Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3100

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.358.458/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:301 lid 2 BWArt. 2.25 procesreglementHR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdelingsgeschil ex-samenwonenden over gezamenlijke woning en v.o.f. na beëindiging relatie

Deze civiele zaak betreft een verdelingsgeschil tussen twee ex-samenwonenden die samen een v.o.f. hadden voor een hondenpension en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De rechtbank bepaalde dat appellant de woning mocht overnemen of, bij gebrek aan financiële middelen, dat geïntimeerde de woning mocht verkopen met medewerking van appellant. Het vonnis trad in de plaats van de benodigde toestemming voor verkoop en levering en werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Appellant stelde een incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in en voerde hoger beroep tegen het vonnis. Het hof stelde vast dat appellant het hoger beroep niet binnen de vereiste termijn in het rechtsmiddelenregister had ingeschreven, waardoor zij deels niet-ontvankelijk is voor zover het hoger beroep zich richt op de verkoop en levering van de woning. De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid werd daarom afgewezen.

De overige geschilpunten, waaronder de verdeling van de kosten en de overwaarde van de woning, worden in een mondelinge behandeling behandeld. Het hof merkte op dat onvoldoende bewijs is geleverd dat de woning juridisch eigendom van de v.o.f. is, ondanks dat deze op de balans stond. De zaak is verwezen naar een roldatum voor het plannen van de mondelinge behandeling.

Uitkomst: Appellant is deels niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens niet-inschrijving in het rechtsmiddelenregister; het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen en mondelinge behandeling wordt bepaald voor overige geschilpunten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.458/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 320720
arrest in het incident van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
bij de rechtbank: gedaagde
advocaat: mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam
hierna:
[appellante]
en
[geïntimeerde]
die woont in de gemeente [gemeentenaam] (geheim adres)
bij de rechtbank: eiseres
advocaat: mr. J. de Ruiter te Kampen
hierna:
[geïntimeerde]

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel zittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank) op 21 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep (met grieven en eis in het incident) van 25 augustus 2025;
  • de akte uitlating ontvankelijkheid van [appellante] van 9 september 2025;
  • de antwoordakte ontvankelijkheid van [geïntimeerde] van 26 september 2025;
  • de memorie van antwoord, tevens antwoord in incident van 10 oktober 2025.
Daarna hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
1.2
Het hof stelt vast dat het verloop van de procedure in deze zaak niet geheel conform het procesreglement [1] is geweest. Nadat op 10 oktober 2025 de laatste memorie is genomen is de zaak direct voor arrest in het incident en in de hoofdzaak op de rol geplaatst. Niet blijkt dat een termijn voor beraad is gegeven als bedoeld in artikel 2.25 van het procesreglement. Het hof gaat er dan ook vanuit dat melding in het roljournaal dat ook arrest in de hoofdzaak wordt gewezen uitsluitend betrekking heeft op de ontvankelijkheidsvraag in verband met het niet-inschrijven in het rechtsmiddelenregister en dat verder alleen arrest is verzocht in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

2.De kern van de zaak

2.1.
Deze zaak betreft een verdelingsgeschil tussen twee ex-samenwonenden die tevens samen een v.o.f. hebben gehad waarin zij een hondenpension dreven). Het voornaamste vermogensbestanddeel betreft de woning die gezamenlijk eigendom van beide ex-partners is. De rechtbank heeft bepaald dat [appellante] de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen en, als zij daartoe niet in staat is, dat dan [geïntimeerde] de woning mag laten verkopen door een makelaar en dat [appellante] dan gehouden is om haar medewerking daaraan te verlenen. De rechtbank heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring van [appellante] om de woning te verkopen en te leveren. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft verder bepaald dat de baten en de schulden van de vennootschap 50-50 tussen partijen moeten worden verdeeld en dat hetzelfde geldt voor de overige gemeenschappelijke vermogensbestanddelen.
2.2.
[appellante] vordert bij wege van incident dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist
2.3.
Het hof zal beslissen dat [appellante] deels niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep en de incidentele vordering afwijzen. In de hoofdzaak zal het hof een mondelinge behandeling bevelen. Het hof zal die beslissingen hierna toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het hof gaat uit van de volgende feiten
3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben [in] 2019 een samenlevingscontract gesloten dat in een notariële akte is vastgelegd.
3.2
Partijen hebben op 1 mei 2019 tezamen de woning [adres] te [plaats] (verder: de woning) in eigendom verkregen tegen betaling van een koopsom van € 405.000. Deze woning is deels met een hypotheek en deels met eigen geld gefinancierd; beide partijen hebben elk per saldo ongeveer € 143.000 in de woning geïnvesteerd. Zij hebben samen in deze woning gewoond.
3.3
Partijen hebben samen, vanuit de woning, een onderneming (hondenpension) gedreven in de vorm van een v.o.f. onder de naam [naam] . Er is geen vennootschapscontract opgemaakt. De woning was op de balans van de [naam] geplaatst en daarop werd in de jaarstukken op afgeschreven.
3.4
[appellante] heeft het samenlevingscontract op 18 december 2023 opgezegd. De v.o.f. is per 31 december 2023 ontbonden.
3.5
Op 17 februari 2024 heeft [geïntimeerde] aangifte gedaan van bedreiging met een vuurwapen door [appellante] .
3.6
[geïntimeerde] heeft de woning verlaten.
De beslissing van de rechtbank
3.7
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat zij gemachtigd wordt om mede voor rekening van [appellante] alles wat nodig is te doen voor de verkoop van de woning en te bepalen dat de woning wordt verkocht. [appellante] heeft bepleit dat zij in de woning mag blijven wonen onder voorwaarde dat zij [geïntimeerde] uitkoopt, nadat eerst de v.o.f. is afgewikkeld, stellende dat de woning aan de v.o.f. toebehoort. Zij heeft daartoe een vordering in reconventie ingesteld.
3.8
De rechtbank heeft bepaald dat de woning getaxeerd moet worden met als peildatum 31 december 2023, dat [appellante] de woning tegen de getaxeerde waarde mag overnemen binnen twee maanden na de taxatie in die zin dat zij helft van de overwaarde aan [geïntimeerde] voldoet en haar uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening doet ontslaan. Als [appellante] daartoe niet in staat is mag [geïntimeerde] een makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning tegen een marktconforme prijs waarna bij verkoop de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld.
3.9
De rechtbank heeft daarbij bepaald dat het vonnis in de plaatst treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van [appellante] om de woning te verkopen en voor de voor eigendomsoverdracht vereiste levering van de woning en aflossing van de hypotheekschuld.
Verder heeft de rechtbank bepaald dat [appellante] voor een periode van zes maanden na vonnisdatum het gebruik van de woning mag voortzetten.
Gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep
3.1
Artikel 3:301 lid 2 BW Pro bepaalt dat het hoger beroep tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat deze in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte binnen acht dagen moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Als die inschrijving niet binnen die termijn plaatsvindt is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
3.11
Vast staat dat [appellante] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Zij stelt dat dit niet nodig was omdat zij geen bezwaar heeft tegen het onderdeel van de uitspraak waarbij is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de voor de levering benodigde machtiging van [appellante] . Haar bezwaren betreffen de door de rechtbank voorgeschreven verkoopprocedure en de haar gegunde termijn van uitsluitend gebruik.
3.12
Het hof verwerpt dit verweer van [appellante] . De eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister is beperkt tot de gevallen waarin op het moment dat het hoger beroep wordt ingesteld de uitspraak in de plaats is getreden van de akte van levering van een registergoed of nog kan treden. [2] In dit geval kan de uitspraak van de rechtbank nog in de plaats treden van de leveringsakte als [appellante] niet meewerkt aan de verkoop en levering. Dat betekent dat [appellante] hoger beroep had moeten inschrijven in het rechtsmiddelenregister op straffe van niet-ontvankelijkheid.
3.13
De niet-ontvankelijkheid beperkt zich uit tot klachten die zich richten tegen oordelen over het gedeelte van de uitspraak dat in de plaats treedt van de akte tot levering en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. [3] De onder 5.4. en 5.5. in het dictum van het bestreden vonnis opgenomen indeplaatsstellingen zien op de verkoop en de levering of zijn daarmee onlosmakelijk verbonden. De grieven van [appellante] zien voor het grootste deel op de aan haar opgelegde verplichting mee te werken aan de verkoop en levering van de woning en richten zich daarmee op de indeplaatsstelling en hetgeen daarmee onlosmakelijk is verbonden. In haar eerste grief klaagt [appellante] immers hoofdzakelijk over de door de rechtbank voorgeschreven verkoopprocedure en in haar tweede grief wil zij een langere termijn van voortgezet gebruik.
3.14
De niet-ontvankelijkheid strekt zich niet uit over de overige punten van het hoger beroep [4] namelijk de bezwaren tegen de verdeling van de kosten van de verkoopprocedure en van de kosten van de verdelingsprocedure en de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning.
De vordering in het incident wordt afgewezen
3.15
De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ziet, gelet op de motivering daarvan, op de verkoop en levering van de woning. Aangezien [appellante] in het daartegen gerichte onderdeel van het hoger beroep niet-ontvankelijk is, kan het verzoek tot schorsing niet worden toegewezen.
Het hof zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bepalen
3.16
In de hoofdzaak zal het hof een mondelinge behandeling bepalen. Daar zullen de overige geschilpunten over de (wijze van) verdeling aan de orde komen. Het hof merkt in dat verband op dat voor de stelling van [appellante] dat de eigendom van de woning in de v.o.f. was ingebracht onvoldoende stukken in het dossier zitten. Dat de woning op de balans van de v.o.f. voorkomt betekent nog niet dat de juridische eigendom ook bij de v.o.f. berust. Het hof gaat er vooralsnog vanuit dat slechts het gebruik van de woning is ingebracht in de v.o.f. Partijen mogen zich daarover ter tijdens de mondelinge behandeling nader uitlaten.
Het hof zal alle overige beslissingen aanhouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1
wijst de vordering af;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.2
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat zich richt tegen de verkoop en levering van de woning;
verwijst de zaak naar de roldatum van 26 mei 2026 voor opgave verhinderdata van partijen over de maanden juni tot en met oktober 2026 voor de bepaling van een datum voor een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord.
4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M. Willemse en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Voetnoten

1.Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.
2.HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.5.
3.HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, rov. 3.4 en HR 23 april 2021,
4.HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647 rov. 3.2.4.