ECLI:NL:GHARL:2026:3246

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
Wahv 200.358.513/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs staandehouding bij statische controle

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2) op 1 juli 2023. De kantonrechter matigde de sanctie wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende proceskosten toe. In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat de enkele vermelding van 'statische controle' onvoldoende is om vast te stellen dat geen staandehouding mogelijk was, mede omdat onduidelijk is of de gedraging via camera is vastgesteld en of de bebording correct was.

Het hof overwoog dat volgens artikel 5 Wahv Pro de ambtenaar de bestuurder moet staande houden om identiteit vast te stellen, tenzij geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De ambtenaar verklaarde dat sprake was van statische controle, maar het dossier bevatte onvoldoende gegevens om vast te stellen dat staandehouding niet mogelijk was. De advocaat-generaal kon niet aantonen dat de gedraging via cameratoezicht was vastgesteld, en de ambtenaar had dit niet vermeld ondanks verzoeken om aanvullende informatie.

Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de eerdere beslissingen, en bepaalde dat de door betrokkene gestelde zekerheid wordt gerestitueerd. Tevens veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €908,13. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in openbare zitting.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat staandehouding niet mogelijk was; proceskosten worden aan betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.513/01
CJIB-nummer
: 259047913
Uitspraak d.d.
: 26 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 120,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “handelen ism een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990 eenrichtingsverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 juli 2023 om 21.18 uur op de Buitenhavenweg in Schiedam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 120,- omdat de redelijk termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene herhaalt de gronden ten aanzien van de staandehouding. De enkele vermelding ‘statische controle’ is onvoldoende om vast te stellen dat geen staandehouding mogelijk is. Daar vult hij bij aan dat de advocaat-generaal het vermoeden heeft dat de gedraging is vastgesteld middels een camera, maar dit is enkel vastgesteld aan de hand van eerdere ervaringen en het feit dat zich op de locatie een camera bevindt. Zelfs de aanname dat middels een camera werd gehandhaafd leidt niet tot de conclusie dat geen staandehouding mogelijk was. Immers is niet duidelijk of het een eenmanscontrole betrof en hoe de controle was ingericht. Verder voert de gemachtigde aan dat de betrokkene nooit een bord C2 is gepasseerd. Niet blijkt dat de aanwezigheid van de bebording is gecontroleerd en welke bebording zou gelden op de Buitenhavenweg. Als de ambtenaar handhaafde middels een camera moeten er schouwrapporten aanwezig zijn. Als deze er niet zijn, kan de aanwezigheid van de borden niet worden vastgesteld.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de weg werd gebruikt in de richting waarin deze gesloten is. De tekst op het onderbord luidde: “uitgezonderd (brom-)fietsen”. De uitzondering(en), genoemd op het onderbord was (waren) niet van toepassing. (…)
Reden geen staandehouding: statische controle.
Bijlagen: fotografische opname.”
6. In het dossier bevindt zich een foto. Dit lijkt een foto te zijn van een beeldscherm. Op dat beeldscherm is een straat te zien, met aan beide zijden een bord C3 (éénrichtingsverkeer). Het voertuig van de betrokkene is te zien in tegemoetkomende richting.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. In dit verband is door de ambtenaar verklaard dat sprake was van een statische controle. Het is vaste rechtspraak van dit hof dat de keuze voor een (statische) controle op de pleeglocatie aan de ambtenaren is en zich slechts leent voor een uiterst terughoudende toetsing. Daarbij is wel van belang dat de omstandigheden van het geval kunnen worden meegewogen. In dit geval lijkt het er op dat de gedraging is geconstateerd middels cameratoezicht, wat betekent dat de ambtenaar niet zelf ter plaatse was. Door de advocaat-generaal is betoogd dat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de gedraging is vastgesteld middels cameratoezicht. Dit kan worden afgeleid uit afbeeldingen van Google Street View waar een camera op te zien is en een nieuwsbericht waarin een politieagent verklaart camerabeelden van de pleeglocatie te hebben uitgekeken. Dit is echter niet door de ambtenaar zelf verklaard in de gegevens in het dossier, terwijl dit wel relevante informatie voor de beoordeling van de zaak betreft. Het had dan ook op diens weg gelegen om dat te vermelden. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie en de advocaat-generaal de ambtenaar om aanvullende informatie hebben verzocht, maar dat geen reactie is ontvangen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier daarom onvoldoende gegevens om vast te stellen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.
9. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift, een nadere toelichting daarop en het verschijnen op de zitting van de kantonrechter dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen.
De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 666,- en voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 908,13 (= (1,5 x € 666,- x 0,5) + (3,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 908,13.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.