ECLI:NL:GHARL:2026:3002

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
200.357.955/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 3, tweede lid, WahvArt. 6:5 AwbArt. 6:17 AwbArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A30 in Barneveld. Hij voerde aan dat hij handsfree belde via bluetooth en de telefoon slechts af en toe aantikte om deze recht te zetten, terwijl deze op de middenconsole stond.

De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden, maar het hof stelde vast dat er wel degelijk gronden waren aangevoerd, waaronder ontkenning van de gedraging en betwisting van de bewijsmiddelen. Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het beroep inhoudelijk.

Het hof oordeelde dat het af en toe aantikken van de telefoon die op de middenconsole stond niet valt onder het begrip vasthouden zoals bedoeld in artikel 61a RVV 1990. De advocaat-generaal had nagelaten een aanvullend proces-verbaal op te vragen, waardoor twijfel bleef bestaan over de gedraging.

Gelet op deze twijfel vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie. De proceskosten van de betrokkene werden deels vergoed. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in Leeuwarden op 13 mei 2026.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wordt vernietigd omdat het af en toe aantikken van de telefoon op de middenconsole niet als vasthouden wordt beschouwd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.357.955/01
CJIB-nummer
: 258375780
Uitspraak d.d.
: 13 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene betwist de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter. Hij verzoekt het hof de zaak inhoudelijk te behandelen. Een zitting acht de gemachtigde niet nodig.
2. In het dossier bevindt zich een - in overeenstemming met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht - aan de gemachtigde gerichte brief van 18 april 2025 met kenmerk “11060005 BR VERZ 24-1096”, waarin de griffier van de rechtbank de gemachtigde oproept voor de zitting van de kantonrechter op 3 juni 2025 en in de gelegenheid stelt de gronden aan te vullen voor 27 mei 2025. Verder bevindt zich in het dossier een ‘proces-verbaal van aanbieding en overhandiging van een envelop’ van 18 april 2025, waarin is verklaard dat in een envelop geadresseerd aan de gemachtigde de stukken zitten die zijn vermeld op de zich in de envelop bevindende inventarislijst, waarvan een afschrift aan dit proces-verbaal is gehecht. Uit die inventarislijst volgt dat de envelop een oproeping met kenmerk “BR 24-1096” bevat. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de desbetreffende brief is verzonden en de gemachtigde daarmee behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De enkele betwisting van de ontvangst van die brief door de gemachtigde, maakt dat niet anders.
3. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen gronden bevat.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat bij het instellen van beroep wel degelijk gronden zijn aangevoerd. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
5. Het dossier bevat een namens de betrokkene op 25 oktober 2023 via het Digitaal Loket Verkeer ingediend beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Het hof stelt vast dat de gemachtigde hierbij onder meer het volgende heeft aangevoerd: “Betrokkene ontkent de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen.” Dit zijn gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 juni 2023 om 17:38 uur op de A30 in Barneveld met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De gemachtigde voert aan dat de verbalisant onvoldoende heeft gerelateerd voor de vaststelling van de gedraging. De betrokkene stelt dat hij handsfree aan het bellen was. Zijn telefoon kan via bluetooth verbinding maken, waardoor hij veilig handsfree kan bellen. Hij kan het nummer invoeren via het menu op het scherm in de auto. Bij het instappen van de auto legt hij altijd zijn telefoon op een bepaalde manier neer, zoals op de door hem overgelegde foto te zien is. Af en toe verschuift de telefoon tijdens het rijden. Dan geeft hij de telefoon een tikje waardoor de telefoon weer recht staat. Hiermee houdt hij de telefoon niet actief vast en richt hij zich tijdens het bellen actief op het verkeer. In de file op het knooppunt A30/A1 wees de motoragent naar hem omdat hij de telefoon een tikje gaf. Na staandehouding heeft hij de agent uitgelegd dat hij handsfree belde en de telefoon niet vasthield. De agent had hiervoor geen luisterend oor. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene vasthoudend en consistent heeft betoogd dat hij geen mobiel elektronisch apparaat in handen had en de gedraging direct ontkend heeft, dat de verbalisant niet duidelijk heeft omschreven waaruit blijkt dat sprake is van een mobiel elektronisch apparaat dat de betrokkene in handen had en dat de verklaring van de verbalisant niet compleet is. De afstand tussen de betrokkene en de verbalisant is onbekend, de verbalisant heeft niet vermeld wat zijn positie was ten opzichte van het voertuig en hoe hij heeft vastgesteld dat het ging om een mobiel elektronisch apparaat. Een aanvullend proces-verbaal had in dit dossier niemand kwaad gedaan. Nu er twijfel bestaat bij de vraag of de gedraging is verricht, komt de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking, aldus de gemachtigde.
8. In het dossier bevindt zich een foto, waarop te zien is dat de mobiele telefoon op de middenconsole achter de versnellingspook tegen het dashboard geleund staat.
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat bij versnellingspook. Bij de staandehouding zag ik dat het een Apple betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)
Verklaring betrokkene: ik was aan het bellen met mijn moeder via de bluetooth van de auto en niet met de telefoon aan het oor.”
11. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), en luidt als volgt:
“Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
12. Mede in het licht van het gevoerde verweer is bij het hof gerede twijfel ontstaan omtrent de gedraging. De betrokkene heeft bij de staandehouding al aangevoerd dat hij belde via bluetooth. In het dossier zit een foto van de wijze waarop de telefoon in de auto zou hebben gestaan, namelijk achter de versnellingspook tegen het dashboard. In hoger beroep is de uitgebreide verklaring van de betrokkene over de gang van zaken overgelegd. Deze gang van zaken kan niet worden uitgesloten door de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht, waarin slechts is vermeld ‘bij versnellingspook’. Het had het op de weg van de advocaat-generaal gelegen om een aanvullend proces-verbaal bij de betrokken ambtenaar op te vragen over de vraag hoe de betrokkene de telefoon zou hebben vastgehouden. Dat is niet gebeurd. Het hof gaat dan ook uit van de verklaring van de betrokkene, onderbouwd met foto, dat de telefoon achter de versnellingspook tegen het dashboard van de auto geleund stond en dat de betrokkene hier tikjes tegen aan gaf om deze recht te zetten.
13. Vervolgens dient het hof te beoordelen of het aantikken van de telefoon om deze recht te zetten moet worden aangemerkt als vasthouden in de zin van artikel 61a van het RVV 1990.
14. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het geen verschil maakt voor de vaststelling van de gedraging of de betrokkene de telefoon vasthield of daartegen slechts tikjes gaf. Als de betrokkene de telefoon zo heeft neergezet dat hij deze moest aantikken om deze in positie te houden, is sprake van een situatie waarin de bestuurder zodanig fysiek betrokken is bij zijn mobiele telefoon dat hij daardoor minder goed in staat is de noodzakelijke verkeershandelingen te verrichten. De advocaat-generaal verwijst hierbij naar een arrest van het hof (ECLI:NL:GHARL:2024:5214).
15. De Nota van toelichting bij de invoering van artikel 61a van het RVV 1990 vermeldt onder meer het volgende:
“Het handmatig telefoneren en het gelijktijdig besturen van een motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets vormt een gevaar voor de verkeersveiligheid. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid schat dat per jaar in het verkeer enkele tientallen doden en bijna driehonderd gewonden vallen door het gebruik van de mobiele telefoon. De oorzaak hiervan is gelegen in een tweetal factoren. Ten eerste is bij het handmatig telefoneren - vaak gedurende enige tijd - slechts één hand beschikbaar voor het verrichten van de noodzakelijke verkeershandelingen. Ten tweede wordt de aandacht van de bestuurder door het voeren van een telefoongesprek afgeleid van de verkeerssituatie. Door de combinatie van deze twee factoren ontstaat een niet te veronachtzamen risico voor de verkeersveiligheid. (…)
In artikel 61a RVV 1990 wordt gesproken van het vasthouden van een mobiele telefoon en niet van telefoneren. Hiervoor zijn verschillende redenen te geven. Ten eerste wordt hiermee de afwijzing van het fysieke aspect van het handmatig telefoneren beter tot uitdrukking gebracht. Onder vasthouden wordt verstaan het in de hand houden, het tussen oor en schouder geklemd houden etc.”
16. In eerdere arresten heeft het hof verschillende vormen van het gebruik van een mobiele telefoon onder het begrip vasthouden gebracht, zoals het aan de pols bevestigen van een mobiele telefoon, het achter een hoofddoek plaatsen van een mobiele telefoon, het tussen oor en schouder klemmen van een mobiele telefoon, het klemmen van een mobiele telefoon tussen hand en fietsstuur. Ook in de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak, waarin sprake was van een bestuurder van een scooter, die zijn mobiele telefoon op zijn bovenbeen had liggen met de vingers als een kooi eromheen, was naar het oordeel van het hof sprake van vasthouden. Daarbij achtte het hof van belang dat de mobiele telefoon niet uit zichzelf in dezelfde positie bleef tijdens het rijden, maar uitsluitend door enige vorm van fysiek ingrijpen van de bestuurder van het voertuig. Het hof heeft in andere zaken echter geoordeeld dat geen sprake was van vasthouden in de zin van voornoemd artikel, zoals het met de hand bedienen van de telefoon in de houder op het dashboard, het bedienen van een tablet die met een pin aan het stuur was bevestigd en het op de schoot/het bovenbeen hebben van een mobiele telefoon waarbij het scherm vluchtig wordt aangeraakt.
17. Het hof is van oordeel dat in dit geval waarin (slechts) sprake is van het af en toe aantikken van de mobiele telefoon die op de middenconsole was geplaatst, evenmin sprake is van vasthouden in de zin van artikel 61a van het RVV 1990. Indien het hof wel daartoe zou oordelen, zou dat een zodanige extensieve interpretatie van deze bepaling zijn dat dit de rechtsvormende taak van het hof te buiten gaat.
18. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat het hof ook de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking zal vernietigen.
19. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking.
20. Het hof stelt vast dat de grond die leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking door de gemachtigde pas in hoger beroep is aangevoerd, dit terwijl de gemachtigde stelt dat de betrokkene hem dit al bij het aanmelden van de zaak heeft laten weten. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde aangevoerd dat de betrokkene bestrijdt dat er sprake zou zijn van een mobiel elektronisch apparaat. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de gemachtigde daar heeft aangevoerd dat de gedraging niet begaan is, dat de verklaring van de verbalisant niet in overeenstemming is met de instructie van de politie en dat er geen duidelijk omschrijving is waaruit blijkt dat het gaat om een mobiel elektronisch apparaat. Daarnaast is een foto van de betrokkene getoond als aanvullend bewijsmateriaal. In de fase van de kantonrechter heeft de gemachtigde aangevoerd wat het hof in overweging 5 heeft omschreven. De gemachtigde heeft de gronden van het beroep bij de kantonrechter niet verder aangevuld en is niet verschenen op de zitting van de kantonrechter om daar het beroep nader toe te lichten, ook al is hij daartoe - zoals blijkt uit overweging 2 - wel in de gelegenheid gesteld.
21. Gelet hierop komen de proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep en de fase bij de kantonrechter niet voor vergoeding in aanmerking.
22. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75
(= 1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.