Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2962

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.363.557
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag moeder over minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De zaak betreft het hoger beroep van een moeder tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel die het gezag over haar minderjarige zoon beëindigde en een gecertificeerde instelling tot voogd benoemde. De minderjarige verblijft sinds zijn geboorte bij pleegouders op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing.

De moeder betwistte dat haar zoon in zijn ontwikkeling wordt bedreigd bij terugkeer naar haar en stelde dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing nog niet was verstreken. Zij benadrukte haar liefdevolle zorg en hoopte op een eigen woning om voor haar zoon te kunnen zorgen. De raad voor de kinderbescherming stelde dat de moeder geen stabiele woon- en leefsituatie heeft en onvoldoende reflecteert op haar handelen, terwijl de pleegouders een stabiele en veilige opvoedomgeving bieden.

Het hof oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing ruimschoots is verstreken. De continuïteit en stabiliteit bij de pleegouders wegen zwaarder dan het belang van de moeder. De moeder heeft onvoldoende gebruik gemaakt van kansen om haar opvoedcapaciteiten te tonen. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige en benoemt een gecertificeerde instelling tot voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.557
(zaaknummer rechtbank Overijssel 336771)
beschikking van 12 mei 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
wonend op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Almelo,
verweerder in hoger beroep,
en
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
en
[de pleegouders](de pleegouders).

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ontvangen op 14 januari 2026;
  • het verweerschrift van de raad met een productie;
  • een ongedateerde brief van de pleegouders, ingekomen bij het hof op 23 maart 2026, waarin de pleegouders zich afmelden voor de mondelinge behandeling.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. J. Koenen,
  • een vertegenwoordiger van de raad,
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

3.De feiten

3.1
[de minderjarige] ( [de minderjarige] ) is de zoon van de moeder. [de minderjarige] is geboren [in] 2024. Tot de bestreden beschikking was de moeder alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De kinderrechter heeft [de minderjarige] reeds voor zijn geboorte, bij beschikking van 4 december 2024, onder toezicht gesteld van de GI tot 4 december 2024. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 4 december 2025.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 december 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is daarna verlengd tot 4 december 2025.
3.4
[de minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte op grond van deze machtiging bij de pleegouders.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag over [de minderjarige] beëindigd en William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering benoemd tot voogd over [de minderjarige] .
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4.3
De raad voert verweer en vraagt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
5.2
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Wat vinden partijen?
5.3
De moeder kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. De moeder meent dat er geen sprake is van een situatie waarbij [de minderjarige] als hij bij haar zou (gaan) wonen zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Door zijn jonge leeftijd krijgt [de minderjarige] volgens de moeder ook niet veel mee van de strijd over zijn toekomstperspectief. De moeder vindt dat de aanvaardbare termijn voor thuisplaatsing nog niet is verstreken. Bovendien, zo voert de moeder aan, vormt de omstandigheid dat de pleegouders duidelijkheid nodig hebben over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] geen grond om het gezag van de moeder te beëindigen. De moeder heeft nooit een kans gekregen om te laten zien dat zij voor [de minderjarige] kan zorgen, omdat [de minderjarige] direct na zijn geboorte uit huis is geplaatst. De moeder is liefdevol in de zorg en opvoeding en kan [de minderjarige] rust en regelmaat bieden als zij beschikt over een eigen woning. De moeder verblijft nu bij een vriend, maar zij hoopt op korte termijn een eigen woning te krijgen.
5.4
De raad voert aan dat de woonsituatie van de moeder al langere tijd niet stabiel is. Dat was het al niet ten tijde van het raadsonderzoek en dat is het nu nog steeds niet. Het is ook niet duidelijk wanneer de moeder over eigen woonruimte zal beschikken. De moeder voert aan dat zij [de minderjarige] orde en regelmaat kan bieden als zij beschikt over een eigen woning, maar volgens de raad kijkt de moeder daarbij alleen naar haar eigen belang en niet naar het belang van [de minderjarige] . De moeder houdt moeite met het accepteren van de uithuisplaatsing, ook al duurt deze al langere tijd. Er is volgens de raad geen sprake meer van thuisplaatsing. Een breuk met de pleegouders zal bij [de minderjarige] leiden tot een breuk in zijn hechting en dat is volgens de raad niet in het belang van [de minderjarige] . De pleegouders bieden [de minderjarige] een stabiele, sensitieve en voorspelbare opvoedomgeving. Dat is bij de moeder niet het geval. De raad voert tot slot aan dat [de minderjarige] en de pleegouders behoefte hebben aan duidelijkheid en continuïteit. Dat kan hen worden geboden als het gezag van de moeder wordt beëindigd.
Hoe oordeelt het hof?
5.5
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] moet worden beëindigd. Het hof overweegt, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat het voor [de minderjarige] , de pleegouders, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder - de overigens heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige] zal zorgen. Dat oordeelt het hof alleen niet in het belang van [de minderjarige] , omdat de aanvaardbare termijn daarvoor ruimschoots is verstreken. [de minderjarige] woont immers al sinds zijn geboorte bij de pleegouders en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegouders bieden [de minderjarige] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele woon- en leefsituatie. De moeder woont bij haar vriend en zijn kinderen en [de minderjarige] zou daar niet kunnen wonen, zo geeft moeder ook zelf aan. Er is bovendien slechts sporadisch contact tussen de moeder en [de minderjarige] , mede doordat de moeder niet altijd lukt om afspraken na te komen. De moeder blijft bovendien de oorzaken van alle problemen buiten zichzelf leggen. Het lukt haar met andere woorden niet om te reflecteren op haar eigen handelen en de gevolgen van haar handelen op [de minderjarige] , zoals rondom de omgang, in te zien. Daardoor lukt het de moeder ook niet om het belang van [de minderjarige] voor haar eigen belang te stellen.
5.6
Voor zover de moeder in hoger beroep aanvoert dat zij nooit een reële kans heeft gekregen om te laten zien dat zij in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen, overweegt het hof nog het volgende. In het raadsrapport van 1 augustus 2025 is te lezen dat de moeder open stond om gebruik te maken van de mogelijkheden van een moeder-kindhuis na de geboorte van [de minderjarige] . Al voor de geboorte van [de minderjarige] , in december 2023, is de moeder in dat kader gaan wonen bij [naam] , een moeder-kindplek. Daar is de moeder in conflict geraakt met de begeleiding, maar heeft zij desondanks toch nog een tweede kans gekregen. Ook die tweede kans is niet geslaagd en daarop moest de moeder nog voor de geboorte van [de minderjarige] vertrekken. Daarna is gezocht naar een andere moeder-kindvoorziening, maar de moeder is niet aangenomen op twee andere plekken, omdat zij hier eerder (met haar andere kinderen) met problemen is vertrokken. Het hof is van oordeel dat hieruit blijkt dat de moeder niet in staat is gebleken om de kansen die zij kreeg voldoende te benutten. En ook hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat het de moeder niet lukt om te reflecteren op haar eigen handelen en om het belang van [de minderjarige] voor haar eigen belang te stellen.
Proceskosten
5.7
Het hof zal bepalen dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt, met andere woorden: de proceskosten compenseren.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8
De machtiging in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 december 2025;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind