ECLI:NL:GHARL:2026:2836

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.357.959/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens machtigingskwestie in digitale handhaving geslotenverklaring

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging. De gemachtigde, Eggink, stelde dat de machtiging wel degelijk rechtsgeldig was, ondanks afwijkende adresgegevens.

Het hof oordeelde dat de afwijking in adresgegevens niet tot twijfel mocht leiden over de geldigheid van de machtiging, mede gelet op de naam, handtekening en het CJIB-nummer. De beslissing van de officier van justitie om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren werd daarom vernietigd. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep zelf.

De betrokkene was gesanctioneerd met een boete van €120 wegens het negeren van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen. De gemachtigde voerde aan dat het beleidskader niet was nageleefd, dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete te hoog was. Het hof verwierp deze bezwaren, stelde vast dat het relevante beoordelingskader op dat moment van toepassing was en dat de hoorplicht weliswaar was geschonden, maar dit niet tot matiging van de boete leidde.

Het hof verklaarde het beroep gegrond voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring, vernietigde de beslissing van de officier van justitie, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en de beslissing van de officier van justitie, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.357.959/01
CJIB-nummer
: 267130488
Uitspraak d.d.
: 7 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, betreffende

F.R. Eggink (hierna: Eggink), kantoorhoudende te Almelo,

beweerdelijk optredend namens
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Eggink heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen toereikende machtiging is overgelegd.
2. Eggink bestrijdt dat er geen deugdelijke machtiging is overgelegd. Al bij het administratief beroep is een juiste machtiging meegezonden. Dat de adresgegevens niet overeenkomen, is niet relevant omdat dit geen vereiste is.
3. In artikel 9, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene die administratief beroep heeft ingesteld beroep kan instellen tegen de beslissing van de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat Eggink niet een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens de betrokkene, tot wie de inleidende beschikking is gericht, beroep in te stellen. Daarmee heeft het administratief beroep te gelden als ingesteld door Eggink. Gelet hierop kon de kantonrechter geen machtiging van Eggink verlangen. De kantonrechter heeft het beroep van Eggink dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. Uit de verzuimbrief van de officier van justitie van 8 juli 2024 aan Eggink blijkt dat de officier van justitie vindt dat uit de eerder overgelegde machtiging niet genoegzaam is gebleken dat degene aan wie de beschikking is opgelegd Eggink daadwerkelijk heeft gemachtigd om namens hem of haar beroep in te stellen, omdat de hierin vermelde adresgegevens van de betrokkene niet overeenkomen met de NAW-gegevens uit de Basisregistratie personen. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de overige gegevens in deze machtiging, zoals de naam en de handtekening van de betrokkene en het CJIB-nummer, er redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de (pretense) gemachtigde in administratief beroep optrad namens de betrokkene. De officier van justitie heeft de machtiging dan ook in redelijkheid niet ontoereikend kunnen achten.
5. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven. Het hof zal het beroep gegrond verklaren, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en vervolgens het beroep tegen de inleidende beslissing beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen negeren (bord C12)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2024 om 18:01 uur op de Escamplaan, ter hoogte van nummer 904, in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit de stukken niet blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden van het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (het Beleidskader). De inleidende beschikking kan niet in stand kan blijven, omdat de schouwrapporten niet voldoen aan de voorwaarde dat moet worden vermeld of er incidenten hebben plaatsgevonden. Er dienen daarnaast vooraankondigingsborden te worden geplaatst. Uit het dossier blijkt niet dat daarvan sprake is. De betrokkene is ook niet op de hoogte gebracht van de wijziging van de straat, zoals vereist. De waarschuwingsbrief is niet verzonden aan de betrokkene. Verder voert de gemachtigde aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie door dit trucje met de machtiging. In alle dossiers zijn de machtigingen hetzelfde. De officier van justitie pikt er her en der wat uit om niet te hoeven horen. De gemachtigde verzoekt dit trucje af te straffen door de inleidende beschikking te vernietigen. Subsidiair verzoekt de gemachtigde het sanctiebedrag met 25 procent, meer subsidiair met 10 procent, te matigen, omdat de sanctiebedragen per 1 maart 2024 opnieuw met 10 procent zijn gestegen, terwijl in het rapport ‘Boetestelsels in balans’ juist wordt voorgesteld de sanctiebedragen met 25 tot 30 procent te verlagen. Alle boetes zijn structureel te hoog.
8. Er is sprake van het digitaal handhaven van een geslotenverklaring. Op het moment waarop de sanctie werd opgelegd was het Beleidskader niet van toepassing. Op de pleegdatum was immers het Beoordelingskader Parket CVOM voor digitale handhaving bij geslotenverklaringen en voetgangersgebieden van toepassing. Voor zover de gemachtigde hier een beroep op doet, wijst het hof er op dat de bepalingen in dit beoordelingskader zich richten tot de opsporingsinstantie voor het verkrijgen van instemming voor digitale handhaving. De grond treft geen doel.
9. In dit geval is de hoorplicht geschonden. De gemachtigde heeft verzocht om een hoorzitting, maar is niet gehoord, terwijl er zich geen redenen voordoen om af te zien van een hoorzitting. Tot matiging van het sanctiebedrag leidt dit echter niet, omdat de hoorplicht in een individuele zaak is geschonden. De gemachtigde stelt weliswaar dat sprake is van een trucje, maar niet is gebleken dat deze zaak deel uit maakt van een categorie van zaken waarin de hoorplicht bewust en op structurele basis wordt geschonden.
10. Het hof ziet in de verwijzing naar het rapport ‘Boetestelsel in balans’ en de enkele stelling dat alle boetes structureel te hoog zijn geen aanleiding om in het onderhavige geval tot matiging van het sanctiebedrag over te gaan. Het hof verwijst daarbij naar de arresten van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719, en 10 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1430.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld. Er is geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.