Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2898

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
21-001965-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 24 SrArt. 33 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging doodslag, poging brandstichting en bedreiging met zware mishandeling

Op 10 januari 2023 bedreigde verdachte twee mannen die werkzaam waren nabij zijn woning met een mes en brandbare vloeistof. Hij maakte een zwaaiende beweging met een groot keukenmes richting de keel van een van hen en raakte hem, terwijl hij ook brandgel over hun kleding en werkbus spoot en dreigde deze in brand te steken.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag, maar het hof kwam tot een andere beoordeling en verklaarde deze poging wel bewezen. Daarnaast werd poging brandstichting en bedreiging met zware mishandeling bewezen verklaard. Diverse psychiatrische rapporten concludeerden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Het hof legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 24 voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, en verbeurde de gebruikte voorwerpen. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €3.000,00 werd volledig toegewezen, inclusief materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

De strafrechtelijke beoordeling hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en het recidiverisico. Het hof oordeelde dat een langdurige gevangenisstraf passend is, ondanks de verminderde toerekeningsvatbaarheid en hoge leeftijd van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 24 voorwaardelijk en volledige schadevergoeding aan benadeelde toegekend.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001965-25
Uitspraakdatum: 8 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 16 april 2025 met parketnummer 16-009730-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van zitting van het hof van 24 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 tot een gevangenisstraf van 500 dagen, waarvan 456 voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 5 jaar, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer te onttrekken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. L.A.C. ter Steeg, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M. Treur, is aangevoerd.

Het vonnis

De meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair en feit 3 ten laste is gelegd, en ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 500 dagen, waarvan 456 voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 5 jaar. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De vordering is voor het overige afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Verdachte en het openbaar ministerie hebben beperkt hoger beroep ingesteld, te weten niet tegen de vrijspraak van feit 3. Het hof komt in dit arrest, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging en voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 januari 2023 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, zwaaiende en/of stekende en/of prikkende bewegingen te maken in de richting van de keel/hals, althans het hoofd en bovenlichaam van die [benadeelde] en/of waarbij de keel van die [benadeelde] met voornoemd mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 10 januari 2023 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, zwaaiende en/of stekende en/of prikkende bewegingen te maken in de richting van de keel/hals, althans het hoofd en bovenlichaam van die [benadeelde] en/of waarbij de keel van die [benadeelde] met voornoemd mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 januari 2023 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, zwaaiende en/of stekende en/of prikkende bewegingen te maken richting de keel/hals en/of het (boven)lichaam van die [benadeelde] , waarbij de keel van die [benadeelde] met voornoemd mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, is geraakt;
2.
hij op of omstreeks 10 januari 2023 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten
- aan de kleding van [benadeelde] en/of [slachtoffer] , en/of
- aan de (brandgel op een) band van een werkbus en/of een mini graafmachine,
terwijl daarvan levensgevaar voor [benadeelde] en/of [slachtoffer] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde] en/of [slachtoffer] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen en/of gemeen gevaar voor goederen, te weten een werkbus en/of een mini graafmachine te duchten was, met dat opzet
- tegen die [benadeelde] en/of die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘Als je de motor niet uitzet, dan steek ik de bus in de fik’ en/of ‘ik steek alles in de brand’ en/of ‘als ik mijn spullen niet krijg, dan steek ik de bus aan’, althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- spiritus of brandgel, althans een brandbare stof, heeft uitgespoten over en/of richting die werkbus en/of die mini graafmachine en/of de kleding van die [benadeelde] en/of die [slachtoffer] , en/of
- een doosje lucifers heeft gepakt en/of meerdere lucifers aan heeft gestoken en/of meerdere lucifers in de richting van die [benadeelde] en/of die [slachtoffer] en/of die werkbus en/of die mini graafmachine heeft gegooid, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft proberen te brengen met spiritus of brandgel, althans met een brandbare stof,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 10 januari 2023 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, [benadeelde] en/of [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [benadeelde] en/of [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen 'Als je de motor niet uitzet, dan steek ik de bus in de fik' en/of 'Ik ga hem nu in de fik steken want ik meen wat ik zeg' en/of 'Als ik mijn spullen niet krijg, dan steek ik de bus aan' en/of 'Ik steek alles in de brand' en/of 'Ik maak je kapot', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl hij een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of lucifer(s) in zijn handen had;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Namens verdachte is door de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, feit 2 voor zover dat ziet op de poging brandstichting met te duchten levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en feit 4 voor zover dat betreft een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Over feit 1 is – kort gezegd – aangevoerd dat van een poging doodslag geen sprake is, omdat de aanmerkelijke kans op de dood ontbreekt. Daarbij wilde verdachte het mes niet gebruiken en was hij daar fysiek ook niet toe in staat wegens een ongeluk in het verleden. Als het hof dit al aannemelijk acht, betrof het slechts één zwaaibeweging met de botte zijde van het mes, terwijl de kracht van die beweging niet kan worden vastgesteld. Ten aanzien van feit 2 bestaat er op grond van de feitelijke omstandigheden te veel twijfel over te duchten levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft ten aanzien van feit 4 bekend te hebben gedreigd met brandstichting. Zijn opzet was gericht op het afschrikken van de mannen, door met brandstichting te dreigen, niet op het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Aan de hand van die bewijsmiddelen, zoals hieronder opgenomen, zet het hof zijn overwegingen uiteen.
Bewijsmiddelen
In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2023009760, gesloten en getekend op 13 februari 2023 door [naam 1]
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 18 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [benadeelde]:
Op 10 januari 2023 waren [slachtoffer] en ik werkzaam op de openbare weg [naam 2] achter [adres 2] in [plaats 1] . Er kwam een man naar ons toe. Op een gegeven moment zei hij: “Als je de motor niet uitzet, dan steek ik de bus in de fik.” Ik zag dat de man terugkwam en dat hij een bus met vloeistof in zijn linkerhand en een groot mes in zijn rechterhand had. De man liep voor mij langs en zei: “Ik ga hem nu in de fik steken want ik meen wat ik zeg.” Ik zag dat hij de rechter voorzijde onderspoot met de vloeistof uit de bus. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een luciferdoosje vasthad. Ik probeerde de bus met vloeistof uit zijn handen te slaan. Toen haalde hij uit met het grote mes richting mijn keel.
Hij heeft mijn keel ook aan de linkerkant geraakt de punt van het mes. De man maakte echt een zwaaiende beweging met het mes. Hij heeft een keer gezwaaid met het mes. Ik ben niet gewond geraakt. Het mes was wel 30 centimeter groot.
Mijn collega heeft de man de bosjes ingeduwd en hij heeft het mes kunnen afpakken. Ik was ondertussen door de man opzettelijk met de vloeistof bespoten op en tegen mijn kleding. Ook mijn collega is door de man opzettelijk met de vloeistof bespoten tegen de kleding.
De man kwam weer overeind. Hij zei: “Als ik mijn spullen niet krijg, dan steek ik de bus aan.” Ik zag dat hij een lucifer aanstak op een afstand van ongeveer 1,5 à 2 meter van de plaats waar hij de vloeistof op de bus had gespoten, dichtbij genoeg om de lucifer erop te gooien.
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 22 augustus 2023, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [benadeelde]:
Rechter-commissaris: u gaf aan dat u het mes ook voelde. Waar voelde u het?
Bij mijn nek. Ik voelde een schram langs mijn nek, ter hoogte van mijn ademsappel.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 22 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [slachtoffer] :
Op 10 januari 2023 was ik met collega [benadeelde] werkzaam in [plaats 1] . Onze bedrijfsauto stond op het looppad op [naam 2] . Ik zag mijn collega met een man praten. De man liep naar zijn huis en ik zag hem terugkomen met in zijn hand een plastic fles, die ik herkende als een fles waarin een soort brandgel zit. Ik zag dat hij erg boos was en hoorde dat hij zei: “Ik steek alles in de brand.” Ik zag dat hij de vloeistof uit de fles op de rechter voorband en rechterzijde van onze bestelwagen spoot. Ik zag dat de man ook een groot vleesmes van ongeveer 30 centimeter lengte in zijn hand had en ik zag dat de man met dit mes vlak langs de keel van mijn collega zwaaide. Ik hoorde dat de man iets zei als: “Ik maak je of jullie kapot.” Ik pakte de man bij zijn polsen en zag dat hij uit zijn evenwicht raakte en in de struiken viel. Ik kon het mes van hem afpakken. Ik zag dat de man weer opstond, dat hij de fles met brandgel weer pakte en op mij en op [benadeelde] begon te spuiten met de gel. Ik kreeg de gel op meerdere plekken op mijn werkkleding. Ik zag dat de man een pakje lucifers uit zijn broekzak pakte, dat hij een paar lucifers aanstak en dat hij deze lucifers in onze richting gooide, maar de lucifers raakten onze kleding niet. We stonden op ongeveer twee meter afstand van hem.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 8 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Tijdens het transport van verdachte naar politiebureau [plaats 2] op 10 januari 2023 hoorden wij verdachte, volledig ongevraagd, verklaren:
  • ik ben naar mijn woning gelopen;
  • ik heb daar een mes gepakt en brandbare vloeistof;
  • ik heb de brandbare vloeistof over een van de mannen gespoten;
  • ik heb gezegd: “Jullie keuze, de banden of de bus;”
  • ik bedoel hiermee of de banden lek of de bus in brand.
5. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 2 april 2025 van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van verdachte:
Ik ben naar de mannen toegegaan met in mijn linkerhand een groot mes en in mijn rechterhand een fles brandgel. Ik had ook lucifers bij mij. Ik wilde de mannen afschrikken. Er zat geen dop op de fles, die had ik eraf gehaald. Ik heb de band van de auto met de brandgel besprenkeld. Ik heb gedreigd door een lucifer in brand te steken. Het is mogelijk dat ik heb gezegd: “Als de motoren niet uitgaan, dat steek ik de auto in de brand.” Ik kreeg een zwieper en daarbij werd de fles fijngeknepen; daarbij kregen de man en ik brandgel over ons heen. Ik kan hebben gezegd: “Ik steek alles in de brand.”
Bewijsoverwegingen
Feit 1 primair
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever. Desondanks kan opzet op de dood toch worden aangenomen als sprake is van de situatie dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Bij de beoordeling of in de onderhavige zaak sprake is van voorwaardelijk opzet, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte is naar zijn woning gelopen om (onder meer) een groot mes op te halen. Het betrof een keukenmes van ongeveer 30 centimeter groot. Verdachte haalde met dat mes uit door een zwaai te maken naar de keel van aangever, die hij ook daadwerkelijk geraakt heeft met de botte kant van de punt van het mes. Dat hij tot een dergelijke beweging niet in staat zou zijn geweest wegens een fysieke beperking, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, zet het hof als niet aannemelijk terzijde. Dat verdachte als gevolg van zijn fietsongeval in 2021 anderhalf jaar later niet in staat zou zijn om een dergelijke beweging met zijn arm te maken is niet onderbouwd en het dossier biedt geen grondslag voor deze stelling. De door de verdediging ook in hoger beroep overgelegde medische informatie zegt niet veel meer dan dat bepaalde bewegingen met de linkerschouder “antalgisch beperkt” zijn. Niet onmogelijk dus, maar door pijn beperkt. Daargelaten of verdachte het mes nu in zijn linker- of rechterhand had, de zwaaiende beweging waar de beide aangevers over verklaren, was niet fysiek onmogelijk.
Het hof overweegt dat het maken van een zwaaiende beweging met een scherp en puntig voorwerp zoals een groot keukenmes ter hoogte van de keel van aangever – en het vervolgens ook raken van die keel met dat mes – naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals van een persoon vitale (slag)aders bevinden zoals de halsslagader en dat een verwonding daaraan tot de dood van een persoon kan leiden. Verdachte moet zich, evenals ieder ander weldenkend mens, bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans. Door desalniettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij naar het oordeel van het hof welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zou komen te overlijden. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van hetgeen verdachte primair onder 1 ten laste is gelegd.
Feit 2
Het hof acht net als de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd de kleding van [benadeelde] en [slachtoffer] en hun werkbus in brand te steken. Immers volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte een fles brandgel en lucifers uit zijn woning heeft opgehaald, waarna hij tegen [benadeelde] en [slachtoffer] heeft gezegd dat hij alles in brand zou steken, en vervolgens heeft verdachte daadwerkelijk brandgel over de beide slachtoffers en hun werkbus gespoten en lucifers aangestoken en weggeworpen. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof bij verdachte sprake geweest van vol opzet op het stichten van brand, met levensgevaar en gevaar voor zwaar letsel, dan wel gevaar voor goederen, en dienen de handelingen van verdachte te worden aangemerkt als een begin van uitvoering daartoe.
Feit 4
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het opzet van verdachte niet was gericht op het bedreigen van de mannen met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Het hof overweegt dat van bedreiging met misdrijf met enig misdrijf tegen het leven gericht niet is gebleken en zal verdachte daarvan vrijspreken. Door echter met een mes in zijn handen woorden als ‘ik maak je of jullie kapot’ te uiten, heeft verdachte bij de aangever de redelijke vrees doen ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd, te weten zware mishandeling. Dat hij een en ander zo niet bedoeld zou hebben, maakt dat niet anders. Het hof verwerpt het verweer en komt tot een veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling en brandstichting.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.primair
hij op 10 januari 2023 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de keel/hals van die [benadeelde] en/of waarbij de keel van die [benadeelde] met voornoemd mes is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
hij op 10 januari 2023 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten
- aan de kleding van [benadeelde] en/of [slachtoffer] , en
- aan de (brandgel op een) band van een werkbus,
terwijl daarvan levensgevaar voor [benadeelde] en/of [slachtoffer] of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde] en/of [slachtoffer] , en gemeen gevaar voor goederen, te weten een werkbus te duchten was, met dat opzet
- tegen die [benadeelde] en/of die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘Als je de motor niet uitzet, dan steek ik de bus in de fik’ en ‘ik steek alles in de brand’ en ‘als ik mijn spullen niet krijg, dan steek ik de bus aan’, althans woorden van gelijke aard en strekking en
- brandgel heeft gespoten over die werkbus en de kleding van die [benadeelde] en die [slachtoffer] , en
- een doosje lucifers heeft gepakt en meerdere lucifers aan heeft gestoken en meerdere lucifers in de richting van die [benadeelde] en die [slachtoffer] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4.
hij op 10 januari 2023 te [plaats 1] , [benadeelde] en [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling en brandstichting, door die [benadeelde] en [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen 'Als je de motor niet uitzet, dan steek ik de bus in de fik' en 'Ik ga hem nu in de fik steken want ik meen wat ik zeg' en 'Als ik mijn spullen niet krijg, dan steek ik de bus aan' en 'Ik steek alles in de brand' en 'Ik maak je kapot', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl hij een mes, en lucifers in zijn handen had.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling en brandstichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

In het dossier bevinden zich onder meer de volgende rapporten:
  • een pro Justitia rapport van 18 april 2023 betreffende een psychiatrisch onderzoek, uitgebracht door dr. I.F.F.M. Elzakkers , psychiater;
  • een pro Justitia rapport van 17 september 2023 betreffende een psychiatrisch onderzoek, uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os , psychiater/psychoanalyticus;
  • een pro Justitia rapport van 16 april 2024 betreffende een psychologisch onderzoek, uitgebracht door M.G.H. van Willigenburg , klinisch psycholoog
  • een aanvullend neuropsychologisch en neurologisch onderzoek pro Justitia van 2 mei 2024, uitgebracht door J. Roor, klinisch neuropsycholoog en [naam3] , neuroloog.
Uit het rapport van 18 april 2023 blijkt dat bij verdachte zeer waarschijnlijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd en beïnvloedde op dat moment zijn gedragingen. De deskundige Elzakkers adviseert het tenlastegelegde, indien bewezen, ten minste verminderd aan verdachte toe te rekenen.
Het rapport van 17 september 2023 houdt onder meer in dat bij verdachte sprake is van autistische en narcistische problematiek die bij situationele triggers (zoals overschrijding van zijn territorium) de motor aanzet voor antisociaal gedrag. De deskundige Van Os classificeert een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. De vastgestelde stoornis is chronisch aanwezig en was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. De stoornis beïnvloedde verdachtes gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De deskundige adviseert het tenlastegelegde, indien bewezen, licht verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De deskundige Van Willigenburg heeft in het rapport van 16 april 2024 geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, autistische kenmerken en een beperkte neurocognitieve stoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde en deze stoornissen beïnvloedden op dat moment verdachtes gedragingen. Geadviseerd wordt verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde tot sterk verminderde mate toe te rekenen.
De deskundigen Roor en [naam3] concluderen dat sprake is van milde maar evidente cognitieve stoornissen en dat er een hoge verdenking is op een hersenorganisch lijden. Over de aard van de hersenaandoening is vooralsnog geen zekerheid te geven. Het is heel goed mogelijk dat er sprake is van een neurodegeneratief proces zoals bij voorbeeld de ziekte van Alzheimer of degeneratie door bijvoorbeeld overmatig alcoholgebruik, of een combinatie van beiden. Deze cognitieve stoornissen zullen, hoewel mild aanwezig, zeer waarschijnlijk wel het handelen beïnvloeden. Bij de cognitieve stoornissen staan een vertraagde snelheid van informatieverwerking en daaraan gerelateerde overzichtsproblemen op de voorgrond. Daarnaast is er een beperkt ziekte-inzicht. Het is goed denkbaar dat door het wegvallen van gezonde inhibitie en deze genoemde cognitieve deficiënties de pre-existente persoonlijkheidsproblematiek, al dan niet in combinatie met een ASS (autismespectrum stoornis), zoals genoemd in eerdere rapportages, opspelen. Een enkelvoudige invloed van bovengenoemde cognitieve deficiënties op het ten laste gelegde gedrag is onwaarschijnlijk, gezien de reeds langer (al ruim 30 jaar) bestaande gedragsproblemen.
Het hof neemt de conclusies van voornoemde deskundigen op de daarvoor in hun rapporten bijeengebrachte gronden over. Het hof concludeert op grond van deze rapporten dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof acht verdachte in zoverre strafbaar.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 500 dagen, waarvan 456 voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 5 jaar. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 500 dagen, waarvan 456 voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 5 jaar, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om gelet op de leeftijd van verdachte, het gegeven dat verdachte de afgelopen 3 jaar niet opnieuw een feit heeft gepleegd en dat een voorwaardelijk strafdeel voldoende afschrikwekkend is voor verdachte, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter grootte van het voorarrest, tezamen met een voorwaardelijk deel. Ook heeft de raadsvrouw verzocht geen taakstraf en geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte is boos geworden op twee medewerkers van een bedrijf die in de directe nabijheid van zijn woning op de openbare weg aan het werk waren om glasvezelkabels te leggen. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een van deze mannen, aan een poging tot brandstichting gericht tegen beide mannen en hun bedrijfsauto en aan bedreiging van beide mannen met zware mishandeling en brandstichting. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een mes, een fles brandgel en lucifers. Hij heeft brandgel op de kleding van beide mannen en op hun bedrijfsauto gespoten en gedreigd en geprobeerd deze brandgel aan te steken. Daarbij heeft verdachte een zwaaiende beweging gemaakt met het mes richting de keel van slachtoffer [benadeelde] en hem ook daadwerkelijk op zijn keel geraakt.
Voor de slachtoffers is dit een angstige ervaring geweest, zoals blijkt uit hun verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris en uit de schriftelijke slachtofferverklaring van een van hen die op de zitting van het hof is voorgelezen. De bewezenverklaarde feiten zijn ernstig te noemen, onder meer vanwege de gevaarlijke en onvoorspelbare situatie die verdachte daarmee in het leven heeft geroepen. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven, is te danken aan het (adequate) optreden van beide slachtoffers en niet aan verdachte. Naast de angstige ervaring voor deze slachtoffers geldt ook in het algemeen dat gebeurtenissen als deze gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen. Het hof houdt met dit alles rekening.
Naar het oordeel van het hof is bij dit soort ernstige strafbare feiten in beginsel oplegging van een langdurige (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof kennisgenomen van verschillende rapportages in het dossier die over verdachte zijn uitgebracht, waaronder de voornoemde rapportages, en daarnaast ook een reclasseringsadvies van 23 oktober 2023 en 26 maart 2025. Verder heeft het hof gelet op de toelichting van reclasseringswerker [naam4] op de zitting van de rechtbank, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, en het strafblad van verdachte, gedateerd 26 maart 2026. Uit dat strafblad blijkt allereerst dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan geweld en bedreigingen waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld. Het hof zal daar in strafverzwarende zin rekening mee houden.
De deskundigen en de reclassering hebben wisselende adviezen uitgebracht ten aanzien van een mogelijk aan verdachte op te leggen straf en/of maatregel. De deskundige Van Os schat het risico op gewelddadig gedrag in als matig tot hoog. Volgens deze deskundige is het niet te verwachten dat de problematiek van verdachte zal veranderen; deze is verankerd in zijn persoon en is niet toegankelijk voor behandeling. Een interventie met als doel verdachte te veranderen wordt niet zinvol geacht en de deskundige adviseert daarom niet tot een interventie waarin behandeling een rol speelt, maar tot een interventie die als doel heeft de omgeving van verdachte te veranderen: “geen cure maar control”. Meerdere adviezen zijn volgens de deskundige te overwegen, waaronder oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met toezicht van de reclassering en een fors voorwaardelijk strafdeel. Om gedurende langere tijd verdachte te kunnen bijsturen kan een langere proeftijd worden opgelegd. De reclassering is eveneens van oordeel dat behandeling van verdachte, ondanks het als hoog ingeschatte recidiverisico, niet haalbaar is. Anders dan de deskundige Van Os ziet de reclassering echter geen mogelijkheden voor interventies of toezicht
.Geadviseerd wordt een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Anders dan de rechtbank, komt het hof tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Het hof zal om die reden een zwaardere straf opleggen dan de rechtbank heeft gedaan en de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof houdt bij oplegging van de straf rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens constateert het hof dat die termijn in eerste aanleg op 10 januari 2023 is aangevangen. De rechtbank heeft weliswaar pas op 16 april 2025 vonnis gewezen, maar een groot deel van de vertraging (aanzienlijk meer dan drie maanden) is veroorzaakt door verdachtes wisselende medewerking aan het tot stand brengen van de persoonlijkheidsrapportage. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake.
Het hof heeft dit alles in aanmerking genomen en acht een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 24 voorwaardelijk, passend en geboden. Gelet op de persoon van verdachte zoals blijkt uit de deskundigenadviezen en ook op de hoge leeftijd van verdachte acht het hof verplicht reclasseringscontact niet zinvol. Om langdurig een stok achter de deur te verzekeren en op die wijze herhaling te voorkomen, zal het hof verdachte een proeftijd van 5 jaar opleggen.

Beslag

Het onder 1 primair, 2 en 4 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen voorwerpen. Deze voorwerpen behoren verdachte toe. Deze worden daarom verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend, bestaande uit € 500,00 materiële schade betreffende kosten voor EMDR therapie en € 2.500,00 immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit € 500,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen.
De raadsvrouw heeft verzocht de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren omdat niet duidelijk is geworden of de kosten voor de EMDR-therapie nou wel of niet zijn vergoed door de basisverzekering. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van maximaal € 750,00.
De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, mede gelet op de Rotterdamse schaal. Daarnaast heeft de advocaat aangevoerd dat hij wegens de detentie van zijn client niet bij de stukken kan en zich op het standpunt gesteld dat de materiële kosten niet vergoed zijn.
Het hof overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden.
Materiële schade:
Op de zitting van het hof is door de benadeelde partij gesteld dat de gemaakte kosten niet door de verzekering zijn vergoed. Dat dit niet is onderbouwd zoals de verdediging verlangt staat naar het oordeel van het hof niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Het hof zal de gevorderde post geheel toewijzen. Het hof merkt daarbij op dat het de omstandigheid dat de schade mogelijk gedekt kan worden door de verzekering niet van belang acht voor toewijzing van de vordering. Het staat de benadeelde vrij ervoor te kiezen de geleden schade te vorderen bij de verdachte in plaats van de verzekeringsmaatschappij.
Immateriële schade:
De benadeelde partij heeft ook € 2.500,00 aan immateriële schade gevorderd. Het hof is van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Er is sprake van geestelijk letsel en de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zoals uiteengezet in de onderbouwing van de vordering, zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Verdachte heeft gepoogd de benadeelde partij van het leven te beroven, door met een mes naar zijn keel te zwaaien. Verdachte heeft de benadeelde partij geraakt. Ook is hij bedreigd en overgoten met brandgel. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij in behandeling is geweest bij een psycholoog die schrijft dat bleek dat de benadeelde partij ernstig was getraumatiseerd. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte is aangetast in zijn persoon, zodat hij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 2.500,00. Bij de bepaling van dit bedrag heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en dan in het bijzonder op het hoofdstuk dat ziet op PTSS, hoofdstuk 14.2, categorie (d).
Concluderend wordt de vordering geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 45, 55, 57, 157, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
24 (vierentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
5 (vijf) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een keukenmes, lemmet 20 cm, handgreep 10 cm zwart, goednummer: PL0900-2023009760-G3102678; - vloeistof, 1 liter, brandgel, merk Farmlight, goednummer: PL0900-2023009760-G3 102687..

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair, 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair, 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 februari 2025 en de immateriële schade op 10 januari 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. M.B. de Wit en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 8 mei 2026.
Mr. R. Godthelp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.