ECLI:NL:GHARL:2026:2836
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Wijma
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens machtigingskwestie in digitale handhaving geslotenverklaring
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging. De gemachtigde, Eggink, stelde dat de machtiging wel degelijk rechtsgeldig was, ondanks afwijkende adresgegevens.
Het hof oordeelde dat de afwijking in adresgegevens niet tot twijfel mocht leiden over de geldigheid van de machtiging, mede gelet op de naam, handtekening en het CJIB-nummer. De beslissing van de officier van justitie om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren werd daarom vernietigd. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep zelf.
De betrokkene was gesanctioneerd met een boete van €120 wegens het negeren van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen. De gemachtigde voerde aan dat het beleidskader niet was nageleefd, dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete te hoog was. Het hof verwierp deze bezwaren, stelde vast dat het relevante beoordelingskader op dat moment van toepassing was en dat de hoorplicht weliswaar was geschonden, maar dit niet tot matiging van de boete leidde.
Het hof verklaarde het beroep gegrond voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring, vernietigde de beslissing van de officier van justitie, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en de beslissing van de officier van justitie, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.