Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3350

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
21-000782-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bedreiging met vuurwapen en beschadiging politiecel bevestigd met aangepaste straf

Verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden voor bedreiging met de dood door op de openbare weg met een vuurwapen in de lucht te schieten en het wapen op een groep personen te richten, en voor het beschadigen van een tafel in een politiecel.

In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring van deze feiten, maar vernietigt het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft. Het hof houdt rekening met de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en de persoonlijke omstandigheden, waaronder het feit dat verdachte inmiddels een stabieler leven leidt met werk.

Daarnaast weegt het hof zwaar mee dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep met ruim 15 maanden is overschreden zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Daarom legt het hof een lichtere straf op: een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest.

Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak in andere tenlastegelegde feiten. Het arrest is gewezen op 27 mei 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling maar wijzigt de straf in een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 120 uren vanwege termijnoverschrijding en persoonlijke omstandigheden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000782-23
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 31 januari 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-222874-21 en 02-077180-21, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [instelling] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat hem in de zaak met parketnummer 18-222874-21 onder 2 en in de zaak met parketnummer 02-077180-21 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Vonnis

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank van 31 januari 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, voor de overige tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de opgelegde straf betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich op klaarlichte dag, op de openbare weg schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood door op korte afstand van een groep personen met een vuurwapen in de lucht te schieten en dit wapen vervolgens op deze groep te richten. Dit is een zeer ernstig feit dat bij de betrokkenen en omstanders grote angst en gevoelens van onveiligheid heeft teweeggebracht. Daarnaast heeft verdachte een tafel in een politiecel beschadigd, waarmee hij er blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor het bezit van een ander.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken. Daaruit heeft het hof de indruk gekregen dat verdachte zijn leven nu op een andere manier leidt dan ten tijde van het feit en hierin meer stabiliteit heeft gecreëerd onder andere door het hebben van een baan.
Tot slot houdt het hof rekening met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelt vast dat verdachte op 14 februari 2023 hoger beroep heeft ingesteld en dat het hof uitspraak doet op 27 mei 2026. De behandeling in hoger beroep is dus niet afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren na het instellen van het hoger beroep. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim 15 maanden. Bijzondere omstandigheden die deze mate van overschrijding rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Het hof zal daar in het voordeel van verdachte rekening mee houden.
Het hof acht in beginsel de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden passend, maar ziet in de overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding om te kiezen voor een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf. De voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf dient als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal begaan.
Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-222874-21 onder 2 en in de zaak met parketnummer 02-077180-21 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. F. van der Maden en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.