Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3304

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.349.841
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 347 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onverschuldigde betalingen en regresvordering bij gezamenlijke huurovereenkomst

In deze civiele zaak staat centraal of geïntimeerde onverschuldigde betalingen heeft verricht aan de bankrekening van zijn eenmanszaak ten laste van de slagerij van de onderbewindgestelde, en of er een regresvordering bestaat betreffende de gezamenlijke huurovereenkomst.

De bewindvoerder van de onderbewindgestelde vordert terugbetaling van €48.405,95 aan onverschuldigde betalingen. Het hof oordeelt dat slechts twee overboekingen van in totaal €26.600 op 2 januari 2024 onverschuldigd zijn verricht, waarvan de helft is teruggestort. De overige betalingen zijn onvoldoende onderbouwd als onverschuldigd, mede vanwege het langdurige en complexe betalingsverkeer tussen partijen en het ontbreken van een sluitende administratie.

Ten aanzien van de regresvordering over de gezamenlijke huur van een winkelruimte vanaf april 2023, oordeelt het hof dat onvoldoende is gesteld en gebleken wat de interne afspraken waren over de verdeling van de huurbetalingen en welke bedragen daadwerkelijk zijn voldaan. Hierdoor wordt de regresvordering afgewezen.

De onderbewindgestelde wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep vanwege het beschermingsbewind. De kosten van beide instanties worden ieder door partijen zelf gedragen. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €13.300 wegens onverschuldigde betaling; regresvordering betreffende huur wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.841
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573309
arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
1. [de bewindvoerder] h.o.d.n. [bedrijfsnaam]in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[de onderbewindgestelde], voorheen h.o.d.n.
[de slagerij]
kantoorhoudend in Harmelen
hierna te noemen: de bewindvoerder, [de onderbewindgestelde] en de slagerij

2 [de onderbewindgestelde]

die woont in [woonplaats]
hierna te noemen: [de onderbewindgestelde]

3 King Import & Export

voorheen gevestigd in Vianen
hierna te noemen: King
eisende partijen bij de rechtbank
appellanten in hoger beroep
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna te noemen: [geïntimeerde]
verweerder bij de rechtbank
geïntimeerde in hoger beroep
advocaat: mr. R. Tamourt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De bewindvoerder, [de onderbewindgestelde] en King hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 18 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven met een wijziging van eis
  • de memorie van antwoord
  • een nadere productie van de bewindvoerder, [de onderbewindgestelde] en King
  • een akte wijziging van eis van de bewindvoerder, [de onderbewindgestelde] en King
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 2 februari 2026 is gehouden.
1.2.
Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[de onderbewindgestelde] en [geïntimeerde] zijn neven van elkaar; zij hebben nagenoeg dezelfde naam. [geïntimeerde] heeft [de onderbewindgestelde] geholpen in zijn slagerij en heeft volgens [de onderbewindgestelde] bedragen van de bankrekening van de slagerij zonder rechtsgrond overgemaakt naar zijn eigen rekening. Deze bedragen vordert hij als onverschuldigd betaald terug. Partijen zijn ook samen een huurovereenkomst aangegaan. Volgens [de onderbewindgestelde] heeft [geïntimeerde] te weinig bijgedragen aan de huurbetalingen en heeft hij daarom een regresvordering op [geïntimeerde] .
2.2.
[de onderbewindgestelde] en King hebben bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de overgeboekte bedragen. Daarnaast vorderden [de onderbewindgestelde] en King schadevergoeding.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, omdat [de onderbewindgestelde] en King hun standpunt dat er onverschuldigd is betaald, onvoldoende hebben onderbouwd. Ook voor toewijzing van de schadevergoeding was onvoldoende grond. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vordering die ziet op de onverschuldigde betalingen alsnog wordt toegewezen; de schadevergoedingsvordering speelt in hoger beroep niet meer. Wel hebben de bewindvoerder, [de onderbewindgestelde] en King aanvullend een regresvordering betreffende de huur aan het hof voorgelegd.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank vernietigd wordt, zal een deel van de vordering van de bewindvoerder toewijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Procespartijen
3.1.
[de onderbewindgestelde] is vanaf 20 augustus 2024 onder beschermingsbewind gesteld. Dit betekent dat hij op grond van artikel 1:441 BW Pro niet bevoegd is in deze procedure op te treden, maar dat zijn bewindvoerder als formele procespartij geldt. [de onderbewindgestelde] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in hoger beroep.
3.2.
Ter zitting heeft de advocaat van King bevestigd dat geen vorderingen van King voorliggen aan het hof en heeft hij de vordering jegens King vermindert tot nihil. Dit behoeft dan ook geen verdere beoordeling meer.
De verzoeken tot wijziging van eis
3.3.
De bewindvoerder heeft zowel bij memorie van grieven als in een latere akte een eiswijziging verzocht. [geïntimeerde] heeft tegen beide eiswijzigingen bezwaar gemaakt.
3.4.
De eiswijziging bij memorie van grieven is tijdig gedaan. Het betreft een eisvermeerdering. [de onderbewindgestelde] heeft in eerste aanleg geen huurvordering ingesteld; dat doet zijn bewindvoerder nu voor het eerst in hoger beroep. Het hoger beroep strekt mede ertoe de appellant de gelegenheid te bieden tot het aanvullen van wat hij in eerste aanleg heeft gedaan. De eisvermeerdering is ook niet in strijd met de goede procesorde en is daarom toelaatbaar. Dit ligt anders voor de eisvermeerdering die de bewindvoerder heeft verzocht bij akte. De in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten twee-conclusieregel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Een reden voor een uitzondering op deze regel is niet gebleken, zodat het hof deze tweede eisvermeerdering niet toelaatbaar acht.
De overboekingen met gebruikmaking van de volmacht; onverschuldigde betaling
3.5.
Het hof gaat uit van de navolgende feiten.
3.6.
[de onderbewindgestelde] had voorheen een slagerij. [geïntimeerde] hielp hem in de slagerij en had daarvoor een volmacht tot de bankrekening van de slagerij.
3.7.
De bewindvoerder heeft de bankafschriften van de slagerij overgelegd waarop zichtbaar is dat vanaf 6 januari 2022 tot en met 24 januari 2024 regelmatig gelden worden overgeboekt naar de bankrekening van de eenmanszaak van [geïntimeerde] . Ook is daarop te zien dat er gelden teruggeboekt worden van de eenmanszaak van [geïntimeerde] naar de slagerij. De overboekingen kennen of geen omschrijving of de omschrijvingen: “Lenen” en “Terug lenen” of omschrijvingen met die strekking.
3.8.
Op 2 januari 2024 zijn twee grote bedragen overgeboekt van de bankrekening van de slagerij naar de bankrekening van de eenmanszaak van [geïntimeerde] ; eerst € 15.000 en bijna elf minuten daarna € 11.600. Op 24 januari 2024 is € 13.300 teruggestort.
3.9.
[geïntimeerde] heeft bankafschriften van zijn privérekening overgelegd. Hierop zijn meerdere overboekingen van en naar de privérekening van [de onderbewindgestelde] zichtbaar in de periode april 2018 tot en met oktober 2022. Dit betreft bij- en afschrijvingen zonder omschrijving of met de omschrijving “Lenen” of woorden met die strekking. Ook heeft [geïntimeerde] bankafschriften overgelegd van de bankrekening van zijn eenmanszaak. Hierop is betalingsverkeer met de privérekening van [de onderbewindgestelde] zichtbaar; het betreft bij- en afschrijvingen in de periode januari 2022 tot en met september 2022.
3.10.
De bewindvoerder heeft een berekening gemaakt van het saldo van de overboekingen tussen de bankrekening van de slagerij en de bankrekening van de eenmanszaak van [geïntimeerde] . Volgens haar is er € 48.405,95 meer van de slagerij naar de eenmanszaak dan andersom overgeboekt. Dit bedrag vordert zij van [geïntimeerde] terug als onverschuldigd betaald. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen en de bewindvoerder meent dat dit ten onrechte is.
3.11.
Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat, nu de bewindvoerder zich beroept op de rechtsgevolgen van de stelling dat de slagerij de genoemde bedragen onverschuldigd heeft betaald, op haar de last rust de feiten en omstandigheden te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen die tot dat rechtsgevolg kunnen leiden.
3.12.
De bewindvoerder stelt dat [de onderbewindgestelde] , toen hij merkte dat er begin januari 2024 grote bedragen van de bankrekening van de slagerij waren afgeschreven, is nagegaan of er nog meer overboekingen zijn gedaan naar de eenmanszaak van [geïntimeerde] waar hij niet van wist. Hij heeft ontdekt dat in de periode van 6 januari 2022 tot en met 2 januari 2024 56 overboekingen zijn gedaan zonder zijn medeweten. Hij stelt dat al deze betalingen zonder rechtsgrond zijn gedaan. De bewindvoerder heeft erkend dat [geïntimeerde] gemachtigd was tot de bankrekening van de slagerij die bedoeld was om facturen mee te kunnen voldoen, maar stelt dat de overboekingen niet zien op de voldoening van facturen.
3.13.
[geïntimeerde] betwist dat de overboekingen onverschuldigd zijn. Hij voert aan dat hij contante betalingen aan leveranciers heeft voorgeschoten. Deze voorgeschoten bedragen werden later terugbetaald vanaf de bankrekening van de slagerij. Als bewijs heeft hij diverse kwitanties overgelegd, waarop zijn naam en geboortedatum staan en het bedrag dat hij namens de slagerij heeft voldaan. Ook heeft hij een schriftelijke verklaring van een leverancier van de slagerij overgelegd waarin de leverancier verklaart dat [geïntimeerde] facturen van de slagerij contant heeft voldaan. Tot slot heeft hij een verklaring van een boekhouder overgelegd. Hierin staat, voor zover relevant:
Hierbij verklaren wij, (…) , dat wij zorgvuldig de debet- en creditjournaalposten met betrekking tot grootboekrekening 0904 Lening - [de slagerij] hebben gecontroleerd. Deze controle is uitgevoerd op 24 april 2024 aan de hand van de verstrekte facturen, betaalbewijzen en bankafschriften. Na grondige analyse en reconciliatie van de bovengenoemde documenten, is het resultaat als volgt:
Debetsaldo: €65.697,14
Creditsaldo: €65.648,34
Hieruit volgt dat het saldo van grootboekrekening 0904 Lening - Islamitische Slagerij Damstraat een creditsaldo vertoont van €48,80.
3.14.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat het betalingsverkeer tussen partijen en hun eenmanszaken meerdere jaren - van 2018 tot en met 2024 - heeft bestreken en er veelvuldig overboekingen werden gedaan. Partijen erkennen beiden dat er geen goede / juiste administratie is gevoerd door hen. Gelet op deze omstandigheden kon de bewindvoerder er niet mee niet volstaan de vordering te baseren op het saldo van de bij- en afschrijvingen op één bankrekening gedurende een bepaalde periode. Vast staat immers dat er ook betalingsverkeer via andere bankrekeningen van partijen en hun eenmanszaken plaatsvond en dat dit betalingsverkeer een langere periode betrof dan de bewindvoerder er nu uitgelicht heeft. Daar komt bij dat het niet geloofwaardig is dat [de onderbewindgestelde] jarenlang met geen woord gerept heeft over de overboekingen van de bankrekening van de slagerij naar de eenmanszaak van [geïntimeerde] en vervolgens vanaf januari 2024 het standpunt inneemt dat alle betalingen aan de eenmanszaak van [geïntimeerde] onverschuldigd zijn. Zeker in het licht van [de onderbewindgestelde] ’s erkenning dat partijen over en weer tussen 2018 en 2024 leningen zijn aangegaan en de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] van de onverschuldigdheid van de overboekingen, heeft de bewindvoerder onvoldoende gesteld om de betalingen als onverschuldigd aan te kunnen merken.
3.15.
Dit is anders voor de twee overboekingen die kort na elkaar op 2 januari 2024 hebben plaatsgevonden van totaal € 26.600 van welk bedrag precies de helft drie weken later is teruggestort. De bewindvoerder heeft uiteengezet dat [de onderbewindgestelde] kort daarvoor, namelijk eind december 2023, € 28.000 had geleend bij kredietinstelling Bridgefund om aankopen te kunnen doen in China. Ter onderbouwing heeft de bewindvoerder een geldleningsovereenkomst overgelegd. Eenmaal in China bemerkte [de onderbewindgestelde] dat het geld niet meer op de bankrekening van de slagerij stond. Hierdoor kon hij de afspraken met zijn Chinese wederpartij niet nakomen, is hij in geldnood gekomen en heeft hij beschermingsbewind moeten aanvragen. Deze gebeurtenissen zijn als zodanig niet weersproken door [geïntimeerde] . Dit ondersteunt de stelling van de bewindvoerder dat deze twee bedragen onverschuldigd zijn betaald. Met deze omstandigheden is voldoende vast komen te staan dat [de onderbewindgestelde] niet heeft ingestemd met deze overboekingen naar de bankrekening van de eenmanszaak van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft betoogd dat hij het geld naar zichzelf heeft overgeboekt, vervolgens een berekening heeft gemaakt van wat [de onderbewindgestelde] hem nog verschuldigd was en tot slot de helft van het bedrag weer heeft teruggeboekt. Hij erkent dat [de onderbewindgestelde] niet heeft ingestemd met de berekening. Enige staving van deze berekening ontbreekt. In het dossier zitten enkele facturen, maar die zijn niet te rijmen met de twee overboekingen van 2 januari 2024 of het eerdere betalingsverkeer op de bankrekeningen van partijen. Het hof acht deze betwisting van [geïntimeerde] daarom onvoldoende onderbouwd, zeker nu de bedragen binnen 11 minuten van elkaar zijn afgeboekt en qua omvang sterk afwijken van het eerdere betalingsverkeer tussen partijen (tot € 5.000). Daarbij komt dat de overboekingen naar zeggen van [geïntimeerde] ook niet waren bedoeld voor het vergoeden van door hem voorgeschoten leveranties, maar meer als een afrekening dienen te worden gezien. Die afrekening is echter volstrekt niet onderbouwd, terwijl dat wel op de weg van [geïntimeerde] lag. Het hof is van oordeel dat hiermee in voldoende mate is vast komen te staan dat genoemde betalingen zonder rechtsgrond zijn verricht.
3.16.
Partijen hebben tot slot elk een vertaling van een transcript van eenzelfde audio opname overgelegd. De vertalingen lopen uiteen, zodat het hof hier verder aan voorbij gaat. [geïntimeerde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 13.300 aan de bewindvoerder. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente bestaat geen grond omdat de vordering niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst.
De regresvordering betreffende het gezamenlijke huurcontract
3.17.
Het hof gaat uit van de navolgende feiten.
3.18.
Vanaf april 2023 huurden partijen, via hun eenmanszaken, gezamenlijk een winkelruimte. De maandelijkse huur bedroeg € 2.715,42. [geïntimeerde] heeft vanaf februari 2024 t/m november 2024 de huur voor de helft betaald en voor die tijd geen enkele huurbetaling gedaan. Vanaf mei 2024 heeft [de onderbewindgestelde] de huur niet betaald.
3.19.
De verhuurder is een kort geding gestart wegens de ontstane huurachterstand. Bij vonnis van 10 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter de bewindvoerder en [geïntimeerde] veroordeeld tot ontruiming van de winkelruimte en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, tot en met 31 januari 2025 berekend op € 14.930,19 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, tot betaling van de huur tussen 31 januari 2025 en de dag van feitelijke ontruiming en tot betaling van de proceskosten.
3.20.
In de huurovereenkomst staan [de onderbewindgestelde] en [geïntimeerde] beiden genoemd als huurders.
3.21.
Het hof overweegt als volgt. Op basis van de huurovereenkomst waren [de onderbewindgestelde] en [geïntimeerde] vanaf april 2023 elk hoofdelijk aansprakelijk voor de huurbetaling aan de verhuurder. Hun gezamenlijke vof was geen partij bij de huurovereenkomst en dus niet aansprakelijk voor de huurbetaling, zoals bepleit. De huurovereenkomst is duidelijk over wie de partijen zijn.
3.22.
Een wettelijke regresvordering tussen medeschuldenaren ontstaat pas op het moment dat een hoofdelijk schuldenaar aan de schuldeiser zijn schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem in verhouding tot de medeschuldenaar (de interne verhouding) aangaat [1] .
3.23.
Of [de onderbewindgestelde] meer aan de verhuurder heeft betaald dan het gedeelte dat hem aangaat, is niet vast te stellen. In de eerste plaats is onduidelijk gebleven wat [de onderbewindgestelde] en [geïntimeerde] onderling hebben afgesproken over welk deel van de huur hen elk aangaat. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat zij in hun onderlinge verhouding elk de helft dienden te betalen vanaf het aangaan van de huurovereenkomst, [geïntimeerde] betwist dit en voert aan dat is afgesproken dat hij pas vanaf februari 2024 de helft van de huur voor zijn rekening zou nemen. Ten tweede berekent de bewindvoerder de huur ten onrechte vanaf 18 november 2021. Voorafgaand aan de huurovereenkomst vanaf april 2023 was er een huurovereenkomst op naam van alleen [de onderbewindgestelde] . [de onderbewindgestelde] heeft weliswaar betoogd dat hij samen met [geïntimeerde] in die periode een vennootschap onder firma dreef en dat uit die onderneming een verplichting volgde dat partijen de huur bij helfte deelden, maar voor dit deel van de vordering is mede tegen de achtergrond van het voornoemde en de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. [geïntimeerde] is pas vanaf 1 april 2023 medehuurder en daarmee hoofdelijk aansprakelijk voor de huurtermijnen. Ten derde heeft de bewindvoerder niet volledig inzichtelijk gemaakt hoeveel [de onderbewindgestelde] heeft betaald aan de verhuurder en hoeveel [geïntimeerde] aan de verhuurder heeft betaald. Immers, vast staat dat er op enig moment een forse vordering van de verhuurder in rechte is toegewezen en onduidelijk is of daarop betaald is, en zo ja, door wie en hoeveel. De bewindvoerder heeft dus onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dát [de onderbewindgestelde] een regresvordering heeft en hoeveel die bedraagt. Ook is ze niet ingegaan op de gevolgen voor de interne verhouding doordat [de onderbewindgestelde] de sloten heeft vervangen en zo feitelijk [geïntimeerde] de toegang heeft ontzegd. Op grond van het voorgaande zal deze vordering worden afgewezen.
De conclusie
3.24.
Het hoger beroep slaagt deels.
3.25.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen zowel in hoger beroep als in eerste aanleg (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen en vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
3.26.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart [de onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
4.2.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 18 september 2024 en beslist:
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan de bewindvoerder van € 13.300 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
4.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
4.5.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, D. Visser en M.C. Bijl , en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784.