeding. De kinderen verblijven in een pleeggezin en een gezinshuis vanwege hun opvoedkundige behoeften en gehechtheidsproblemen.

Het hof oordeelt dat de machtigingen terecht zijn verlengd omdat het noodzakelijk is eerst meer duidelijkheid te krijgen over de opvoedcapaciteit van de moeder en de behoeften van de kinderen. De moeder uitte zorgen over de duur van de machtigingen, maar het hof benadrukt dat er continu gewerkt moet worden aan terugplaatsing en dat er vertrouwen is in de samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling.

De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en de machtigingen tot uithuisplaatsing blijven van kracht tot 24 januari 2027.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing tot 24 januari 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.794
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 604678 en 604681
beschikking van 7 mei 2026
over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI),
die is gevestigd in Utrecht,
en
[belanghebbende1](de vader),
die woont in [woonplaats2] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de kinderrechter), heeft op 21 januari 2026 de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 24 januari 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader hebben samen twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2016 en [de minderjarige2] is geboren [in] 2019.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderrechter heeft de kinderen op 24 januari 2025 onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 januari 2025 tot 24 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft op 30 oktober 2025 een machtiging verleend tot (deeltijd) uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een pleeggezin en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinsgerichte accommodatie, beide met ingang van 30 oktober 2025 tot 24 januari 2026.
2.5.
Voordat de kinderen uit huis geplaatst werden, woonden zij bij de moeder. Sinds 15 september 2025 verbleven zij vrijwillig in een (netwerk)pleeggezin. [de minderjarige1] woont nog steeds in dat pleeggezin. [de minderjarige2] woont sinds 8 april 2026 in een gezinshuis.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen met een jaar te verlengen.
3.2.
De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 24 januari 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een pleeggezin verlengd voor 24 januari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte accommodatie verlengd tot 24 januari 2027.
3.3.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 21 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de machtigingen tot uithuisplaatsing ongedaan maakt of de machtigingen in duur beperkt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlagen ontvangen op 6 maart 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van de GI;
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 17 maart 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • een stuk van de moeder, ingediend op 8 april 2026, te weten een ontslagbrief van 3 april 2026.
4.4.
Andere stukken van de moeder die zijn ingediend op 8 april 2026 zijn geweigerd, zoals ter zitting al beslist. Deze stukken zijn pas een dag voor de zitting ingediend, terwijl ze gezien de datering ervan eerder hadden kunnen worden ingediend. Het gaat hierbij om de omgangsrapportages van de maanden september en oktober 2025.
4.5.
[de minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de uithuisplaatsing. Zij heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 9 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat, en
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen lopen nog tot 24 januari 2027.
5.3.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de machtigingen aan de GI gegeven moesten worden, omdat de kinderen gedurende de periode van de machtiging nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof is het eens met de redenen die de kinderrechter voor de beslissing heeft gegeven en het hof neemt deze redenen na eigen onderzoek over. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.4.
De kinderen zijn uit huis geplaatst omdat de moeder vanwege een psychose was opgenomen bij [naam1] . Het is de tweede keer in anderhalf jaar tijd dat de moeder is opgenomen bij [naam1] en dat de kinderen ergens anders moesten gaan wonen. Dat is niet alleen voor de moeder heel moeilijk, maar ook voor de kinderen. Het is voor de kinderen niet goed als zij steeds van opvoedomgeving wisselen. Zij hebben behoefte aan een stabiele opvoedomgeving. De opname van de moeder is op 17 maart 2026, dus kort voor de zitting bij het hof, beëindigd. De moeder woont weer thuis en er worden bij haar momenteel geen kenmerken van een ontregeling meer gezien. Op dit moment is niet duidelijk hoe het komt dat de moeder voor een tweede keer in een psychose is gekomen en hoe groot het risico is dat dit (op korte termijn) weer gebeurt. Het is daardoor onzeker of de moeder de kinderen (voortaan) een stabiele opvoedomgeving kan bieden. De moeder wil de bevindingen van [naam1] voorafgaand en gedurende haar opname (nog) niet delen met de GI, omdat zij eerst de uitkomsten van een second opinion wil afwachten. Niet bekend is wanneer een second opinion zal plaatsvinden. Daarnaast wil de GI een perspectiefonderzoek uitvoeren, om erachter te komen in hoeverre het voor de moeder mogelijk is om weer zelf voor de kinderen te zorgen. Daarbij speelt ook een rol dat de moeder in de afgelopen jaren heeft laten weten de opvoeding en de verzorging van de kinderen bij tijden erg zwaar te vinden. Zij staat er grotendeels alleen voor. De vader is al langere tijd niet beschikbaar voor of betrokken bij de verzorging en de opvoeding van de kinderen. [de minderjarige2] is recent overgeplaatst van het netwerkpleeggezin naar een gezinshuis, omdat hij een verzwaarde opvoedvraag heeft. Dit houdt in dat hij meer van zijn opvoeder vraagt dan een gemiddeld kind van zijn leeftijd. Voor beide kinderen geldt dat er zorgen zijn over hun gehechtheid. Het hof volgt de GI in haar standpunt dat het van belang is dat er eerst meer duidelijkheid komt over wat de kinderen van hun opvoeder(s) nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen én wat de moeder de kinderen kan bieden, voordat kan worden geoordeeld dat de kinderen weer thuis kunnen wonen. De periode tot 24 januari 2027 is daarvoor nodig. Het hof ziet daarom ook geen aanleiding om de duur van de machtigingen tot uithuisplaatsing te verkorten.
5.5.
De moeder heeft op de zitting bij het hof naar voren gebracht dat zij bang is dat de GI bij een verlenging van de machtigingen met een jaar te weinig zal doen om ervoor te zorgen dat de kinderen weer thuis kunnen wonen. Zij wil daarom dat het hof in elk geval de duur van de machtigingen voor de uithuisplaatsing verkort, zodat er een vinger aan de pols wordt gehouden. Het hof benadrukt dat zolang sprake is van een ondertoezichtstelling en een machtiging voor uithuisplaatsing, gewerkt moet worden aan thuisplaatsing. Het hof heeft er vertrouwen in dat de GI zich daarvoor zal inzetten. Er is een goede samenwerking tussen de GI en de moeder. De huidige jeugdbeschermer is al vanaf het begin van de ondertoezichtstelling bij de moeder en de kinderen betrokken. Na de eerdere opname van moeder bij [naam1] is het de moeder en de GI gelukt om samen afspraken te maken over de terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De moeder heeft toen goed meegewerkt aan ambulante spoedhulp en de kinderen zijn stapsgewijs teruggeplaatst. De betrokken jeugdbeschermer heeft op de zitting bij het hof gezegd dat hij er vertrouwen in heeft dat de moeder een grote rol kan blijven hebben in het leven van de kinderen en dat de GI gaat onderzoeken wat voor de moeder en de kinderen het maximaal haalbare is. Het contact tussen de moeder en de kinderen is ook al uitgebreid.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2026 over de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en L.R. Davila Talavera, en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.