De man en vrouw zijn ouders van drie minderjarige kinderen en zijn in november 2023 uit elkaar gegaan. De kinderen wonen grotendeels bij de vrouw. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de twee weken van vrijdag 18.30 uur tot maandagochtend bij de man verblijven en de kinderalimentatie vastgesteld op € 5,- per kind per maand. De vrouw ging in hoger beroep tegen de alimentatie, stellende dat de draagkracht van partijen onjuist was berekend en vorderde een hogere alimentatie.
In hoger beroep heeft het hof de zorgregeling bekrachtigd, waarbij het tijdstip van overdracht op vrijdag 18.30 uur blijft, aansluitend bij de wens van het oudste kind. De alimentatieberekening is herzien waarbij het hof uitgaat van het netto besteedbaar inkomen van partijen, rekening houdend met werkelijke woonlasten en ouderschapsverlof. De man heeft een draagkracht van € 364,- per maand en de vrouw van € 1.209,- per maand. Gezien de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding op nihil gesteld vanaf 13 februari 2025.
De man had tot juni 2025 reeds alimentatie betaald op basis van een natuurlijke verbintenis, welke betalingen boven zijn draagkracht lagen. Het hof acht het redelijk dat de vrouw het teveel ontvangen bedrag terugbetaalt, wat zij feitelijk al doet door verrekening met toekomstige termijnen. De overige vorderingen zijn afgewezen.