Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure bij de rechtbank
2.De procedure bij het hof
3.De feiten
- een regeling vastgesteld voor de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;
4.De omvang van het geschil
Zij heeft ook haar eigen verzoeken vermeerderd. Zij verzoekt het hof haar verzoek onder A. (over de hoofdverblijfplaats) aan te vullen met een subsidiair verzoek dat luidt dat het hof bepaalt dat [de minderjarige1] op het adres van de vader wordt ingeschreven en [de minderjarige2] op haar adres.
Daarnaast heeft de moeder het hof verzocht te bepalen zij gerechtigd is tot (100% van de) kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat de vader is gehouden de door hem vanaf
5.De motivering van de beslissing
Voor het vaststellen van de hoofdverblijfplaats wordt vaak als uitgangspunt genomen dat dit de plaats is waar de kinderen feitelijk het meest verblijven, dus waar het zwaartepunt van de zorg ligt. Op dit moment hebben de ouders de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdeeld en het hof zal ook oordelen (zie hierna onder 5.6) dat het – los van de vraag hoe de weekdagen concreet moeten worden verdeeld – in het belang is van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat het zogenoemde ‘co-ouderschap’ tussen de ouders in stand blijft.
Daarmee zou stroken dat er geen hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld. De rechtbank heeft dat ook zo beslist. Omdat beide ouders een verzoek doen tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats, zal het hof toch een beslissing op hun verzoeken nemen.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen en in de echtscheidingsbeschikking zijn de kinderen aan de moeder toevertrouwd en is de hoofdverblijfplaats voorlopig bij de moeder bepaald. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de kinderen in de BPR bij de vader moeten worden ingeschreven. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat de kinderen in de BRP bij de vader moeten worden ingeschreven, ten grondslag gelegd dat het rust voor de kinderen creëert, in het bijzonder omdat de vader praktische zaken beter regelt dan de moeder.
De ouders zijn het er echter over eens dat de situatie na de bestreden beschikking nog steeds onrustig is; zij kunnen het over veel zaken niet eens worden. Dat lijkt los te staan van de BRP-inschrijving van de kinderen.
Het hof heeft verder gelezen en gehoord dat het met de moeder beter gaat. Niet valt in te zien dat zij in de toekomst praktische zaken niet net zo goed zou kunnen regelen als de vader, zeker waar zij onweersproken heeft aangevoerd dat het zwaartepunt van de zorg tijdens het huwelijk bij haar lag. Het hof ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen aanleiding anders te oordelen dan in de voorlopige voorziening en echtscheidingsbeschikking is gedaan.
De moeder heeft aangevoerd dat zij, omdat zij minder verdient dan de vader, recht heeft op een hoger kindgebonden budget dan de vader. De vader heeft dat niet betwist, hoewel hij meent dat het hogere bedrag gezien het inkomen van de moeder, aan de moeder ten goede zal komen. Het hof overweegt dat vaststelling van hoofdverblijfplaats (of inschrijving in de BRP) niet onderscheidend is voor uitbetaling van de kinderbijslag. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kijkt naar de feitelijke zorgverdeling en niet naar het inschrijvingsadres. Het kindgebonden budget wordt in beginsel wel aan één ouder uitbetaald door de Belastingdienst, en dat is aan de (hoofd)aanvrager van het kindgebonden budget. Het hof weegt dit financiële argument dus niet mee bij vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
Wel wordt, ten slotte, meegewogen dat in de door het hof vast te stellen zorgregeling, de kinderen bij beide ouders zeven weekdagen verblijven, maar (in een periode van twee weken) acht nachten bij de moeder slapen en zes nachten bij de vader. Daarmee zijn zij praktisch gezien net iets meer bij de moeder dan bij de vader.
Het hof zal, gelet op al het voorgaande, beslissen dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.
De ouders hadden nog geen overeenstemming over het wisselmoment tijdens de langere vakanties maar tijdens de mondelinge behandeling hebben zij ook daarover overeenstemming bereikt. Het hof zal deze afspraak, te weten dat het wisselmoment valt op de zondagochtend om 10 uur, vastleggen in de beslissing (het ‘dictum’).
Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat de beide ouders zoveel mogelijk een gelijk aandeel blijven houden in hun zorg en opvoeding. Het hof ziet echter in dat de huidige regeling niet de rust heeft gebracht die het doel van de week-op-week-af regeling was, ook niet na verloop van tijd. Het hof zal daarom de co-ouderschapsregeling grotendeels handhaven, maar het wisselmoment in het belang van de kinderen aanpassen.
De ouders kunnen over de huisdieren wel samen een regeling treffen. Hoewel de ouders tijdens de mondelinge behandeling dit punt samen hebben besproken, en het hof getracht heeft constructief mee te denken, hebben ze geen overeenstemming bereikt. De raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het voor de kinderen goed is als de ouders samen beslissingen kunnen nemen, en ook dat het voor de kinderen fijn is als de huisdieren (soms) mee kunnen, want vooral bij onrust is de aanwezigheid van huisdieren voor de kinderen prettig. Het hof onderschrijft dat, hoewel [de minderjarige1] heeft verteld dat zij de dieren liefst gewoon bij de moeder laat. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de huisdieren altijd welkom zijn bij hem.
Zoals hiervoor is overwogen, zal het hof de hoofdverblijfplaats van de kinderen vanaf vandaag bij de moeder vaststellen. De ouders zijn in hun alimentatieberekeningen beiden ervan uitgegaan dat de ouder waar de kinderen worden ingeschreven het kindgebonden budget ontvangt. Hoewel het hof heeft overwogen dat de hoofdverblijfplaats niet noodzakelijkerwijs bepalend is voor de vraag wie kindgebonden budget ontvangt, zal het hof aansluiten bij wat de beide ouders daarover stellen. Zij zullen dat dan ook zo regelen, naar het hof aanneemt.
Voor zover de vader heeft verzocht (onder III) dat de moeder een deel van de kinderbijslag aan hem terugbetaalt, omdat de moeder sinds 1 juli 2025 teveel heeft ontvangen (de rechtbank is er in haar berekening ten onrechte van uitgegaan dat de vader de volledige kinderbijslag ontving), wijst het hof dit verzoek af. Nog los naar de wettelijke grondslag van dit verzoek, moet er van worden uitgegaan dat de kinderbijslag aan de kinderen ten goede is gekomen. Ook het verzoek van de vader om te bepalen dat hij voor 100% gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget wijst het hof af.
6.De slotsom
7.De beslissing
- de ene week vanaf het wisselmoment op woensdagavond 20.30 uur tot zaterdagavond 20.30 uur;
- de andere week vanaf woensdagochtend 8.30 uur tot zaterdagavond 20.30 uur.