Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2975

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.357.789
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:392 BWArt. 1:404 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en alimentatie na echtscheiding

Na ontbinding van het huwelijk van de ouders en diverse voorlopige voorzieningen, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinder- en partneralimentatie, en overige geschilpunten.

De ouders hebben twee minderjarige kinderen over wie zij gezamenlijk gezag uitoefenen. De rechtbank had eerder bepaald dat de kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP) bij de vader stonden ingeschreven en een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen wisselend bij beide ouders verbleven. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beslissingen, met name over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en alimentatie.

Het hof oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt vastgesteld, mede omdat de kinderen praktisch iets meer bij haar verblijven en het zwaartepunt van de zorg tijdens het huwelijk bij haar lag. De co-ouderschapsregeling wordt grotendeels gehandhaafd, maar met aangepaste wisselmomenten om de rust voor de kinderen te bevorderen. De kinderalimentatie wordt aangepast op basis van draagkrachtberekeningen, waarbij de vader een hogere bijdrage moet leveren. Verzoeken van de vader met betrekking tot kinderbijslag, kindgebonden budget, huisdieren en spaarrekeningen worden afgewezen of niet toegewezen. De partneralimentatie wordt niet toegekend vanwege het ontbreken van draagkracht bij de vader.

Uitkomst: Het hof stelt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vast, handhaaft een aangepaste co-ouderschapsregeling en wijzigt de kinderalimentatieverplichtingen van de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.789
(zaaknummer rechtbank Gelderland 430618)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.P. Barské-Gelling,
en
[verweerder] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.M. Cats.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2025, aangevuld bij herstelbeschikking van 17 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 430618. Die beschikking wordt hierna ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 25, bij het hof binnengekomen op 6 augustus 2025;
- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep en vermeerdering van verzoeken, met producties 1 tot en met 3;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Barské-Gelling van 26 februari 2026, met producties 26 en 27;
- een journaalbericht van mr. Cats van 27 februari 2026, met producties 4 tot en met 6;
- een journaalbericht van mr. Barské-Gelling van 4 maart 2026, met producties 28 en 29.
2.2
Op 9 maart 2026 hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij hebben verteld hoe het met hen gaat en gezegd wat zij vinden van een aantal discussiepunten die in deze procedure spelen, zoals de zorgregeling en de huisdieren.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2026 plaatsgevonden. De ouders waren met hun advocaten aanwezig. Daarnaast was er een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de ouders is op 23 december 2024 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De ouders hebben twee kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [woonplaats]
(hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016 in [woonplaats]
(hierna: [de minderjarige2] ), over wie zij samen het gezag uitoefenen.
3.3
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 8 februari 2024 (in combinatie met
herstelbeschikkingen van 8 april 2024 en 22 mei 2024) heeft de rechtbank bepaald:
- dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd;
- dat er een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)
geldt op basis waarvan de kinderen bij de vader verblijven:
* iedere donderdag tot en met zaterdag;
* de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen gedurende vakanties van één week de ene keer bij de vader en de andere keer bij de moeder verblijven en langere vakanties bij helfte worden gedeeld;
- dat de vader met ingang van 26 januari 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) aan de moeder betaalt van € 370,- per kind per maand;
- dat de moeder het uitsluitende gebruik heeft van de echtelijke woning en dat de vader de helft van de hypotheek- en overige eigenaarslasten van de woning zal blijven betalen.
3.4
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank:
- de echtscheiding uitgesproken
- bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
- als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat de kinderen bij de vader verblijven:
* iedere donderdag tot en met zaterdag;
* gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen gedurende vakanties van één week de ene keer bij de vader en de andere keer bij de moeder verblijven en langere vakanties bij helfte worden gedeeld. Voor 2024 heeft de rechtbank daarnaast een concrete regeling vastgesteld.
- de raad verzocht onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, en een rapport op te maken;
- bepaald dat de vader voorlopig € 370,- per kind per maand betaalt als kinderalimentatie;
- de definitieve beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinder- en partneralimentatie aangehouden
3.5
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voortaan ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) bij de vader;
- als zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :
de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, met het wisselmoment op maandag na school;
- een regeling vastgesteld voor de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;
- bepaald dat de vader voor de periode van 17 oktober 2024 tot aan de datum van de beschikking (15 mei 2025) een bedrag van € 370 per kind per maand, en vanaf de datum van de beschikking een bedrag van € 244 per kind per maand moet betalen aan de moeder, als kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
- bepaald dat de vader deze kinderalimentatie, wat de toekomstige termijnen betreft, steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
3.6
Bij herstelbeschikking van 17 november 2025 heeft de rechtbank de bestreden beschikking aangevuld met de volgende beslissing:
“ (de rechtbank) bepaalt dat de vakanties ingaan op het moment dat de kinderen uit school komen en eindigen op het moment dat de kinderen weer naar school gaan”.

4.De omvang van het geschil

4.1
In hoger beroep hebben de ouders een aantal geschilpunten aan het hof voorgelegd. Dat zijn:
- de zorgregeling;
- de hoofdverblijfplaats en/of inschrijving van de kinderen op het adres van een ouder;
- kinderalimentatie;
- partneralimentatie;
- recht op de kinderbijslag en het kindgebonden budget;
- huisdieren;
- spaarrekeningen van de kinderen;
- begin en einde van de vakanties.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt in het principaal hoger beroep bepaalde delen van de bestreden beschikking te vernietigen en:
A. te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij haar dan wel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op haar adres ingeschreven zullen staan in de BRP;
B. een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen:
de ene week drie dagen bij hun vader verblijven van donderdagochtend tot zaterdagavond en de overige dagen bij haar;
de andere week vier dagen bij hun vader verblijven van woensdagochtend tot zaterdagavond en de overige dagen bij haar;
met wisselmomenten in de ochtenden om 08.30 uur en in de avonden om 20.30 uur;
alsmede dat de regeling voor de vakanties en feestdagen zal zijn zoals de rechtbank heeft bepaald;
C. te bepalen dat de vader gehouden is om:
voor de periode van 17 oktober 2024 tot 15 mei 2025 € 370,- per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen (en voor die periode dus de bestreden beschikking te bekrachtigen), en met ingang van 15 mei 2025 € 450,- per kind per maand te betalen, steeds bij vooruitbetaling;
D. te bepalen dat de vader gehouden is om vanaf 23 december 2024 aan haar een bijdrage in haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) te voldoen van € 550,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
4.3
De vader heeft verweer gevoerd in het principaal hoger beroep. Hij vraagt het hof om de (gronden van de) verzoeken van de moeder af te wijzen.
4.4
De vader is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen.
Hij verzoekt bij wege van incidenteel appel/vermeerdering van verzoek, om de bestreden beschikking te vernietigen, althans aan te vullen, door bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld bij hem;
II. voorwaardelijk: te bepalen dat de kinderen op zijn adres worden ingeschreven;
III. te bepalen dat hij is gerechtigd tot (100% van) de kinderbijslag en het kindgebonden budget en de moeder gehouden is de, vanaf 1 juli 2025 ontvangen, kinderbijslag aan hem te vergoeden binnen zeven dagen na de afgifte van de beschikking;
IV. de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het afgeven van de huisdieren aan de kinderen zodat de huisdieren de zorgregeling volgen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat de moeder de afgifte van de huisdieren verhindert;
V. de moeder te veroordelen binnen drie maanden na de datum van de beschikking
€ 1.694,83 op de spaarrekening van [de minderjarige1] en € 1.694,83 op de spaarrekening van [de minderjarige2] te storten en gestort te houden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf drie maanden na de datum van de beschikking;
VI. te bepalen dat de vakanties beginnen op de laatste schooldag voor de vakantie
en eindigen op de eerste schooldag na de vakantie en dat het wisselmoment in meerweekse vakanties is op de zondag van het middelste weekend om 10:00 uur.
4.5
De moeder heeft in haar verweerschrift op het incidentele hoger beroepschrift het hof gevraagd de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele hoger beroep en aanvullende verzoeken, dan wel die verzoeken af te wijzen.
Zij heeft ook haar eigen verzoeken vermeerderd. Zij verzoekt het hof haar verzoek onder A. (over de hoofdverblijfplaats) aan te vullen met een subsidiair verzoek dat luidt dat het hof bepaalt dat [de minderjarige1] op het adres van de vader wordt ingeschreven en [de minderjarige2] op haar adres.
Daarnaast heeft de moeder het hof verzocht te bepalen zij gerechtigd is tot (100% van de) kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat de vader is gehouden de door hem vanaf
1 juli 2025 ontvangen kinderbijslag aan haar te vergoeden binnen zeven dagen na de afgifte van de beschikking.

5.De motivering van de beslissing

Het juridische kader5.1 De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter (bij gezamenlijk gezag) op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer de vaststelling van een zorgregeling omvatten, en ook een beslissing over de vraag bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben.
5.2
De rechter neemt een zodanige beslissing als in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij die beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.
Hoofdverblijfplaats
5.3
De ouders hebben ieder (primair) verzocht om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij hen vast te stellen.
Voor het vaststellen van de hoofdverblijfplaats wordt vaak als uitgangspunt genomen dat dit de plaats is waar de kinderen feitelijk het meest verblijven, dus waar het zwaartepunt van de zorg ligt. Op dit moment hebben de ouders de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdeeld en het hof zal ook oordelen (zie hierna onder 5.6) dat het – los van de vraag hoe de weekdagen concreet moeten worden verdeeld – in het belang is van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat het zogenoemde ‘co-ouderschap’ tussen de ouders in stand blijft.
Daarmee zou stroken dat er geen hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld. De rechtbank heeft dat ook zo beslist. Omdat beide ouders een verzoek doen tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats, zal het hof toch een beslissing op hun verzoeken nemen.
Hoewel de ouders de zorgtaken gelijkelijk verdelen, is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt vastgesteld. Daarmee ligt voor de hand dat de kinderen ook in de BRP bij de moeder worden ingeschreven. Op de subsidiaire verzoeken van de ouders (inschrijven van de kinderen op één adres, dan wel ieder kind op een ander adres) zal het hof daarom geen beslissing meer nemen.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen en in de echtscheidingsbeschikking zijn de kinderen aan de moeder toevertrouwd en is de hoofdverblijfplaats voorlopig bij de moeder bepaald. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de kinderen in de BPR bij de vader moeten worden ingeschreven. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat de kinderen in de BRP bij de vader moeten worden ingeschreven, ten grondslag gelegd dat het rust voor de kinderen creëert, in het bijzonder omdat de vader praktische zaken beter regelt dan de moeder.
De ouders zijn het er echter over eens dat de situatie na de bestreden beschikking nog steeds onrustig is; zij kunnen het over veel zaken niet eens worden. Dat lijkt los te staan van de BRP-inschrijving van de kinderen.
Het hof heeft verder gelezen en gehoord dat het met de moeder beter gaat. Niet valt in te zien dat zij in de toekomst praktische zaken niet net zo goed zou kunnen regelen als de vader, zeker waar zij onweersproken heeft aangevoerd dat het zwaartepunt van de zorg tijdens het huwelijk bij haar lag. Het hof ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen aanleiding anders te oordelen dan in de voorlopige voorziening en echtscheidingsbeschikking is gedaan.
De moeder heeft aangevoerd dat zij, omdat zij minder verdient dan de vader, recht heeft op een hoger kindgebonden budget dan de vader. De vader heeft dat niet betwist, hoewel hij meent dat het hogere bedrag gezien het inkomen van de moeder, aan de moeder ten goede zal komen. Het hof overweegt dat vaststelling van hoofdverblijfplaats (of inschrijving in de BRP) niet onderscheidend is voor uitbetaling van de kinderbijslag. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kijkt naar de feitelijke zorgverdeling en niet naar het inschrijvingsadres. Het kindgebonden budget wordt in beginsel wel aan één ouder uitbetaald door de Belastingdienst, en dat is aan de (hoofd)aanvrager van het kindgebonden budget. Het hof weegt dit financiële argument dus niet mee bij vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
Wel wordt, ten slotte, meegewogen dat in de door het hof vast te stellen zorgregeling, de kinderen bij beide ouders zeven weekdagen verblijven, maar (in een periode van twee weken) acht nachten bij de moeder slapen en zes nachten bij de vader. Daarmee zijn zij praktisch gezien net iets meer bij de moeder dan bij de vader.
Het hof zal, gelet op al het voorgaande, beslissen dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.
Vakantieregeling
5.4
De ouders hadden al overeenstemming bereikt over het begin- en eindpunt van de vakanties. De rechtbank heeft dat in een herstelbeschikking op 17 november 2025 opgenomen (zie ook onder 3.6 van deze beschikking). Tot zover behoeft het verzoek van de vader (onder VI) geen bespreking meer.
De ouders hadden nog geen overeenstemming over het wisselmoment tijdens de langere vakanties maar tijdens de mondelinge behandeling hebben zij ook daarover overeenstemming bereikt. Het hof zal deze afspraak, te weten dat het wisselmoment valt op de zondagochtend om 10 uur, vastleggen in de beslissing (het ‘dictum’).
Reguliere zorgregeling
5.5
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad het hof geadviseerd de huidige zorgregeling te handhaven, ook al brengt dit veel onrust mee voor de kinderen. [de minderjarige1] heeft in haar gesprek met de rechter bij het hof verteld dat zij een voorkeur heeft voor ‘de oude regeling’ en zij volhardt ook in die wens. De oude regeling is de regeling van 17 oktober 2024, waarbij de kinderen van donderdag tot en met zaterdag bij de vader waren en de andere weekdagen bij de moeder. Bij de raad voor de kinderbescherming hadden de kinderen ook al verteld dat zij het liefst terug zouden willen naar die regeling. De kinderen vinden een aaneengesloten week erg lang; zij missen dan hun (beide) ouders voor een te lange periode. Dit geldt temeer waar er onvoldoende ruimte en flexibiliteit lijkt te bestaan om tussendoor een bezoek aan de andere ouder te brengen. De kinderen hebben verder te kennen gegeven dat zij graag de maandagen bij hun moeder zijn omdat ze op die dag contact hebben met hun familie de grootouders en de neven).
5.6
Het hof heeft goed geluisterd naar de kinderen en heeft geen aanwijzing dat de kinderen niet ‘authentiek’ hebben verklaard, zoals de vader heeft aangevoerd. Het hof heeft ook geluisterd naar de argumenten van de ouders maar heeft vooral acht geslagen op wat de kinderen graag willen.
Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat de beide ouders zoveel mogelijk een gelijk aandeel blijven houden in hun zorg en opvoeding. Het hof ziet echter in dat de huidige regeling niet de rust heeft gebracht die het doel van de week-op-week-af regeling was, ook niet na verloop van tijd. Het hof zal daarom de co-ouderschapsregeling grotendeels handhaven, maar het wisselmoment in het belang van de kinderen aanpassen.
- de ene week het wisselmoment vast te stellen op woensdagavond 20.30 uur en
zaterdagavond 20.30 uur;
-de andere week het wisselmoment vast te stellen op woensdagochtend 8.30 uur en
zaterdagavond 20.30 uur.
Dat betekent dat de kinderen in een tweewekelijkse periode bij beide ouders zeven weekdagen verblijven, en dat zij acht nachten bij de moeder slapen en zes nachten bij de vader. Het staat de ouders vanzelfsprekend vrij om in onderling overleg andersluidende of aanvullende afspraken te maken, bijvoorbeeld dat en wanneer [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een heel weekend bij de vader verblijven. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden dat de vader eens per maand een volledig weekend met de kinderen kan doorbrengen. Het hof kan zich voorstellen dat de ouders afspraken over de weekends zo spoedig mogelijk, en voor een langere periode, vastleggen.
5.7
Het hof ziet geen noodzaak om een nader onderzoek door de raad te gelasten waar het om de zorgregeling gaat. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gesproken over de eventuele noodzaak van een beschermingsonderzoek. Voor zover de raad dat nodig zou vinden, kan de raad zo’n onderzoek zelfstandig starten.
Huisdieren
5.7
De vader heeft (onder IV) verzocht om – op straffe van een dwangsom – in de beschikking op te nemen dat de huisdieren (hond en kat) de zorgregeling van de kinderen volgen. Het hof zal dit verzoek afwijzen. Het verzoek is niet gegrond op artikel 1:253a BW, het hangt niet samen met het gezag van de ouders over de kinderen. De wet beschouwt een huisdier als een ‘roerende zaak’ en het valt onder de (te verdelen) gemeenschap Het hof gaat ervan uit dat de dieren aan de moeder zijn toegedeeld, de dieren verblijven sinds het uiteengaan van de ouders immers bij de moeder. De moeder heeft onweersproken aangevoerd dat de dieren haar eigendom zijn maar ook deels van een derde.
De ouders kunnen over de huisdieren wel samen een regeling treffen. Hoewel de ouders tijdens de mondelinge behandeling dit punt samen hebben besproken, en het hof getracht heeft constructief mee te denken, hebben ze geen overeenstemming bereikt. De raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het voor de kinderen goed is als de ouders samen beslissingen kunnen nemen, en ook dat het voor de kinderen fijn is als de huisdieren (soms) mee kunnen, want vooral bij onrust is de aanwezigheid van huisdieren voor de kinderen prettig. Het hof onderschrijft dat, hoewel [de minderjarige1] heeft verteld dat zij de dieren liefst gewoon bij de moeder laat. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de huisdieren altijd welkom zijn bij hem.
Kinderalimentatie
5.8
Een ouder is verplicht financieel bij te dragen aan de verzorging en opvoeding van zijn of haar kind (artikel 1:392 BW Pro).
5.9
Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW Pro zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat onderhoudsverplichting wordt begrensd door de behoefte van de kinderen enerzijds en anderzijds door de draagkracht van de ouders. Voor de berekening van de kinderalimentatie volgt het hof de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen (het rapport Alimentatienormen).
Aanhechten draagkrachtberekeningen
5.1
Het hof neemt voor de berekening van de kinder- en partneralimentatie de richtlijnen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt.
Het hof zal de berekeningen aan deze beschikking hechten. Het hof bespreekt hierna alleen de punten waarover de ouders van mening verschillen en – al dan niet – een afwijking van die richtlijnen bepleiten.
Ingangsdatum
5.11
De rechtbank heeft bepaald dat de vader € 244,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen vanaf de datum van de bestreden beschikking (15 mei 2025). Voor de periode van 17 oktober 2024 tot aan 15 mei 2025 heeft de rechtbank de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie definitief vastgesteld op € 370,- per kind per maand, gelijk aan de eerder vastgestelde voorlopige bijdrage.
5.12
In wat de moeder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de in eerste aanleg tijdens de mondelinge behandeling door de ouders overeengekomen ingangsdatum van de kinderalimentatie te wijzigen. De vader heeft, met verwijzing naar het proces-verbaal in eerste aanleg, aangevoerd dat de zorgregeling weliswaar is ingegaan op 7 juli 2025 maar de kinderalimentatie niet. Het hof hanteert 15 mei 2025 als ingangsdatum.
Behoefte van de kinderen
5.13
De moeder heeft aangevoerd dat de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de ouders juist heeft berekend maar is vergeten het kindgebonden budget mee te nemen bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. Aangezien zowel de moeder als de vader in de door hen overgelegde draagkrachtberekeningen rekening hebben gehouden met een bedrag van € 21,- per maand aan kindgebonden budget, zal het hof daar ook rekening mee houden. Het netto besteedbaar inkomen in 2023 bedroeg daarom € 5.587,-. Daarmee kwamen de kosten van de kinderen in 2023 op € 1.349,- per maand. In 2025 was dat, na indexering, € 1.520 per maand.
5.14
Het hof zal rekenen over twee periodes, te weten 15 mei 2025 (bestreden beschikking) tot aan de datum van deze beschikking en over de periode vanaf deze beschikking.
Zoals hiervoor is overwogen, zal het hof de hoofdverblijfplaats van de kinderen vanaf vandaag bij de moeder vaststellen. De ouders zijn in hun alimentatieberekeningen beiden ervan uitgegaan dat de ouder waar de kinderen worden ingeschreven het kindgebonden budget ontvangt. Hoewel het hof heeft overwogen dat de hoofdverblijfplaats niet noodzakelijkerwijs bepalend is voor de vraag wie kindgebonden budget ontvangt, zal het hof aansluiten bij wat de beide ouders daarover stellen. Zij zullen dat dan ook zo regelen, naar het hof aanneemt.
Voor zover de vader heeft verzocht (onder III) dat de moeder een deel van de kinderbijslag aan hem terugbetaalt, omdat de moeder sinds 1 juli 2025 teveel heeft ontvangen (de rechtbank is er in haar berekening ten onrechte van uitgegaan dat de vader de volledige kinderbijslag ontving), wijst het hof dit verzoek af. Nog los naar de wettelijke grondslag van dit verzoek, moet er van worden uitgegaan dat de kinderbijslag aan de kinderen ten goede is gekomen. Ook het verzoek van de vader om te bepalen dat hij voor 100% gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget wijst het hof af.
Periode 15 mei 2025 tot aan 12 mei 2026
5.15
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de ouders hun netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Aangezien het hof, anders dan de rechtbank, beschikt over gegevens over het feitelijke inkomen van de ouders in 2025 zal het hof daarvan uitgaan.
Draagkracht moeder
5.16
Bij de moeder gaat het hof uit van de jaaropgave 2025 die is overgelegd. Daaruit blijkt een totaal belastbaar loon in 2025 van € 18.809,-. Het netto besteedbare inkomen is dan € 1.567,- per maand, met een draagkracht van € 50,- per maand.
Draagkracht vader
5.17
Van de vader heeft het hof geen jaaropgave over 2025 ontvangen. Gelet op de ingangsdatum acht het hof het redelijk om uit te gaan van de salarisgegevens zoals die blijken uit de overgelegde salarisstroken van september, november en december 2025. Dit betreft een bezoldiging van € 5.895,- en overwerk van € 371,- per maand. Daarnaast houdt het hof rekening met het Individueel KeuzeBudget (IKB) dat de man – zoals hij heeft verklaard – het afgelopen jaar heeft laten uitkeren, en met de oefentoelage. Het hof houdt net als de vader geen rekening met de vergoeding PPC (€182,- per maand), aangezien dit een compensatie voor pensioenverlies betreft.
5.18
Het hof ziet, mede gelet op de overgelegde stukken die zien op de hypotheeklasten, net als de rechtbank, in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget.
5.19
Het hof berekent het netto besteedbare inkomen van de vader op € 5.240,- per maand. De draagkracht van de vader is dan € 1.651,- per maand
Verdeling kosten
5.2
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn of haar rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
5.21
De vader en de moeder hebben samen in 2025 een draagkracht van € 1.701,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die kosten zijn € 1.520 per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (1.651/1.701x 1.520 =) € 1.474,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (50/1.701 x 1.520 =) € 45,- per maand.
zorgkorting
5.22
De kinderen waren sinds de bestreden beschikking ingeschreven bij de vader.
De kinderen hebben gemiddeld de helft van de tijd bij de moeder verbleven. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 532,- per maand aan kosten die de moeder moet betalen. Zij kan hiervan een deel van € 45 per maand zelf dragen. Dat betekent dat de vader een bedrag van (€ 532 -/- € 45) is € 487,- per maand aan de moeder moet betalen (€ 243,50 per kind per maand).
Periode vanaf de beschikking (12 mei 2026)
5.23
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de ouders hun netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Aangezien het hof, anders dan de rechtbank, beschikt over de salarisstroken van januari 2026 zal het hof daarvan uitgaan.
Draagkracht moeder
5.24
De moeder ontving een bruto loon van € 1.696,- in januari 2026 zodat het hof met dat bedrag rekening houdt. Net als de ouders dat zelf doen, houdt het hof rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbare inkomen is dan
€ 2.551,- en de moeder heeft een draagkracht van € 295,- per maand.
Draagkracht vader
5.25
Aan de zijde van de vader houdt het hof rekening met de bezoldiging die hij heeft ontvangen in januari 2026, van € 6.019,-. De vader maakt geen aanspraak op het kindgebonden budget. Het hof houdt geen rekening met de door de moeder in haar draagkrachtberekening opgevoerde € 500,- per maand (als extra inkomenscomponent) omdat niet blijkt uit de overgelegde stukken dat de vader dit bedrag maandelijks ontvangt.
5.26
Het hof ziet, anders dan de moeder, geen aanleiding om aan de zijde van de vader af te wijken van het woonbudget. Dit geldt temeer omdat uit de overlegde stukken van de vader blijkt dat dat zijn hypotheeklast bijna gelijk is aan het woonbudget.
5.27
Het hof berekent het netto besteedbare inkomen van de vader op € 4.900,- per maand. De draagkracht van de vader is daarmee € 1.446,- per maand.
Verdeling kosten
5.28
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
5.29
De vader en de moeder hebben samen in 2026 een draagkracht van € 1.741,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn (geïndexeerd) € 1.590 per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (1.446/1.741x 1.590 =) € 1.321,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (295/1.741 x 1.590 =) € 269,- per maand.
zorgkorting
5.3
De kinderen verblijven gemiddeld de helft van de tijd bij de vader. Daarbij past een
zorgkorting van 35% van de behoefte. Rekening houdend met een zorgkorting van € 278 per kind per maand, komt de bijdrage van de vader aan de moeder op € 765,- per maand.
(€ 382,50 per kind per maand).
Partneralimentatie
5.31
Uit de aangehechte draagkrachtberekeningen en wat hiervoor is overwogen blijkt dat de vader bij voornoemde kinderalimentatie geen draagkracht heeft voor betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de moeder.
Geld spaarrekening kinderen
5.32
De vader heeft (onder V) verzocht te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld om het door haar (na de peildatum, op 12 januari 2024) van de spaarrekeningen van de kinderen opgenomen geld terug te storten.
Er is geen grond voor toewijzing van dit verzoek. De vader heeft niet gesteld dat hij dit verzoek als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen heeft gedaan. Ouders met gezag voeren van rechtswege het bewind over het vermogen (waaronder spaargeld) van hun minderjarige kinderen. Zij moeten als ‘goed bewindvoerder’ handelen en dus niet hun eigen schulden ermee aflossen. De moeder heeft dat wel gedaan. Dat is niet goed. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij het geld volledig zal terugbetalen maar dat zij nu niet over voldoende financiële middelen beschikt. Het hof vertrouwt erop dat de moeder zich aan deze toezegging houdt en dat zij het geld zo spoedig mogelijk en met voorrang zal terugstorten op de spaarrekeningen van de kinderen, waarbij zij de vader daarvan de nodige onderbouwing verstrekt.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2025, aangevuld bij herstelbeschikking van 17 november 2025, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van vandaag hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken zo dat de kinderen bij de vader verblijven;
  • de ene week vanaf het wisselmoment op woensdagavond 20.30 uur tot zaterdagavond 20.30 uur;
  • de andere week vanaf woensdagochtend 8.30 uur tot zaterdagavond 20.30 uur.
bepaalt het wisselmoment tijdens meerweekse vakanties op zondag 10 uur;
bepaalt de bijdrage van de vader aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode van 15 mei 2025 tot aan heden op € 243,50 per kind per maand en vanaf 12 mei 2026 op € 382,50 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
DJ.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.