ECLI:NL:GHARL:2026:3364

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.361.991/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op verzoek tot opheffing bewind met aanhouding voor zelfredzaamheidstraject

De betrokkene, geboren in 1994, is sinds 29 juli 2014 onder bewind gesteld vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand. Zij verzocht bij de kantonrechter om opheffing van het bewind, maar dit verzoek werd op 18 september 2025 afgewezen. In hoger beroep handhaaft het hof deze beslissing voorlopig niet, maar geeft betrokkene de gelegenheid een zelfredzaamheidstraject te volgen onder begeleiding van een nieuwe bewindvoerder.

De betrokkene wil haar financiën zelfstandig beheren, maar de bewindvoerder stelt dat eerst een traject nodig is om haar financiële inzicht en bewustzijn te vergroten. Eerder gevolgde trajecten waren niet succesvol, mede door communicatieproblemen, maar betrokkene is bereid het opnieuw te proberen. Zij heeft ook zelf stappen gezet, waaronder contact met de gemeente en mogelijke begeleiding door een budgetcoach.

Het hof constateert dat betrokkene onvoldoende bijdraagt aan haar vaste lasten en dat haar inkomsten niet op de beheerrekening worden gestort, waardoor de bewindvoerder het tekort aanvult uit spaargeld dat binnenkort ontoereikend zal zijn. Daarom wordt het bewind niet opgeheven, maar de zaak aangehouden tot 1 oktober 2026. Voor die datum dienen de bewindvoerder en advocaat schriftelijk te rapporteren over het zelfredzaamheidstraject, waarna het hof de zaak zonder zitting kan afdoen, tenzij anders besloten wordt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af en houdt de zaak aan voor een zelfredzaamheidstraject onder begeleiding van een nieuwe bewindvoerder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.991/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11003453)
beschikking van 28 mei 2026
inzake
[verzoekster](de betrokkene),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.M. Verbrugge te Heemstede.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.Papillion Bewindvoering B.V. (de bewindvoerder),

gevestigd te Almere,

2.[belanghebbende2] (de moeder van de betrokkene),

die woont in [woonplaats1] ,

3.[belanghebbende3] (de vader van de betrokkene),

die woont in [woonplaats1] ,

4.4. [belanghebbende4] (de broer van de betrokkene),

die woont in [woonplaats1] ,

5.5. [belanghebbende5] (de broer van de betrokkene),

die woont in [woonplaats2] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 18 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 25 november 2025;
- een brief namens de betrokkene van 16 december 2025 met bijlage(n);
- een brief namens de betrokkene van 30 december 2025 met bijlage(n).
2.2
De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Daarbij is de betrokkene verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook de moeder van de betrokkene was aanwezig, evenals een vertegenwoordiger namens Papillion Bewindvoering B.V. Ter zitting heeft mr. Verbrugge mede het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [IN] 1994.
3.2
Op 29 juli 2014 is een bewind ingesteld over alle goederen die aan de betrokkene (zullen) toebehoren en is de bewindvoerder benoemd. De grond voor het instellen van het bewind was de geestelijke of lichamelijke toestand van de betrokkene.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 21 maart 2024, heeft de betrokkene verzocht het bewind op te heffen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking van 18 september 2025 heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene om het bewind over haar goederen op te heffen, afgewezen.
4.2
De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof het bewind alsnog opheft. Als het hof dat niet doet, wil de betrokkene dat het hof de bewindvoerder ontslaat en een andere bewindvoerder benoemt.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal nu nog niet definitief beslissen op de verzoeken van de betrokkene. Het hof zal de zaak aanhouden en legt hierna uit waarom.
5.2
De betrokkene vindt dat het bewind niet (meer) nodig is. Zij wil zelf haar financiën regelen. De bewindvoerder stelt echter dat de betrokkene eerst een zelfredzaamheidstraject moet doorlopen om meer inzicht in en bewustzijn voor haar financiële situatie te ontwikkelen. Dan kan duidelijk worden of de betrokkene in staat is zelf haar geldzaken te regelen. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene al eerder een zelfredzaamheidstraject heeft gevolgd, dat toen niet tot een positief resultaat leidde. Ter zitting gaf de betrokkene aan het traject nogmaals te willen proberen, omdat de eerdere mislukking mede te wijten was aan moeilijke communicatie met de toenmalige medewerker van de bewindvoerder. Inmiddels is het bewindsbureau overgenomen door een nieuwe bewindvoerder. Daarnaast heeft de betrokkene in de tussentijd zelf stappen ondernomen en contact gezocht met de gemeente en komt zij in aanmerking voor begeleiding door een budgetcoach van Humanitas.
5.3
Het hof ziet geen reden om de bewindvoering nu te beëindigen, gelet op het eerdere mislukte zelfredzaamheidstraject en de situatie zoals ter zitting is toegelicht. De betrokkene draagt niet of onvoldoende bij aan haar vaste lasten. Haar inkomsten uit de Participatiewet en haar salaris worden niet op de beheerrekening gestort en de betrokkene geeft dit geld uit aan andere zaken dan haar vaste lasten. Daardoor moet de bewindvoerder het tekort voor de vaste lasten aanvullen vanuit haar spaarrekening. Deze zal naar verwachting binnen enkele maanden onvoldoende saldo bevatten, waardoor de betrokkene opnieuw schulden kan opbouwen.
5.4
Gelet echter op de stappen die de betrokkene wil zetten en de gemotiveerde indruk die zij ter zitting bij het hof heeft gemaakt, wil het hof haar nogmaals de kans geven om, onder begeleiding van haar nieuwe bewindvoerder, via een zelfredzaamheidstraject aan te tonen dat zij haar geldzaken zelfstandig kan regelen. De betrokkene is daarin zelf verantwoordelijk om in samenspraak met haar bewindvoerder dit traject op te zetten en te volgen op een zodanige manier dat het hof daaruit zou kunnen afleiden dat de betrokkene inderdaad in staat is zelf haar eigen financiën te regelen.
5.5
Om die reden zal het hof de zaak aanhouden tot 1 oktober 2026. Het hof verzoekt de bewindvoerder en de advocaat namens de betrokkene om het hof vóór 1 oktober 2026 schriftelijk te informeren over het verloop van het zelfredzaamheidstraject, met afschrift daarvan aan de andere partij. Het hof zal de zaak daarna in principe zonder zitting afdoen, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van (één van) partijen, anders beslist.

6.De beslissing

Het hof:
houdt de beslissing op de verzoeken van de betrokkene aan tot
1 oktober 2026;
bepaalt dat de advocaat van de betrokkene en de bewindvoerder het hof
vóór 1 oktober 2026schriftelijk moeten informeren over het verloop van het zelfredzaamheidstraject waarvoor de bewindvoerder de betrokkene zal aanmelden, met afschrift daarvan aan de andere partij;
bepaalt dat de advocaat van de betrokkene en de bewindvoerder tot uiterlijk twee weken na toezending daarvan schriftelijk kunnen reageren, waarna de zaak verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van (één van) partijen, anders beslist;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. J.G. Knot en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 28 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.