Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn in 2009 gehuwd en hebben vier minderjarige kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het huwelijk is op 13 maart 2026 ontbonden. De rechtbank Midden-Nederland heeft in eerste aanleg een zorgregeling vastgesteld die onder meer bepaalt hoe de kinderen verdeeld zijn over de ouders gedurende de week en vakanties.
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de zorgregeling en verzocht om schorsing van de werking van de beschikking voor zover deze betrekking heeft op twee van de kinderen. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit verzoek. De rechtbank had de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor het hof de schorsing alleen kan toewijzen als het belang van de verzoeker zwaarder weegt dan dat van de andere partij.
Het hof oordeelt dat het niet in het belang van de kinderen is om de zorgregeling nu te wijzigen, omdat zij al enkele maanden wordt uitgevoerd en continuïteit en rust voor de kinderen belangrijk zijn. De vader onderhoudt voldoende contact met de kinderen en heeft geen overtuigende argumenten aangevoerd voor een wijziging. De vermeende fouten in de beschikking kunnen in de hoofdzaak worden behandeld. Daarom wijst het hof het verzoek tot schorsing af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en handhaaft de zorgregeling voor de twee jongste kinderen.