Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3180

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
21-005591-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 82 SrArt. 6:101 BWArt. 6:106 BWArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel na verworpen noodweerverweer

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld voor mishandeling waarbij zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Verdachte had de benadeelde met een vuistslag op het gezicht geslagen, wat resulteerde in een gebroken kaak en een losgeraakte kies. Het hof verwierp het noodweerverweer van verdachte, omdat uit betrouwbare getuigenverklaringen bleek dat verdachte agressief op de benadeelde afliep en de eerste klap uitdeelde.

Het hof baseerde de bewezenverklaring vooral op de verklaringen van de benadeelde en een onafhankelijke getuige, die consistent en betrouwbaar werden bevonden. Het letsel werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt vanwege de medische ingrepen en de blijvende pijn die het slachtoffer ondervindt. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: het eigen risico van de zorgverzekering 2023 en een immateriële schadevergoeding van €2.500,- werden toegekend, terwijl andere materiële schadeposten niet ontvankelijk werden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd tevens veroordeeld in de kosten van het geding en tot betaling van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, deels voorwaardelijke hechtenis, en de benadeelde partij krijgt deels schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005591-24
Uitspraakdatum: 20 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 10 december 2024 met het parketnummer 18-321616-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Na vonniswijzing heeft er in de zaak nader onderzoek plaatsgevonden door het horen van getuigen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte voor het ten laste gelegde feit tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren;
  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. L.I. Veenstra, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M. de Vries, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft, zoals volgt uit het hiervoor genoemde vonnis waartegen het hoger beroep gericht is:
  • verdachte van het ten laste gelegde feit vrijgesproken;
  • de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juli 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht te stompen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en een losgeraakte kies ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en het vonnis van de politierechter bevestigd dient te worden, nu verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hiertoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat de verklaring van verdachte wordt gesteund door de verklaring van de meest neutrale getuige [getuige 1] . De verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn niet betrouwbaar. Gelet op de verklaringen die wel als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, moet aangever als agressor worden beschouwd. Nadat aangever verdachte agressief naderde en aangever verdachte meermalen had geschopt en verdachte niet meer achteruit kon, heeft verdachte aangever één vuistslag in het gezicht gegeven. Door zo te handelen is verdachte binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.
Het oordeel van het hof
Verdachte heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen, maar niet omdat het geven van de klap wordt ontkend. De verdediging doet een beroep op noodweer, waarover hierna meer. Het hof is van oordeel dat voor het slaan voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Met betrekking tot het bewijs merkt het hof het volgende op:
Verdachte geeft de volgende beschrijving van hetgeen op 20 juli 2023 te [plaats] is gebeurd. Hij heeft erkend dat hij een confrontatie heeft gehad met aangever en dat hij op enig moment aangever met een gebalde vuist tegen zijn kaak heeft geslagen, maar verdachte stelt dat hij aangever uit verdediging heeft geslagen. Aanleiding hiervoor was volgens verdachte onenigheid over zijn geparkeerde auto en de schade die was ontstaan aan de auto van aangever. Volgens verdachte kwam aangever agressief op hem af waarna verdachte hem een duw gaf. Hierop volgend schopte aangever verdachte meermalen. Hierna liep verdachte achteruit en toen hij niet meer verder kon heeft hij aangever uit verdediging een klap of stoot gegeven.
De verklaring van aangever houdt in dat hij op 20 juli 2023 aankwam op de camping waar hij woont. Hij zag dat de auto van verdachte ‘onhandig’ geparkeerd stond en dat verdachte bij de buurman een biertje aan het drinken was. Ze zaten daar met drie personen. Hij moest zich om de auto van verdachte manoeuvreren, zodat hij ruggelings in kan parkeren bij zijn chalet. Hierbij raakte hij een boompje en had hij krassen op zijn voertuig. Aangever is vervolgens naar verdachte gelopen om te vragen of hij zijn auto op een andere plek kon parkeren. Verdachte stond vervolgens op en liep op aangever af met twee vuisten omhoog. Na een korte woordenwisseling stapte aangever achteruit en kreeg hij vervolgens een stomp van verdachte op zijn linkerwang/-kaak met zijn rechter gebalde vuist. Dit was zo hard dat aangever op de grond viel. Aangever had veel pijn aan zijn linker wang. Aangever is direct opgestaan en blokkeerde 1 à 2 twee keer een vuistslag van verdachte. Hierop heeft aangever met zijn linkerbeen geschopt, omdat hij de situatie wilde stoppen. Vervolgens heeft de buurman hen uit elkaar gehaald. Aangever is diezelfde dag naar het ziekenhuis gegaan. Bij de eerste hulp zijn er foto’s van zijn kaak gemaakt. Op deze foto’s was te zien dat zijn linker kaak aan de onderzijde was gebroken. Aangever is de volgende dag geopereerd aan zijn kaak. De chirurg heeft een titaniumplaatje in zijn linker onderkaak bevestigd en tevens één kies aan de linker onderzijde verwijderd die door de klap was losgeraakt.
Betrouwbaarheid verklaringen
Het hof heeft bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs het volgende in acht genomen. In strafzaken dient als uitgangspunt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangever te twijfelen. De verklaring van aangever is concreet en gedetailleerd en vindt op essentiële onderdelen steun in ander bewijsmateriaal, zoals hierna zal worden overwogen.
Het hof constateert dat over de aanvang van het incident de verklaringen van getuigen in het dossier uiteenlopen en dat verschillende getuigen niet het gehele voorval vanaf het begin hebben gezien.
Dit is anders voor de verklaring van de getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), die zowel door de politie als bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord. Hij heeft bij de raadsheer-commissaris zijn eerdere verklaring gehandhaafd en herhaald. Getuige [getuige 2] heeft het gevecht vanaf het begin gezien en had gelet op waar hij op dat moment stond ook goed zicht op wat er gebeurde. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat aangever naar de tuin liep waar verdachte zich bevond. Hij zag dat verdachte vervolgens de tuin uitliep en dat verdachte zijn borst opzette en zich groot maakte. Dit maakte op [getuige 2] een intimiderende indruk. Hij zag dat aangever bleef staan, maar dat verdachte door bleef lopen en vlak bij aangever stond en dat hij door bleef lopen totdat hij aangever met zijn borstkas raakte. Hij zag dat aangever verdachte een zachte duw gaf. Verdachte raakte niet uit balans door deze duw. Aangever kwam op [getuige 2] heel beheerst over. Vervolgens zag [getuige 2] dat verdachte een rechtse hoek uitdeelde. Hij raakte met zijn vuist de kaak van aangever. Hij zag dat het een flinke uithaal was. Aangever gaf gelijk hierna een schop. Hierna zijn verdachte en aangever door verschillende personen uit elkaar gehaald.
Het hof weegt in het bijzonder mee dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij verbijsterd was over het feit dat iemand zomaar iemand uit het niets een klap geeft en dat het vreemd voor hem was dat dit gebeurde en dat hij het daarom goed heeft onthouden. Die opmerking over het gevoel dat de getuige had bij zijn waarnemingen sterkt het hof in de overtuiging dat hij oprecht, waarheidsgetrouw en authentiek heeft verklaard. Getuige [getuige 2] is consistent, gedetailleerd en authentiek in zijn verklaringen. Het hof ziet gelet hierop geen reden om aan zijn getuigenverklaringen te twijfelen, temeer niet nu [getuige 2] ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij zeker weet dat aangever niet heeft geschopt voordat verdachte hem een hoek uitdeelde.
Het hof baseert dan ook de bewezenverklaring van wat zich op 20 juli 2023 heeft afgespeeld met name op de inhoud van de verklaringen van aangever en de onafhankelijke getuige [getuige 2] . Daaruit volgt in essentie dat de verdachte agressief op aangever afliep, hem een stomp op zijn kaak gaf en pas daarna door aangever werd geschopt.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren. [1]
In hoger beroep staat niet ter discussie dat het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Ten gevolge van de klap die aangever van verdachte heeft gehad, is zijn kaak gebroken en een kies losgeraakt. Uit de medische informatie met betrekking tot aangever leidt het hof af dat hij een operatie heeft moeten ondergaan aan zijn kaakfractuur en dat tijdens de operatie een titaniumplaatje aan de linker onderzijde van de kaak is geplaatst. Ook is tijdens de operatie de losgeraakte kies aan de linker onderzijde verwijderd.
Uit de slachtofferverklaring op de zitting van het hof volgt dat aangever, ondanks de revalidatie, nog steeds elke dag last heeft van zijn kaak en dat door de behandelend arts is vastgesteld dat deze pijn blijvend van aard is. Dit letsel dient naar het oordeel van het hof gezien de aard en de gevolgen ervan voor aangever naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt.
Geen noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is ingevolge artikel 41, eerste lid, Sr vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Uit de door het hof als betrouwbaar beoordeelde verklaringen van aangever en getuige [getuige 2] volgt dat verdachte agressief op aangever afkwam en dat hij kort hierna de eerste klap heeft uitgedeeld. De lezing van verdachte, te weten dat aangever agressief op hem afkwam en dat aangever hem heeft geschopt voordat hij heeft geslagen, is niet aannemelijk geworden. Weliswaar wordt de verklaring van verdachte enigszins ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , maar hiervoor is aangegeven waarom het hof voor het bewijs van de volgorde van de gebeurtenissen gebruik heeft gemaakt van de eerder genoemde verklaringen van aangever en getuige [getuige 2] , die innerlijk en in combinatie met elkaar consistent en betrouwbaar worden geacht.
Het hof constateert dat verdachte de hem verweten gedragingen – het stompen en/of slaan – niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen, nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat het hof het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht, zoals hierna is vermeld. De verweren van de verdediging worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 20 juli 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde] heeft mishandeld door tegen het gezicht te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en een losgeraakte kies, ten gevolge heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan evenmin een beroep op noodweerexces worden gedaan. Het hof verwerpt om die reden het verweer.
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever, terwijl dit voor hem zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Verdachte heeft aangever min of meer uit het niets een harde stomp op zijn gezicht gegeven, waardoor de kaak van aangever brak en een kies zo los is geraakt dat die verwijderd moest worden. Door zo te handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Verdachte heeft voor zijn handelen en de gevolgen daarvan voor aangever slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid genomen. Het hof houdt er evenwel ook rekening mee dat niet is gebleken dat verdachte heeft gehandeld met het doel om dusdanig ernstig letsel bij aangever te veroorzaken.
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 7 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, waaronder voor soortgelijke strafbare feiten. Omdat dit (zeer) oude veroordelingen betreffen weegt het hof deze niet ten nadele mee bij de bepaling van de straf.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte werkt drie dagen in de week, omdat zijn gezondheid het niet toelaat om meer dagen te werken. Hiervan kan hij net rondkomen. Verder past hij regelmatig op zijn kleinzoon.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, is het hof van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit, mede in het licht van de straffen die rechters aan verdachten bij mishandelingen met dergelijk zwaar lichamelijk letsel ten gevolge plegen op te leggen, in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren rechtvaardigt. Toch ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding deze straf deels voorwaardelijk op te leggen, zoals hierna is vermeld.
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend. Het niet opleggen van een onvoorwaardelijk deel van deze straf miskent de ernst van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 11.962,87 ingediend. De benadeelde partij is – als gevolg van de vrijspraak – door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de volgende posten:
Materiële schade bestaande uit:
- Eigen risico zorgverzekering 2023 € 385,-
- Eigen risico zorgverzekering 2024 € 385,-
- Kosten tandarts € 1.131,58
- Kosten kaakchirurg € 1.127,49
- Verlies verdienvermogen augustus 2023 € 6.433,80
Totale materiële schade: € 9.462,87
Immateriële schade: € 2.500,-
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij volledig wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding.
Subsidiair heeft de raadsvrouw – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De schadeposten ‘eigen risico zorgverzekering 2024’, ‘kosten tandarts’, ‘kosten kaakchirurg’ en ‘verlies verdienvermogen’ zijn onvoldoende onderbouwd en daarom dient de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De immateriële schade dient lager vastgesteld te worden, omdat rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat het incident is voortgekomen uit een escalerende confrontatie waarbij de benadeelde partij zelf als initiatiefnemer dient te worden beschouwd.
Het oordeel van het hof
Materiële schade
De door de benadeelde partij gevorderdere schadepost ‘eigen risico zorgverzekering 2023’ is niet betwist door de verdediging. Het hof is van oordeel dat, gelet op de onderbouwing van de benadeelde partij en de overige inhoud van het dossier, voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
De door de benadeelde partij gevorderde schadepost ‘eigen risico zorgverzekering 2024’ is door de verdediging betwist. Het hof is van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd, omdat het hof op basis van de stukken bij het voegingsformulier en de vermelde onderbouwing niet kan vaststellen of het eigen risico is betaald vanwege de schade die de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit heeft geleden.
Ook de gevorderde schadeposten ‘kosten tandarts’ en ‘kosten kaakchirurg’ zijn door de verdediging betwist. Het hof stelt op basis van de medische stukken van de benadeelde partij vast dat tijdens de operatie de elementen 38 en 26 zijn verwijderd, terwijl op de brief en factuur van de tandarts staat dat de benadeelde partij na een mishandeling element 25 mist en dat dit opgevuld kan worden met een implantaat. Nu deze kosten dus lijken te zien op een ander element dan die eerder zijn verwijderd, kan het hof niet zonder nadere bewijslevering vaststellen dat de benadeelde partij deze schade door het bewezen verklaarde feit heeft geleden. Dat zou echter een onevenredige belasting van de strafprocedure opleveren. Het hof is dan ook van oordeel dat met betrekking tot deze schadeposten de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.
Verder is ook de gevorderde schadepost ‘verlies verdienvermogen augustus 2023’ door de verdediging betwist. Het hof stelt vast dat verdachte werkzaam is als zzp’er en een eigen klussenbedrijf heeft. Ter onderbouwing van het verlies aan verdienvermogen heeft de benadeelde partij de aangiften omzetbelasting in de periode van januari 2023 t/m oktober 2023 bij het voegingsformulier gevoegd.
De verdediging voert aan dat de aangiften omzetbelasting onvoldoende zijn om vast te kunnen stellen dat dat er sprake is van een verlies aan verdienvermogen, mede omdat uit de aangiften ook volgt dat de omzet iedere maand fluctueert en er geen gegevens zijn overgelegd over dezelfde maand(en) in andere jaren.
Op basis van de beschikbare stukken acht het hof onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij in de maand augustus 2023 werkzaamheden zou gaan verrichten en dat dit ten gevolge van het strafbare feit niet kon worden verricht. Daarvoor zou nader onderzoek (en meer gegevens) nodig zijn, hetgeen ook hier een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is verdachte gehouden tot vergoeding van € 385,- (eigen risico zorgverzekering 2023) aan materiële schade zodat de vordering ten aanzien van de materiële schade tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2023 tot aan de dag der voldoening, zal worden toegewezen.
Voor zover het hof de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet heeft toegewezen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts nog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de overige inhoud van het dossier voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden doordat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestaat onder meer uit een gebroken kaak en een losgeraakte kies. De benadeelde heeft een operatie moeten ondergaan aan zijn gebroken kaak en tijdens deze operatie is een titaniumplaatje aan de linker onderzijde van de kaak geplaatst. Ook is tijdens de operatie een losgeraakte kies aan de linker onderzijde verwijderd. Ondanks de revalidatie heeft hij nog steeds elke dag last van zijn kaak en door de behandelend arts is vastgesteld dat deze pijn blijvend van aard is.
Het hof heeft aldus bij de begroting van de schade gelet op de aard en ernst van het aan verdachte verweten feit en de lange tijd dat het slachtoffer pijn en hinder heeft ervaren en daar nog steeds hinder van ondervindt en (naar het zich laat aanzien) zal blijven ondervinden. Het hof heeft ook gelet op bedragen die door de Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Alles afwegende, acht het hof het gevorderde bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van de immateriële schade van de benadeelde partij billijk, waardoor de vordering ter zake van de immateriële schade tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2023 tot aan de dag der voldoening, zal worden toegewezen.
Het hof leidt uit hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd af dat aan de kant van de benadeelde partij sprake zou zijn van een eigen schuld, in de zin van artikel 6:101, eerste lid, BW en dat gelet hierop de gevorderde immateriële schade verminderd dient te worden.
Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar betoog. Voor een geslaagd beroep op de eigen schuld van de benadeelde partij op grond van artikel 6:101, eerste lid, BW is vereist dat de ontstane schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Hierbij dient te worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de benadeelde partij en anderzijds het gedrag van de verdachte tot de schade heeft bijgedragen. Het handelen van de benadeelde partij tijdens het voorval, zoals dit hierboven uiteen is gezet en dat verdedigend van aard is geweest, rechtvaardigt op geen enkele wijze de conclusie dat dit heeft bijgedragen aan de ontstane schade. Daarom is hier geen sprake van een situatie waarin de billijkheid een vermindering van de vergoedingsplicht van verdachte eist.
Kosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 juli 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. O. Anjewierden, mr. H.J. Deuring en mr. P.F.E. Geerlings, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66.