De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over kinderalimentatie en bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie. De man en de meerderjarige dochter zijn in hoger beroep gekomen tegen de vastgestelde alimentatiebedragen en ingangsdata, terwijl de vrouw zowel verweer voert als incidenteel hoger beroep instelt.
De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van € 631 per maand kinderalimentatie voor de minderjarige met ingang van 1 december 2024 en een bijdrage van € 50 per maand door de vrouw aan de meerderjarige dochter vanaf 1 januari 2025. Het hof bevestigt deze bedragen en ingangsdata, waarbij het verzoek van de vrouw om de alimentatie voor de minderjarige met ingang van 1 juni 2024 te laten ingaan wordt gepasseerd.
De man stelde dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft en dat van een fictief fulltime inkomen moet worden uitgegaan. Het hof oordeelt echter dat het feitelijke inkomen van de vrouw leidend is, omdat zij nog niet in staat is fulltime te werken en nog steeds hulpverlening ontvangt. De draagkracht van de vrouw laat slechts een bijdrage van € 50 per maand voor de meerderjarige dochter toe, gelijk aan het bedrag dat zij ook voor de minderjarige kan bijdragen.
De grieven van partijen falen en het hof bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank. De vrouw wordt geacht een totale draagkracht van € 100 per maand te hebben voor beide dochters samen, zonder dat de aanvullende behoefte van de meerderjarige verder hoeft te worden besproken.