Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.362.215
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder voor vervangende toestemming reizen met minderjarige naar Suriname

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2024. De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort voor het kind, zodat zij samen naar Suriname kon reizen om familie te bezoeken. De vader vreesde dat de moeder met het kind zou emigreren en verzette zich tegen het verzoek.

De rechtbank wees het verzoek af, waarna de moeder in hoger beroep ging met vier grieven. Het hof heeft de zaak behandeld en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overwoog dat de moeder onvoldoende vertrouwen wekte dat zij met het kind zou terugkeren uit Suriname, mede vanwege het frustreren van de zorgregeling en het gebrek aan medewerking aan hulpverlening.

De vader had zijn vrees onderbouwd met een geluidsopname en stelde dat de moeder weinig binding met Nederland heeft. De moeder ontkende emigratieplannen en stelde dat zij een woning, werk en familie in Nederland heeft. Het hof vond echter dat de belangen van het kind en de vrees van de vader zwaarder wegen en wees het verzoek af.

De beslissing betekent dat de moeder geen vervangende toestemming krijgt voor het aanvragen van een paspoort en het reizen met het kind naar het buitenland, waarmee de beschikking van de rechtbank ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor het reizen met het minderjarige kind naar Suriname af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.215
(zaaknummer rechtbank Overijssel 334875)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.A. Isik-Altundag,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.A. Offermans.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 1 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 december 2025;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht namens de moeder van 27 maart 2026 met producties;
  • een journaalbericht namens de vader van 1 april 2026 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024.
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.3
De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor [de minderjarige] . De moeder wil samen met [de minderjarige] naar haar familie in Suriname, zo blijkt uit het inleidende verzoek.
3.4
De vader heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en de rechtbank gevraagd het verzoek van de moeder af te wijzen. Subsidiair heeft de vader verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitsbewijs met een beperkte territoriale geldigheid voor reizen binnen Europa, zodat de moeder [de minderjarige] niet kan meenemen naar Suriname. De vader is bang dat de moeder met [de minderjarige] in Suriname zal (willen) blijven.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een reisdocument voor [de minderjarige] afgewezen.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • haar verzoek om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] alsnog toe te wijzen; en
  • haar verzoek om vervangende toestemming te verlenen voor het reizen met [de minderjarige] naar het buitenland toe te wijzen.
4.3
De vader voert verweer. De vader vraagt het hof om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep dan wel deze verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat er in de wet?
5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
Wat voeren partijen in hoger beroep aan?
5.3
De moeder legt, kort gezegd, aan haar verzoek ten grondslag dat zij samen met [de minderjarige] naar Suriname wil reizen om daar haar zieke oma - de oma van de moeder - te bezoeken en afscheid van haar te nemen. De moeder is niet van plan om naar Suriname te emigreren; zij komt gewoon terug naar Nederland. De moeder heeft binding met Nederland, omdat zij hier een woning en werk heeft en omdat familie van de moeder grotendeels in Nederland woont. Bovendien beschikt de moeder niet over de financiële middelen om naar Suriname te emigreren. De moeder voert tot slot aan dat zij nog nooit zonder toestemming van de vader heeft gehandeld, zodat er ook daarom geen reden is om aan te nemen dat de moeder als zij met [de minderjarige] naar Suriname gaat niet naar Nederland zal terugkeren.
5.4
De vader heeft in hoger beroep zijn vrees dat de moeder met [de minderjarige] naar Suriname zal emigreren - en dus niet zal terugkeren naar Nederland - herhaald. Volgens de vader is [de minderjarige] uitsluitend nog in Nederland en niet in Suriname, omdat zij niet beschikt over een paspoort. De plannen van de moeder om naar Suriname te emigreren zijn volgens de vader weloverwogen en goed doordacht. Hij refereert aan een overlegde geluidsopname van een gesprek met de moeder. De moeder is van Surinaamse afkomst en zij heeft volgens de vader weinig binding met Nederland. De moeder legt in dat kader tegenstrijdige verklaringen af over het al dan niet hebben van betaald werk in Nederland. Het bestaan van haar huidige baan is door de moeder bovendien niet onderbouwd. Tot slot heeft de vader betoogd dat de moeder de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] blijft frustreren, waardoor het vertrouwen van de vader dat de moeder zich aan de regels houdt, tot een dieptepunt is gedaald. De gang van zaken rondom de zorgregeling versterkt de vrees voor een blijvend vertrek van [de minderjarige] .
Hoe oordeelt het hof?
5.5
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt, zal het hof beide verzoeken van de moeder in hoger beroep afwijzen. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking in stand zal laten (zal bekrachtigen). Het hof voegt aan de overwegingen van de rechtbank nog het volgende toe.
5.6
Het hof overweegt dat door de moeder in hoger beroep geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die leiden tot andere overwegingen dan die van de rechtbank. In hoger beroep is in aanvulling hierop gebleken dat de moeder niet of in ieder geval onvoldoende haar medewerking verleent aan hulpverlening en dat zij de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] frustreert. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is bovendien gebleken dat de vader en [de minderjarige] elkaar daardoor al een maand niet hebben gezien. De bezwaren die de moeder opwerpt tegen de zorgregeling zijn door de vader weersproken en door de moeder niet nader onderbouwd. Het handelen van de moeder, mede bezien in het licht van haar verklaringen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep, maakt dat het hof weinig vertrouwen heeft in de garantie van de moeder dat zij met [de minderjarige] zal terugkeren uit Suriname als aan haar vervangende toestemming wordt verleend. Het gebeuren rondom de zorgregeling versterkt veeleer de vrees dat de moeder tracht het contact met de vader te beperken, voorsorterend op een vertrek met [de minderjarige] naar Suriname. Het hof zal deze vervangende toestemming voor een paspoort voor [de minderjarige] daarom afwijzen, evenals die voor het reizen met [de minderjarige] naar het buitenland.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 1 september 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.