Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2952

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.364.433/01, 200.364.433/02 en 200.364.433/03
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening Brussel II-terArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:251a BWArt. 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezags- en omgangsregeling na echtscheiding met verzoek tot raadsonderzoek

Partijen, ouders van twee jonge kinderen met Syrische nationaliteit, zijn in Turkije getrouwd en gescheiden volgens Islamitisch recht. De kinderen wonen sinds november 2023 bij de vader in Nederland, die het ouderlijk gezag uitoefent. De moeder verblijft sinds augustus 2025 in Nederland en onderhoudt contact via videobellen.

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de echtscheiding uitsprak en het gezag aan de vader toekende. Zij verzoekt onder meer om gezamenlijk gezag en een zorgregeling waarbij zij de helft van de zorg op zich neemt. De vader verzet zich hiertegen.

Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de echtscheiding, wijst haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het gezag af en wijst ook haar verzoek tot een voorlopige omgangsregeling af. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om een verantwoord oordeel te geven over het gezag en de omgang en verzoekt de raad voor de kinderbescherming een onderzoek in te stellen en uiterlijk 12 november 2026 te rapporteren. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de echtscheiding, haar verzoeken tot schorsing en voorlopige omgangsregeling worden afgewezen, en de raad wordt verzocht onderzoek te doen naar gezag en omgang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.364.433/01, 200.364.433/02 en 200.364.433/03
(zaaknummer rechtbank Overijssel 324345)
beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. C.M. Suurmeijer te Utrecht,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder,
advocaat: mr. M.F. Kiers te Deventer.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 29 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking is, met uitzondering van de daarbij uitgesproken echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in de zaaknummers 200.364.433/01 en 200.364.433/02 blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 27 januari 2026, waarin ook een schorsingsverzoek is opgenomen;
- een journaalbericht namens de moeder van 13 februari 2026 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 25 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- twee journaalberichten namens de moeder van 20 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift.
2.2
Het verloop van de procedure in zaaknummer 200.364.433/03 blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlage(n), ingekomen op 16 februari 2026;
- een brief van de raad van 25 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de moeder van 20 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift.
2.3
Op 13 april 2026 is de minderjarige [de minderjarige1] naar het hof gekomen. Zij heeft buiten aanwezigheid van partijen met de voorzitter van het hof gesproken.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. Suurmeijer en mr. Z. Shaikhli in het kader van zijn beroepsopleiding, en
- de vader, bijgestaan door mr. Kiers.
Beide partijen hadden een eigen tolk in de Arabische taal bij zich.
Mr. Shaikhli heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.
2.5
Na de mondelinge behandeling is in alle drie de zaken ingekomen een journaalbericht namens de moeder van 17 april 2026 met bijlage(n). De moeder geeft daarin aan dat haar tolk tijdens de zitting tweemaal een vertaalfout heeft gemaakt en zij verzoekt een en ander te corrigeren. Hoewel de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, slaat het hof toch acht op dit bericht, omdat in zaken van – kort gezegd – gezag en omgang uitgegaan moet worden van de juiste en recente feiten. De vader is in de gelegenheid gesteld om op het nagekomen bericht van de moeder te reageren. Namens hem is op 25 april 2026 een journaalbericht ingediend waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de door de moeder gewenste correcties. Omdat de onderwerpen van de ter discussie staande vertaalfouten niet relevant zijn voor de op dit moment door het hof te nemen (aanhoudings)beslissing, kan een beslissing op het correctieverzoek van de moeder verder achterwege blijven.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben elkaar in Turkije ontmoet na hun beider vlucht uit Syrië. Zij zijn [in]
2020 in Turkije getrouwd. Dit huwelijk is in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- dochter [de minderjarige1] , geboren [in] 2018 in Turkije, en
- zoon [de minderjarige2] , geboren [in] 2020 in Turkije,
over wie zij tot de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenden.
3.3
De ouders en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit. De vader is in 2022 naar Nederland gekomen en heeft hier asiel aangevraagd. De vader heeft een tijdelijke verblijfsvergunning tot 5 september 2027. De moeder is met de kinderen in Turkije gebleven. In januari 2023 zijn partijen naar Islamitisch recht gescheiden. De moeder heeft de kinderen in juni 2023 alleen gelaten in hun afgesloten woning. De kinderen zijn destijds door de brandweer met een hoogwerker uit huis gehaald. Vervolgens zijn de kinderen tijdelijk opgevangen door een buurman in Turkije. De moeder heeft op 7 augustus 2023 bij een Turkse notaris schriftelijk toestemming gegeven voor vertrek van de kinderen naar het buitenland. De vader heeft op 22 augustus 2023 voor de kinderen gezinshereniging aangevraagd. Op 29 november 2023 hebben de kinderen toestemming gekregen om naar Nederland te komen. Sindsdien wonen zij bij de vader. De vader woont samen met een nieuwe partner. Zij zijn getrouwd naar Islamitisch recht. De kinderen hebben een tijdelijke verblijfsvergunning tot 17 oktober 2028.
3.4
Tussen november 2023 en eind 2024 is er geen contact geweest tussen de kinderen en de moeder.
3.5
Sinds 13 augustus 2025 is ook de moeder in Nederland. Zij verblijft in een AZC en zit in de asielprocedure. De moeder ziet de kinderen inmiddels met enige regelmaat via videobellen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, is bepaald dat de vader met ingang van 29 oktober 2025 alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de kinderen van partijen en is het verzoek van de vader tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen afgewezen.
In de zaken met zaaknummers 200.364.433/01 en 200.364.433/02
4.2
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
29 oktober 2025. De grieven zien op de echtscheiding en het gezag. De moeder verzoekt
primair
- de beschikking van 29 oktober 2025 te vernietigen en de vader alsnog in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen, en
subsidiair
- de echtscheiding uit te spreken, dan wel de beschikking van 29 oktober 2025 op dit punt te bekrachtigen, met aanhechting van een ouderschapsplan aan de beschikking van het hof zodat deze geacht wordt van de beschikking onderdeel uit te maken, dan wel een zorgregeling vast te stellen waarbij de moeder de zorg voor de kinderen voor de helft op zich neemt van woensdagmiddag na school tot zaterdag 17:00 uur en de vakanties bij helfte worden verdeeld, mocht het partijen niet lukken om tot een ouderschapsplan te komen;
- te bepalen dat de moeder belast wordt met het gezag over de kinderen zodat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De moeder verzoekt ook de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing omtrent het gezag te schorsen.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt de grieven van de moeder te verwerpen, kosten rechtens. De vader wil dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de gezagsbeslissing in stand blijft.
In de zaak met zaaknummer 200.364.433/03
4.4
De moeder verzoekt een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat zij gerechtigd is de kinderen bij zich te hebben om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, voor de duur van het hoger beroep.
4.5
De vader voert verweer en hij vraagt het verzoek van de moeder te verwerpen, althans een omgangsregeling te treffen die recht doet aan de situatie en belangen van de kinderen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

Echtscheiding
5.1
De moeder heeft ter zitting haar grieven tegen de door de rechtbank tussen partijen uitgesproken echtscheiding ingetrokken. Daarmee komen alle op de echtscheiding betrekking hebbende stellingen te vervallen. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen de echtscheiding.
Gezag en omgang
De rechtsmacht en het toepasselijke recht
5.2
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen zich in Nederland bevindt, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro de Verordening Brussel II-ter rechtsmacht.
5.3
De rechtbank heeft op grond van de artikelen 15 lid 1 en 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlandse recht toegepast. Partijen hebben daar geen grieven tegen gericht. Het hof zal daarom ook het Nederlandse recht toepassen.
Wettelijk kader
5.4
Op grond van artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.5
Overeenkomstig het advies van de raad heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem voortaan alleen het gezag over de kinderen te geven toegewezen. De rechtbank vond dat noodzakelijk in het belang van de kinderen. Overeenkomstig de stellingen van de vader ging de rechtbank er in haar beslissing van uit dat de moeder sinds juni 2023 niet meer betrokken was in het leven van de kinderen en dat zij onbereikbaar en onvindbaar was voor de vader. De moeder heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd en is niet op de zitting verschenen. Het is voor het eerst in de procedure in hoger beroep dat de moeder van zich laat horen. Haar verhaal over de feitelijke gang van zaken gedurende de afgelopen jaren staat haaks op dat van de vader. De moeder stelt dat de vader haar bewust buiten spel heeft gezet en bij de kinderen heeft weggehouden. De moeder wil niets liever dan volwaardig onderdeel zijn van het leven van de kinderen en hen zo spoedig mogelijk weer in het echt zien. Daarom is zij ook met gevaar voor eigen leven naar Nederland gereisd.
5.6
Het hof acht zich op grond van de op dit moment beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven over het gezag en de zorg- of omgangsregeling. Niet ter discussie staat dat de moeder de hoofdverzorger en -opvoeder van de kinderen was in de jaren dat partijen samenleefden in Turkije. Evenmin staat ter discussie dat de moeder al langere tijd op regelmatige basis contact met de kinderen heeft via videobellen. Partijen regelen dat in onderling overleg. Het hof is van oordeel dat deze jonge kinderen de moeder ook weer in levende lijve moeten kunnen gaan ontmoeten nu zij in Nederland is. Aan de andere kant hebben de kinderen in de thuissituatie bij de moeder in Turkije heftige gebeurtenissen meegemaakt, wat de exacte toedracht daarvan ook is. Daarbij komt dat de kinderen in ieder geval meer dan een jaar helemaal geen contact met de moeder hebben gehad. [de minderjarige2] is nog zo jong dat hij zich zijn eerste jaren met de moeder nauwelijks kan herinneren. [de minderjarige1] heeft de heftige gebeurtenissen in Turkije meer bewust meegemaakt. Dat heeft hoe dan ook wat gedaan met haar vertrouwen in de moeder. Deze achtergrond in combinatie met de onzekere verblijfsstatus en woonsituatie van de moeder maakt dat het hof het verzoek van de moeder om een regeling vast te stellen waarbij zij de helft van de zorg voor de kinderen heeft (nu nog) niet reëel vindt. Het contact tussen de moeder en de kinderen moet eerst onder professionele begeleiding zorgvuldig worden opgebouwd, waarbij aandacht is voor wat de kinderen in Turkije hebben meegemaakt en welke gevolgen daaraan verbonden moeten zijn voor een (veilig en prettig verlopende) contactregeling. In hoger beroep is gebleken dat in deze zaak culturele aspecten en ingewikkelde familieverhoudingen een rol spelen. Dat maakt de situatie nog gecompliceerder en vraagt extra voorzichtigheid. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen naar het ouderlijk gezag en de zorg- of omgangsregeling. De raad zal worden verzocht om hierover te rapporteren. Het hof verzoekt de raad dat uiterlijk
12 november 2026 te doen. Overigens staat niets partijen in de weg om alvast te gaan werken aan (verder) contactherstel tussen de moeder en de kinderen. De gemeente kan partijen daarbij helpen. De gemeente is al betrokken bij het gezin vanwege het albinisme van [de minderjarige1] en de specifieke ondersteuning die dat vraagt. Mochten partijen via de gemeente tot een begeleide omgangsregeling komen dan wordt de raad verzocht het verloop daarvan mee te nemen in zijn onderzoek.
Schorsing
5.7
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
5.6
De rechtbank heeft de beslissing over het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dit niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
5.7
Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de beslissing van de rechtbank, dat de vader op dit moment alleen het gezag uitoefent, te schorsen. De moeder heeft haar verzoek tot schorsing nauwelijks onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat de beslissing van de rechtbank op een ‘kennelijke misslag’ berust. Evenmin is gebleken dat het belang van de moeder om het gezamenlijk gezag tijdens de procedure in hoger beroep te laten voortduren, zwaarder weegt dan het belang van de vader om het ouderlijk gezag meteen zelfstandig te kunnen uitoefenen. Op dit moment voldoet de vader aan zijn verplichting om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de moeder te bevorderen. [2] De ouders hebben via Whatsapp laagdrempelig contact met elkaar. De moeder videobelt regelmatig met de kinderen, die volgens haar dan blij en vrolijk zijn. Aansluitend spreken de ouders elkaar en informeert de vader de moeder over het wel en wee van de kinderen. Niet gebleken is dat er op korte termijn belangrijke beslissingen over de kinderen genomen moeten worden, waarover de moeder zou moeten meebeslissen. Het hof acht de belangen van de moeder in de huidige situatie voldoende gewaarborgd. Hoewel zich na de bestreden beschikking nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden, rechtvaardigen die feiten op dit moment niet dat van de bestreden beschikking wordt afgeweken. Voordat tot dat oordeel kan worden gekomen zal eerst de raad onderzoek moeten doen.
Voorlopige voorziening
5.8
Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening, gelet op het bepaalde in artikel 821 Rv Pro.
5.9
Ter zitting is naar voren gekomen dat beide partijen willen toewerken naar een vorm van fysieke omgang tussen de moeder en de kinderen. Zoals hiervoor overwogen, kunnen zij dat mogelijk via de gemeente op gang brengen. In de huidige situatie kan het hof echter niet anders dan de door de moeder gevraagde voorlopige omgangsregeling afwijzen. Bij gebrek aan informatie weet het hof niet wat in het belang is van deze kinderen, die nog zeer jong zijn en al veel hebben meegemaakt. Het raadsonderzoek zal daarin meer duidelijkheid moeten verschaffen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
In de zaak met zaaknummer 200.364.433/01
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de echtscheiding;
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad onderzoek te doen naar het ouderlijk gezag en de zorg- of omgangsregeling en daaromtrent uiterlijk 12 november 2026 te rapporteren;
bepaalt dat de ouders na verzending van het raadsrapport twee weken de tijd hebben om daarop een reactie bij het hof in te dienen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;
In de zaak met zaaknummer 200.364.433/02
wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing;
In de zaak met zaaknummer 200.364.433/03
wijst af het verzoek van de moeder om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. C. Coster, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,
2.Artikel 1:247 lid 3 BW Pro