Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2899

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
21-002960-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WvSrArt. 14a WvSrArt. 14b WvSrArt. 14c WvSrArt. 22c WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zedenzaak met gedeeltelijke strafverzwaring en schadevergoeding

In deze zedenzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Verdachte werd bewezenverklaard schuldig aan ontucht en het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal met een toen 10-jarig slachtoffer. De rechtbank had een grotendeels voorwaardelijke straf opgelegd, maar het hof heeft de straf verzwaard tot 181 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof heeft aanvullend bewijs en overwegingen toegevoegd, waaronder een verklaring van het slachtoffer over het seksueel misbruik in 2019. De strafverzwaring houdt rekening met de ernst van de feiten, het vertrouwen dat verdachte heeft beschaamd en het feit dat verdachte eerder als minderjarige was veroordeeld voor een soortgelijk delict. Tegelijkertijd is rekening gehouden met de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte sinds de feiten.

De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding is door het hof deels toegewezen en verhoogd van €1.000 naar €1.500, mede gebaseerd op de Rotterdamse Schaal. De rest van de gevorderde schadevergoeding is afgewezen. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op om de betaling te bevorderen.

De bijzondere voorwaarden die de rechtbank had opgelegd bij de voorwaardelijke straf zijn door het hof niet overgenomen, en ook is geen gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd. Het arrest is gewezen door drie rechters, waarvan één niet mede heeft ondertekend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 181 dagen gevangenisstraf (waarvan 180 voorwaardelijk) en €1.500 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002960-25
Uitspraakdatum: 8 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 1 juli 2025 met parketnummer 18-376733-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van zitting van het hof van 24 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het opleggen van een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V. de Grijs, waarnemend voor mr. J. Andonovski, hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno en ontucht. De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 181 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en verplichte diagnostiek en ambulante behandeling. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Noord-Nederland op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank Noord-Nederland. In zoverre vernietigt het hof het vonnis. Het hof zal verder de gronden van het vonnis aanvullen.

Aanvullend bewijsmiddel en aanvullende overweging

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden (als bijlage op pagina 10 van het proces-verbaal,) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2008:
Ik ben in 2019 seksueel misbruikt. Het is tijdens zomervakantie gebeurd.
Hoewel in verschillende bewijsmiddelen wordt gesproken over een leeftijd van aangeefster van 8 of 9 jaar, blijkt ook dat het feit werd gepleegd in de zomervakantie van 2019. Het hof gaat er daarom vanuit dat aangeefster toen het feit werd gepleegd 10 jaar oud was.

Oplegging van straf

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de leeftijd van verdachte en zijn huidige persoonlijke omstandigheden. Ook heeft zij verzocht af te zien van het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een eventuele voorwaardelijke straf.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met het destijds tienjarige halfzusje van zijn voormalige vriendin, door haar vagina te betasten en een afbeelding te maken van haar naakte vagina. Door het maken van een afbeelding van de
vagina heeft hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van een afbeelding
van kinderpornografische aard. Verdachte heeft niet alleen op nare wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had, maar ook heeft hij het vertrouwen van haar halfzus (de toenmalige vriendin van verdachte) en de rest van haar familie beschaamd. Het slachtoffer zag verdachte als haar oudere broer en kon niet inschatten dat het niet normaal was wat hij bij haar deed. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer veel last heeft gehad van de feiten en met de gevolgen daarvan worstelt.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte, gedateerd 26 maart 2026. Daaruit blijkt onder meer dat verdachte als minderjarige is veroordeeld wegens (medeplegen
van) een aanranding. Naar aanleiding hiervan heeft hij een training gevolgd waarin het leren
herkennen en respecteren van seksuele grenzen centraal staat. Dit heeft verdachte er
kennelijk niet van weerhouden om wederom seksueel grensoverschrijdend gedrag te
vertonen.
Het hof overweegt dat bij ernstige feiten als deze een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats is. In strafverminderende zin houdt het hof er echter rekening mee dat het gaat om feiten van ongeveer 7 jaar geleden en dat verdachte jong was tijdens de feiten, namelijk 19 jaar oud. Inmiddels heeft verdachte een woning voor zichzelf, een vaste baan en een relatie. Ook is hij sinds de feiten niet meer met justitie in aanraking gekomen. Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve wending in zijn leven doorkruisen. Het hof zal verdachte net als de rechtbank om die reden veroordelen tot een gevangenisstraf van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding (meer) om aan die voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden. Ook ziet het hof geen aanleiding een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Deze maatregel is bedoeld om ernstige gewelds- of zedendelinquenten met zo weinig mogelijk risico terug te laten keren in de maatschappij. Het hof overweegt dat de onderhavige feiten zeven jaar geleden zijn gepleegd. Verdachte was toen negentien jaar en heeft niet gerecidiveerd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor oplegging van deze maatregel aan verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering volledig toe te wijzen. De raadsvrouw heeft (subsidiair)verzocht de vordering te matigen zoals de rechtbank dat heeft gedaan.
Het hof overweegt het volgende. De benadeelde partij heeft een bedrag van 5.000,00 immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van het hof is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel
6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending zoals het gerechtshof die in de strafmotivering heeft verwoord, brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zoals uiteengezet in de onderbouwing van de vordering, zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.500,00. Bij de bepaling van dit bedrag heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en dan in het bijzonder op het hoofdstuk dat ziet op aanranding, hoofdstuk 15.3, categorie (b). Het toegewezen deel van de gevorderde schade moet door de verdachte worden vergoed. De rest van de gevorderde schade hoeft verdachte niet te vergoeden. Dat deel wijst het hof af.
Concluderend wordt de vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente, en voor het overige afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 57, 63, 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
181 (honderdeenentachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2019.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. E.W. van Weringh en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 8 mei 2026.
Mr. R. Godthelp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.