ECLI:NL:GHARL:2026:3082

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
21-000857-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 57 SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen en wapenbezit na oplichting investeerders

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor gewoontewitwassen van ongeveer €800.000, afkomstig uit oplichting van investeerders, en voor het bezit van een semi-automatisch vuurwapen met munitie. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.

Het bewijs toonde aan dat verdachte investeerders misleidde door hen te laten geloven dat hun geld werd geïnvesteerd in aandelen, terwijl hij het geld contant opnam en gebruikte voor privé-uitgaven. Verdachte gebruikte valse namen en voerde geen administratie, wat het bedrog bevestigde. Daarnaast had hij een vuurwapen met munitie in bezit waarvan het serienummer was verwijderd.

De straf werd gematigd tot twaalf maanden gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De in beslag genomen goederen werden verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor gewoontewitwassen en wapenbezit met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000857-22
Uitspraakdatum: 13 mei 2026
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 februari 2022 met parketnummer 08-996106-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonadres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 16 juni 2023 en 29 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadslieden, mr S. Plas en mr. M.A.M. Pijnenburg, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde gewoontewitwassen en het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een categorie III vuurwapen en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden. Verder zijn de in beslag genomen goederen verbeurd verklaard en de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt tot een andere bewijsbeslissing dan de rechtbank en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Feit 1.Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 6 december 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of [locatie] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in [land] ,
tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, krachtens die gewoonte,
(telkens) een of meer geldbedrag(en) met een totale hoogte van 868.863,15 euro, althans enige geldbedrag, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van een of meer geldbedrag(en) heeft gebruik gemaakt,
terwijl hij (telkens) wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;
Feit 2.hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 6 december 2016 te [plaats] , althans in [land] ,
1) een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen van het merk STI, modeltype 2011 Eagle 5.1, kaliber 9mmx19, en/of
2) munitie van categorie III, te weten
- acht volmantel kogelpatronen, kaliber 9mm, merk CBC, en/of
- vijftig volmantel kogelpatronen, kaliber 9mm, merk Magtech, en/of
- twintig hollowpoint kogelpatronen, kaliber 9mm merk Federal, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de feiten bewezen verklaard kunnen worden conform het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het eerste feit. Er is geen direct bewijs voor een specifiek gronddelict. Verder ontbreekt een gerechtvaardigd witwasvermoeden en, indien het hof hierover tot een ander oordeel komt, heeft verdachte een ontzenuwende verklaring afgelegd over de (legale) manier waarop hij inkomsten heeft gegenereerd door aandelen te leveren, die niet kan worden uitgesloten op basis van het dossier. Verder zijn de bedragen die verdachte van [naam] en als erfenis heeft ontvangen niet afkomstig van investeerders.
Ten aanzien van het tweede feit heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof [1]

Feit 1

Naar aanleiding van een onderzoek van De Belastingdienst, waarin onderzoek werd gedaan naar betalingen in [land] met buitenlandse debet- en creditkaarten, met als doel om Nederlandse ingezetenen met fiscaal onbekend buitenlands vermogen te identificeren, kwam een debetcard van een toen nog onbekend persoon naar voren. Naar aanleiding hiervan is het strafrechtelijk onderzoek gestart naar de debetcard met nummer [debetcard nr] . Deze kaart bleek op naam van verdachte te staan en te zijn uitgegeven door de [bank] . [2] Naast deze debetcard maakte verdachte tevens gebruik van nog twee andere debetcards (kaartnummers [debetcard nr] en [debetcard nr] ), welke beide ook op zijn naam waren uitgegeven door de [bank] . [3] Deze drie debetcards waren gekoppeld aan de bankrekening bij genoemde bank met nummer [rekeningnummer] .
Over de periode van 2006 tot en met eind 2016 is in totaal een bedrag van $ 1.549.348,98 van vermoedelijke investeerders gestort op de bankrekening van verdachte. [4] Daarnaast is in 2010 een bedrag van $ 143.680,14 overgeboekt van een van de [bank] bankrekeningen van verdachte naar de [bank] bankrekening. Op deze rekeningen is een totaalbedrag van $ 218.979,03 ontvangen van buitenlandse (rechts)personen. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde door middel van een trust ‘beneficial owner’ van de twee bankrekeningen bij de [bank] . [5]
Uit de opgevraagde transacties van de drie debetcards blijkt dat in de periode 2009 tot september 2016 in [land] gezamenlijk in totaal € 813.446,50 contant is opgenomen bij geldautomaten en dat er voor een bedrag van € 106.771,92 aan pinbetalingen is verricht. Dit betekent dat er in totaal € 920.218,42 is opgenomen en uitgegeven met deze debetcards. [6] Er is geen informatie beschikbaar over de afschrijvingen voorafgaand aan deze periode.
Dat verdachte het geld dat hij contant opnam vervolgens gebruikte om contante betalingen te doen, blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [getuige] , facilitair en duty manager bij hotel [hotel] in [plaats] . Hij heeft verklaard dat verdachte gedurende een periode van twee jaren 86 nachten heeft overnacht in het hotel en dat hij altijd contant afrekende. Uit de gegevens van het [hotel] hotel is gebleken dat verdachte in de periode van 20 mei 2015 tot en met 8 juli 2015 en 31 augustus 2016 tot en met 10 oktober 2016 een bedrag van € 13.208,00 contant heeft afgerekend. Ook de huur van de garageboxen bij [bedrijf] en bij [bedrijf] werd door verdachte maandelijks contant afgerekend. [7]
Uit de bij de Belastingdienst bekende gegevens blijkt niet dat verdachte in die periode zodanige legale inkomsten genoot dat daarmee bovenstaande geldbedragen verdiend konden worden. [8]
Gronddelict
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Voor de vraag of sprake is van ‘enig misdrijf’ dient te worden nagegaan of de bestanddelen van een misdrijf, in dit geval oplichting, zijn vervuld.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
(Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892)
Het hof stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Zoals hiervoor besproken werd de bankrekening van verdachte gevoed met gelden die afkomstig waren van investeerders. Verdachte heeft echter nooit daadwerkelijk de bedoeling gehad om met deze gelden aandelen te kopen. Het hof leidt dit uit de volgende omstandigheden af. Verdachte heeft verklaard dat hij de ontvangen bedragen nooit heeft gebruikt om hiermee aandelen te kopen bij bedrijven. Ook heeft hij verklaard dat van al het vermogen dat verdachte via investeerders ontving op zijn bankrekening bij [bank] niets is terechtgekomen bij enig bedrijf waarvoor hij investeerders zou hebben aangezocht. [9] Uit de opgevraagde transacties is ook niet gebleken dat er geldbedragen van de bankrekening van verdachte zijn overgemaakt ten behoeve van het aankopen van aandelen. [10] De gehoorde investeerders hebben verklaard dat verdachte hen voorhield aandelen te kopen. Zij hebben vervolgens de bedragen aan verdachte overgemaakt ten behoeve van het verkrijgen van aandelen of opties. Zij hebben de inleg van hun investeringen echter nooit teruggezien, hebben nooit documenten (zoals bijvoorbeeld certificaten) ontvangen van verdachte over hun investeringen en geen van de investeerders heeft aangegeven dat zij met verdachte hebben afgesproken dat de overgemaakte bedragen door verdachte (deels) konden worden aangewend voor privédoeleinden en eigen bedrijfsvoering. [11] De enkele stelling van verdachte dat er enige indicaties bestaan dat hij investeringen heeft gedaan is bij de hiervoor besproken omstandigheden, zeker gelet op de lange periode van negen jaren waarin dit plaatsvond, volstrekt onvoldoende.
Uit de transacties van de bankrekening van verdachte in de periode 9 augustus 2011 tot en met 31 maart 2017 blijkt een patroon dat ingelegde bedragen van investeerders kort na de overboeking vrijwel volledig worden onttrokken van de bankrekening. 81% wordt contant opgenomen en 16% wordt gebruikt voor (privé)betalingen, een totaal van 97%. [12] Verdachte heeft bovendien geen administratie gevoerd. [13] Het hof ziet in het niet voeren van een administratie een bevestiging van het patroon dat wanneer investeerders bedragen inlegden hij de gelden direct opnam of uitgaf. Ook leidt het hof hieruit af dat verdachte geen legitieme bedrijfsvoering had en niet van plan was om de ontvangen gelden te investeren. Bovendien maakte verdachte gebruik van verschillende valse namen bij mailwisselingen met investeerders, waaronder ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. [14]
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels en het aannemen van een valse naam bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen aan verdachte.
In het bijzonder heeft het hof bij de beoordeling van het gewicht van de betreffende oplichtingsmiddelen als omstandigheden in aanmerking genomen dat verdachte bij de investeerders steeds dezelfde, kennelijk door verdachte van tevoren bedachte, werkwijze hanteerde en de vertrouwenwekkende aard, het aantal en indringendheid van de door verdachte aan de investeerders gedane leugenachtige mededelingen, zoals de mededelingen dat verdachte aandelen had gekocht en het komen met alternatieve investeringsplannen na eerdere investeringen. Het hof leidt uit dit alles af dat verdachte van het begin af aan het oogmerk had om nooit daadwerkelijk de bedragen te investeren in aandelen, maar deze gelden voor zichzelf te houden.
Het hof stelt daarmee vast dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, te weten oplichting.
De omvang van het witgewassen geldbedrag
Het hof heeft al eerder vastgesteld dat verdachte in totaal een bedrag van € 920.218,42 heeft opgenomen dan wel uitgegeven. Het hof overweegt voorts dat de verklaring die verdachte heeft afgelegd over het verkrijgen van een erfenis, door de FIOD zo goed mogelijk is nagelopen waardoor kan worden geconcludeerd dat een bedrag van (omgerekend) € 51.355,27 kan worden toegeschreven aan een erfenis die verdachte heeft ontvangen. [15] Vanwege die onderzoeksbevindingen is de tenlastelegging in eerste aanleg reeds aangepast en is het daarin weergegeven geldbedrag met vermindering van voornoemd geldbedrag verlaagd tot € 868.863,15. Uit de ontvangen bankafschriften blijkt echter ook dat van [naam] $ 801,14 en $ 37.485,00 door verdachte is ontvangen in respectievelijk 2012 en 2013. [16] De FIOD heeft deze bedragen als afkomstig van een investeerder aangemerkt, maar het hof kan dit op basis van het dossier niet vaststellen. Derhalve kunnen de ontvangen bedragen van [naam] niet aangemerkt worden als uit misdrijf afkomstige geldbedragen en dienen deze in mindering te worden gebracht op het totale witwasbedrag. Het hof zal gelet op enige mogelijke rekenfouten en de wisselkoers in het voordeel van verdachte het totale witgewassen bedrag naar beneden afronden tot een totaal van ongeveer € 800.000,00.
Conclusie
Alles in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er geen
andere conclusie mogelijk is dan dat de door verdachte opgenomen en uitgegeven
geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Omdat verdachte de bedragen heeft omgezet, overgedragen en/of gebruik daarvan heeft gemaakt, stelt het hof vast dat verdachte deze bedragen heeft witgewassen. Nu verdachte deze praktijken gedurende een langere tijd door middel van vele transacties heeft uitgevoerd, is er naar het oordeel van het hof sprake van het door verdachte tot een gewoonte maken van witwassen van ongeveer € 800.000,00.
Ambtshalve oordeel van het hof met betrekking tot de eerlijkheid van het proces
Voor zover de verdediging heeft willen aanvoeren dat het proces niet eerlijk was omdat een aantal van de in hoger beroep verzochte getuigen niet zijn gehoord overweegt het hof het volgende.
Bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel heeft het hof acht geslagen op:
 de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;
 het gewicht van de verklaringen van de getuigen voor de bewezenverklaring van het feit, en
 het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.
De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Getuige [getuige 2] is niet door de verdediging gehoord in hoger beroep, omdat het naar het oordeel van de raadsheer-commissaris onaannemelijk was geworden dat deze getuige binnen aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden. Deze getuige is één van de investeerders. Naar het oordeel van het hof zijn voldoende andere investeerders wel door de verdediging gehoord, zodat een betrouwbaar beeld gevormd kan worden over deze investeerders.
De getuigen [getuige 3] en [getuige 4] zijn eveneens niet door de verdediging in hoger beroep gehoord, om dezelfde reden. Voor het hof is van belang dat hetgeen deze getuigen hebben verklaard, dat zij geen geld van verdachte hebben ontvangen ten behoeve van de bedrijven waarvoor investeerders werden aangezocht, al blijkt uit de onderzochte bankafschriften en de eigen verklaring van verdachte. Voor het hof is voor het oordeel over het gronddelict verder niet van belang welke afspraken verdachte precies had met deze personen nu dit geen investeerders betreft waarvan de tenlastegelegde gelden zijn verkregen. Daarnaast gebruikt het hof de verklaring van alle hiervoor besproken getuigen niet als bewijsmiddel.
Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
  • De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep;
  • Het proces-verbaal van doorzoeking van verbalisant [verbalisant] van 12 december 2016, pagina’s 1111 en 1112;
  • Het proces-verbaal van onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 2] van 21 december 2016, pagina’s 1271 en 1272.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1.Hij
op een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 1 januari 2009 tot en met 6 december 2016
te [plaats] en/of [plaats] en/of [locatie] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althansin [land] ,
tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, krachtens die gewoonte,
(telkens
) een of meergeldbedrag
(en
)met een totale hoogte van ongeveer 800.000,00 euro
, althans enige geldbedrag,heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van
een of meergeldbedrag
(en
)heeft gebruik gemaakt,
terwijl hij
(telkens
)wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;
Feit 2.hij in
of omstreeksde periode van 1 mei 2015 tot en met 6 december 2016 te [plaats]
, althans in [land] ,
1) een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen van het merk STI, modeltype 2011 Eagle 5.1, kaliber 9mmx19, en
/of
2) munitie van categorie III, te weten
- acht volmantel kogelpatronen, kaliber 9mm, merk CBC, en
/of
- vijftig volmantel kogelpatronen, kaliber 9mm, merk Magtech, en
/of
- twintig hollowpoint kogelpatronen, kaliber 9mm merk Federal, voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep, te veroordelen tot een gevangenisstraf van 25 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke in termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf van 240 uren.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich van januari 2009 tot en met december 2016 schuldig gemaakt aan het
gewoontewitwassen van een geldbedrag van ongeveer € 800.000,00.
Verdachte heeft investeerders bewogen om door hem hun geld te laten investeren in bedrijven. Toen die investeerders grote bedragen op de buitenlandse privérekeningen van verdachte stortten heeft verdachte de geldbedragen omgezet en gebruikt. Door de gelden direct nadat zij waren gestort, contant op te nemen en te gebruiken om zijn eigen – luxe – levensstijl te financieren. Verdachte heeft hierbij uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte zich op grote schaal, dagelijks en intensief bezig hield met het witwassen van deze naar zijn privérekening overgemaakte bedragen en dat sprake was van een hoge organisatiegraad en grensoverschrijdende transacties. Het bewezenverklaarde moet onder die omstandigheden als zeer ondermijnend en ontwrichtend voor de samenleving worden aangemerkt. Het hof rekent verdachte dit aan. Het witwassen van criminele gelden vormt bovendien een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Daarnaast heeft verdachte ook een vuurwapen en bij dat wapen behorende munitie
voorhanden gehad. Het betrof een semi-automatisch vuurwapen, waarvan het
wapennummer was weggeslepen. Het wapen was half geladen, wat wil zeggen dat in het wapen een bijpassend patroonmagazijn stak, dat gevuld was met acht scherpe volmantel kogelpatronen. Het hof acht deze omstandigheden rondom het wapenbezit strafverzwarend.
Het hof heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 31 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De oriëntatiepunten ten aanzien van fraude geven als vertrekpunt bij een benadelingsbedrag van € 500.000 tot € 1.000.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. Het hof zal gelet op het benadelingsbedrag van ongeveer € 800.000 en het feit dat verdachte dit bedrag door zijn eigen misdrijf, oplichting, heeft verkregen en dus niet slechts een doorgeefluik was voor andere criminelen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig maanden als uitgangspunt nemen voor het gewoontewitwassen. Voor het voorhanden hebben van een pistool geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van vier maanden.
Alles afwegend acht het hof acht daarom in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden een passende straf.
Het hof houdt echter rekening met het feit dat de procedure niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verdachte is op 6 december 2016 in verzekering gesteld en de rechtbank wees het vonnis op 17 februari 2022. In eerste aanleg is daarmee de redelijke termijn overschreden met drie jaren en ongeveer twee maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn ook overschreden. Namens verdachte is op 2 maart 2022 hoger beroep ingesteld en het hof wijst arrest op 13 mei 2026, dus na een periode van ongeveer twee jaren en twee maanden. Dit terwijl als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal is aangevoerd, een termijn van drie jaren nadat de redelijke is aangevangen aan te nemen gelet op de zwaarte van de zaak en de onderzoekswensen in hoger beroep. Het betreft geen uitzonderlijk complexe zaak en de verhoren zijn in een relatief beperkt tijdsbeslag afgerond. De termijnoverschrijdingen vallen niet te wijten aan de proceshouding van verdachte. Bovendien moet meegewogen worden dat verdachte vanaf 28 februari 2017 zich heeft moeten houden aan de voorwaarden van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Het hof zal gelet hierop en de forse overschrijding van de redelijke termijn de duur van de gevangenisstraf matigen. Een vermindering van twaalf maanden gevangenisstraf acht het hof passend om de schending van de redelijke termijn te compenseren.
Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] had zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering van $ 181.500, ten aanzien van feit 1. De rechtbank heeft de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De advocaat-generaal heeft per mail op 28 april 2026 medegedeeld dat de benadeelde partij in hoger beroep door het openbaar ministerie niet als slachtoffer is geregistreerd in de systemen ofwel hieruit is verwijderd. De benadeelde partij is daarom niet aangeschreven. In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering dan ook niet gehandhaafd.
De advocaat-generaal ziet echter voldoende rechtstreeks verband tussen het feit en de gevorderde schade en acht de schade voldoende onderbouwd. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd voor het volledige gevorderde bedrag, met de wettelijke rente.
De verdediging heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt. Ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is voorbehouden aan uitzonderlijke situaties. Daarbij kan gedacht worden aan de gevallen waarin sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval geen sprake van zulk een uitzonderlijk geval. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Daarbij weegt het hof mee dat de advocaat-generaal daags voor de zitting desgevraagd aan de verdediging heeft laten weten dat de benadeelde partij niet bij het openbaar ministerie als zodanig is geregistreerd, niet is opgeroepen voor de zitting en niet is aangeschreven met de vraag of de vordering wordt gehandhaafd. Mede in het licht van die berichtgeving acht het hof het niet aangewezen om – zonder dat de verdediging de omvang van de vordering gedegen ter discussie heeft kunnen stellen – ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de onder nummers 1 tot en met 34 op de beslaglijst vermelde goederen verbeurd moeten worden verklaard, omdat het voorwerpen betreffen die aan verdachte toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 24, 33, 33a, 57, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 34.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. J.L.F. Groenhuijsen en mr. G. Voorhorst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Salvino, griffier,
en op 13 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van de uitspraak van het arrest ter openbare terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2026.
Tegenwoordig:
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. L.L. van Delft, advocaat-generaal,
mr. R. Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen wordt naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van het onderzoek van de Belastingdienst/FIOD kantoor Zwolle, met nummer 54189. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. In het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld zal het hof waar nodig de aard en inhoud van de bewijsmiddelen (waarvan de vindplaatsen al zijn vermeld) opnemen in een aanvulling bij dit arrest.
2.AMB-001, pagina’s 1022 tot en met 1024; AMB-012, pagina 1076.
3.DOC-004, pagina’s 2789 tot en met 2793; BOB-082b, pagina’s 783-784; BOB-082 pagina’s 778-779.
4.AMB-057, pagina’s 1491 tot en met 1946; DOC-404, pagina’s 4334 tot en met 4344; AMB-058, pagina’s 1501 en 1502.
5.AMB-048, pagina’s 1431 tot en met 1436.
6.Het zaakproces-verbaal van witwassen / verduistering, pagina’s 59-60 en het aanvullende proces-verbaal hiervan, AMB-065.
7.BOB-095b, pagina’s 887 en 888; BOB-05c, pagina 918; G-005-01, pagina 1741; V-001-03, pagina 1636; G-004-01, pagina 1738.
8.DOC-023, pagina 2886; DOC-024, pagina 2887; DOC-022, pagina’s 2879 tot en met 2885.
9.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.
10.Het algemeen overzichtsproces-verbaal, pagina 41.
11.G-010-01, pagina’s 1779 tot en met 1791; G-011-01, pagina’s 1803 tot en met 1818; G-017-01a, pagina’s 2032 tot en met 2082
12.Het zaakproces-verbaal van witwassen / verduistering, pagina’s 113 en 114.
13.De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.
14.AMB-040, pagina’s 1335 tot en met 1354.
15.AMB-057, pagina 1494; DOC-267, pagina 3729.
16.AMB-058, pagina 1505.