Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3108

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.355.683
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 1:435 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen benoeming bewindvoerder moeder afgewezen wegens ongeschiktheid dochter

De moeder is vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. De kantonrechter heeft Wett & Roobe B.V. benoemd tot bewindvoerder. De dochter en zoon gingen hiertegen in hoger beroep en verzochten de dochter als bewindvoerder te benoemen.

Het hof overweegt dat hoewel de moeder en dochter in 2023 een levenstestament ondertekenden, dit niet specifiek de vermogensrechtelijke belangen betreft en dat van een levenstestament kan worden afgeweken als dit in het belang van de rechthebbende is. De bewindvoerder heeft onregelmatigheden geconstateerd in de financiële huishouding, waaronder vermoedens van fraude door de dochter.

Daarnaast is er sprake van een verstoorde relatie tussen de dochter, zoon en betrokken professionals, met meldingen van intimidatie en bedreigingen. De zorginstelling heeft de dochter de toegang ontzegd en beveiliging ingezet bij bezoeken van de zoon. Het hof concludeert dat de dochter ongeschikt is als bewindvoerder en bevestigt de benoeming van Wett & Roobe B.V.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de benoeming van Wett & Roobe B.V. als bewindvoerder en wijst het verzoek van de dochter af wegens ongeschiktheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.683
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11615558)
beschikking van 19 mei 2026
in de zaak over de benoeming van een bewindvoerder
[verzoekster](de dochter)
die woont in [woonplaats1]
en
[verzoeker](de zoon)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. H. Sala
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in een woonzorgcentrum in [woonplaats2]
en
Wett & Roobe B.V.(de bewindvoerder)
die is gevestigd in Veenendaal
advocaat: mr. C.P. Visser
en
Universitair Medisch Centrum Utrecht(UMC)
dat is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. P.J. Klein Gunnewiek

1.Samenvatting

De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft in zijn beschikking van 23 april 2025 het verzoek van het UMC om de moeder onder bewind van Wett & Roobe B.V. te stellen toegewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft vanaf september 2024 tot [in] mei 2025 verbleven in het UMC Utrecht. Daarvoor heeft zij zes maanden verbleven in een revalidatiecentrum.
2.2.
Het CIZ heeft op 6 mei 2025 besloten dat het noodzakelijk is de moeder op te nemen in een Wzd-geregistreerde accommodatie. Dat is een gedwongen opname in een verpleeghuis. Op 8 mei 2025 is de moeder overgeplaatst naar een woonzorgcentrum.
2.3.
Tegelijk met het uitspreken van het bewind heeft de kantonrechter in een aparte beschikking op 23 april 2025 een professionele mentor benoemd om praktische zaken zoals het aanschaffen van spullen voor de moeder te regelen.
Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de kantonrechter het mentorschap op verzoek van de mentor opgeheven omdat uitvoering van het mentorschap niet goed mogelijk was.
Bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de kantonrechter op verzoek van de officier van Justitie opnieuw een mentorschap ingesteld ten hoeve van de moeder en Goedhart Bewind B.V. benoemd tot mentor.

3.De procedure bij de kantonrechter

3.1
Het UMC heeft op 20 maart 2025 een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend om de moeder onder bewind te stellen van Wett & Roobe B.V.
3.2
De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen en Wett & Roobe B.V. benoemd tot bewindvoerder van de moeder.

4.De procedure bij het hof

4.1
De dochter en de zoon zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter over het bewind voor hun moeder en zij komen daarom in hoger beroep.
Naar aanleiding van wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 31 maart 2026 hebben de dochter en de zoon een deel van hun beroepsgronden en verzoeken ingetrokken. De dochter en de zoon verzoeken het hof nu uitsluitend nog om in plaats van Wett & Roobe B.V. de dochter als bewindvoerder te benoemen.
4.2.
De bewindvoerder is het niet eens met het verzoek. De bewindvoerder vraagt het hof de beslissing van de kantonrechter in stand te laten.
4.3.
Ook het UMC vindt dat de beslissing van de kantonrechter in stand moet blijven.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 21 juli 2025
  • de brief van mr. Sala van 21 augustus 2025
  • het verweerschrift van de bewindvoerder met producties
  • het verweerschrift van het UMC met producties
  • het journaalbericht van de bewindvoerder van 20 maart 2026 met producties
  • de pleitnota van mr. Sala
4.5.
De zitting bij het hof was op 31 maart 2026. Aanwezig waren:
- de zoon en de dochter met hun advocaat
- de bewindvoerder met zijn advocaat
4.6.
De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak onder nummer 200.363.501 over de benoeming van de mentor voor de moeder.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 onder Pro a. van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand.
5.2.
In artikel 1:435 BW Pro staat dat de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen die benoeming verzetten. Indien daar geen sprake van is en de rechthebbende geen partner heeft dan worden bij voorkeur kinderen, broers of zusters benoemd.
5.3.
Vast staat dat de moeder niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen ten gevolge van haar lichamelijke en geestelijke toestand.
5.4.
De dochter en de zoon bestrijden niet (meer) dat hun moeder vanwege haar medische situatie niet zelfstandig kan wonen en is aangewezen op intramurale zorg, maar zij zijn van mening dat de dochter in staat is om de taken van de bewindvoerder zelf uit te voeren. Zij stellen dat zij dat ook al deed voor de opname van de moeder in 2024. Uit het [in] 2023 door de moeder en de dochter ondertekende levenstestament waarin de moeder een algemene volmacht geeft aan de dochter om namens haar te beslissen, blijkt volgens de zoon en de dochter dat de moeder er de voorkeur aan geeft dat haar dochter haar belangen behartigt.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. Daargelaten dat de door de moeder en de dochter [in] 2023 ondertekende verklaring erg algemeen is geformuleerd en niet specifiek omschrijft dat de dochter de vermogensrechtelijke belangen voor de moeder mag behartigen, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat van een levenstestament/volmacht kan worden afgeweken wanneer dat in het belang is van de rechthebbende. De kantonrechter is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter op dit punt over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.6.
De bewindvoerder heeft diverse onregelmatigheden in de financiële huishouding van de moeder aangetroffen. Van de bankrekening van de moeder zijn in de periode voorafgaand aan het bewind veel betalingen gedaan naar de bankrekeningen van de dochter. Slechts een klein gedeelte daarvan is door de dochter terugbetaald aan de moeder. Ook blijkt uit oude bankafschriften dat er na de opname van de moeder in september 2024 nog veel pintransacties zijn gedaan met de bankpas van de moeder. De bewindvoerder vermoedt dat de dochter vele aankopen en transacties ten behoeve van zichzelf heeft gedaan.
Daarnaast vermeldt de bewindvoerder drie boekingen van in totaal € 1.750,- daags na de beschikking met de benoeming van de bewindvoerder van 23 april 2025. De bewindvoerder heeft van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bericht ontvangen dat het rekeningnummer waarop de moeder haar AOW ontvangt is gewijzigd naar het rekeningnummer van de dochter. Op die manier heeft de dochter de AOW over de maanden mei en juni 2025 ontvangen en de SVB zal dit naar verwachting terugvorderen. De bewindvoerder heeft vanwege het hiervoor genoemde aangifte gedaan van fraude door de dochter.
5.7.
Tot slot neemt het hof in aanmerking dat uit hetgeen de diverse professionals over de houding en de bejegening van de dochter en de zoon hebben verklaard, volgt dat rustig overleg met de dochter en de zoon over hun moeder niet mogelijk is. De medewerkers van de instellingen (waaronder ook zorgverleners), de bewindvoerder en de voormalige mentor voelen zich bedreigd en geïntimideerd door de uitlatingen en opstelling van de dochter en de zoon. De dochter en de zoon betwisten dat zij dreigementen uiten, maar gelet op het grote aantal meldingen kan het hof deze meldingen niet passeren en ziet het hof dat sprake is van een patroon. De zorginstelling zag zich genoodzaakt om zorgbeveiliging in te zetten als de zoon op bezoek komt bij de moeder en de dochter heeft de moeder inmiddels meerdere maanden niet gezien, omdat de zorginstelling haar de toegang tot de instelling heeft ontzegd. Voor het hof is duidelijk dat de dochter en de zoon niet kunnen samenwerken met de bij de moeder betrokken professionals. Uit de processtukken en wat op de zitting is besproken, blijkt dat de bewindvoerder en de huidige mentor wel goed in staat zijn om met elkaar af te stemmen en te overleggen met de medewerkers van de instelling waar de moeder verblijft en zo nodig ook met andere professionals die worden ingeschakeld voor de moeder.
5.8.
Dit alles tezamen maakt dat de dochter ongeschikt is om als bewindvoerder te fungeren en dat het in het belang is van de moeder dat de kantonrechter Wett & Roobe B.V. tot bewindvoerder heeft benoemd.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 april 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door de griffier, en is op 19 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.