ECLI:NL:GHARL:2026:3387

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.366.046/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 223 lid 1 RvArt. 223 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige begeleide omgangsregeling vader en minderjarige in belang van het kind

De man en de moeder hadden een korte relatie die eindigde tijdens de zwangerschap. De minderjarige is in 2024 geboren en verhuisde in 2025 met de moeder naar een andere plaats. De rechtbank had de vader het omgangsrecht voor een jaar ontzegd vanwege de spanningen bij de moeder en verleende vervangende toestemming voor erkenning.

De man stelde hoger beroep in tegen het ontzeggen van omgang en het gezag, terwijl de moeder incidenteel hoger beroep instelde tegen de erkenning en de omgangsontzegging. Het hof oordeelde dat de man een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind heeft en ontvankelijk is in zijn verzoek tot voorlopige voorziening.

Gezien het belang van het kind om een hechtingsrelatie met de vader op te bouwen en het advies van de raad voor de kinderbescherming, stelde het hof een begeleide omgangsregeling vast. De omgang vindt eenmaal per week plaats onder professionele begeleiding, buiten aanwezigheid van de moeder, die zich moet melden voor regievoering en verwijzing naar begeleidende instanties.

Het hof weegt de emotionele problematiek van de moeder mee, maar acht het belang van het kind zwaarder. De omgangsregeling geldt voorlopig voor de duur van het hoger beroep en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige, begeleide omgangsregeling vast tussen de vader en de minderjarige voor de duur van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.046/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 239694)
beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.C.M. Groenestijn te Almere,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Boymans te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (beroepschrift tevens houdende) verzoek voorlopige voorziening, met bijlage(n), ingekomen op 6 maart 2026;
- het verweerschrift (tevens incidenteel hoger beroep) met bijlage(n).
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Hierbij zijn verschenen:
- de maner, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
De advocaat van de moeder heeft mede het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
1.3
Aanvankelijk was de behandeling van de voorlopige voorziening gelijktijdig met de hoofdzaak ingepland op 13 mei 2026. Vanwege het incidenteel beroep van de moeder tegen de verleende vervangende toestemming voor erkenning en de noodzakelijke betrokkenheid van de bijzondere curator daarbij, is de behandeling van de hoofdzaak aangehouden tot een nader te bepalen datum.

2.De feiten

2.1
De man en de moeder hebben gedurende tien maanden een relatie gehad. De relatie is tijdens de zwangerschap van de moeder verbroken.
2.2
[in] 2024 is [de minderjarige] geboren.
2.3
In juli 2025 is de moeder met [de minderjarige] van [plaats1] naar [plaats2] verhuisd. De man woont bij zijn ouders in [woonplaats] .
2.4
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
11 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank:
- vervangende toestemming verleend voor de erkenning van [de minderjarige] door de man;
- de man het recht op omgang met [de minderjarige] voor de duur van één jaar ontzegd;
- een informatieregeling vastgesteld; en
- de verzoeken van de man met betrekking tot gezamenlijk gezag, omgang, terugverhuizing en ondertoezichtstelling afgewezen.
Hetgeen is vastgesteld over de informatieregeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5
De man heeft hoger beroep ingesteld. Hij is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over het gezag en de omgang. De moeder heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij is het niet eens met de verleende vervangende toestemming voor de erkenning, de duur van de ontzegging van de omgang en de informatieregeling.

3.De omvang van het geschil

3.1
De man verzoekt het hof om bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het hoger beroep een (begeleide) omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] , inhoudende dat:
I. tussen hem en [de minderjarige] zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de beschikking van het hof, begeleide omgang zal plaatsvinden éénmaal per week, bij aanvang
voor de duur van twee uur per keer, bij voorkeur op zaterdag, dan wel op een door de
begeleidende instantie vast te stellen vaste dag en tijd;
II. de omgang zal plaatsvinden onder begeleiding van een professionele instantie, bij voorkeur bij [naam1] of [naam2] , dan wel [naam3] , althans een vergelijkbare aanbieder, en indien professionele begeleiding niet op korte termijn beschikbaar is, onder begeleiding binnen het netwerk, waaronder de ouders van de man, een en ander mits de begeleidende partij dit verantwoord acht;
III. de omgang zal plaatsvinden buiten aanwezigheid van de moeder;
IV. de duur en invulling van de omgang gefaseerd kan worden uitgebreid op advies van de
begeleider;
V. de begeleidende instantie of begeleider na een door het hof te bepalen periode, een
schriftelijke terugkoppeling dient op te stellen over het verloop van de omgang, welke
terugkoppeling door partijen in het hoger beroep mag worden ingebracht;
althans een zodanige voorlopige regeling te treffen als het Hof in goede justitie juist acht.
3.2
De moeder voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de man af te wijzen.

4.De beoordeling van het verzoek

Het juridisch kader en de ontvankelijkheid
4.1
Op grond van artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat deze vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling is ook van toepassing in een verzoekschriftprocedure. Het verzoek kan voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Een voorlopige voorziening is dus een tijdelijke beslissing, die slechts geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet in die zin belang hebben bij het verzoek dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Een spoedeisend belang is geen vereiste.
4.2
De gevraagde voorlopige voorziening betreft een omgangsregeling. Het kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat [1] . De rechter kan het recht op omgang ontzeggen onder andere als omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind [2] .
4.3
Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat hij niet in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de minderjarige] of omdat er geen sprake is van family life. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [de minderjarige] . Daarnaast heeft er al omgang plaatsgevonden; het laatste contact dateert van februari 2025 en de man wil als vader betrokken zijn in het leven van [de minderjarige] . Er is een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de minderjarige] . Omdat de hoofdzaak tussen partijen over onder andere de omgangsregeling bij dit hof aanhangig is, de mondelinge behandeling in de hoofdzaak nog niet is gepland, de man [de minderjarige] al sinds februari 2025 niet heeft gezien en de man belang heeft bij een spoedig (herstel van het) contact met zijn dochter, is de man ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorlopige omgangsregeling
4.4
Als uitgangspunt geldt dat het in het belang is van [de minderjarige] dat zij de man als persoon van wie zij afstamt leert kennen en dat zij recht heeft op omgang met hem, tenzij daar zwaarwegende omstandigheden aan in de weg staan. De rechtbank heeft bepaald dat omgang met de man in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] vanwege de spanning en stress die dit bij de moeder teweegbrengt. De moeder moet eerst toekomen aan traumaverwerking en aan hulpverlening gericht op het kunnen geven van (emotionele) toestemming voor omgang van de man met en [de minderjarige] . De rechtbank heeft de man het recht op omgang voor de duur van een jaar ontzegd.
4.5
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling heeft het hof grote zorgen over de persoonlijke problematiek en emotionele stabiliteit van de moeder. De moeder kampt blijkens de stukken in het dossier met PTSS, paniekaanvallen, een eetstoornis en een auto-immuunziekte. Daarnaast komt uit het raadsrapport naar voren dat de moeder een grote behoefte heeft aan controle. De raadsonderzoekers maken zich zorgen over de afhankelijkheid van de moeder en [de minderjarige] van elkaar. Er zijn vele hulpverleners bij de moeder betrokken. De moeder spreekt zelf van 19 hulpverleners. De moeder lijkt ernstig uit evenwicht te raken als er gesproken wordt over een rol van de man in het leven van [de minderjarige] . De moeder heeft verteld dat de juridische procedure een traumatrigger is en dat zij deze eerst achter de rug wil hebben voordat zij aan traumabehandeling voor zichzelf en vervolgens voor [de minderjarige] denkt te kunnen toekomen. Pas als deze behandelingen zijn afgerond ontstaat er volgens de moeder misschien ruimte voor een begin van contact tussen de man en [de minderjarige] .
4.6
Uit het raadsrapport van 28 augustus 2025 zijn er, gezien vanuit het perspectief van [de minderjarige] , geen belemmeringen voor omgang met de man, anders dan de impact die dat heeft op de (beschikbaarheid en stabiliteit van de) moeder. De raad was op dat moment van mening dat er binnen een jaar omgang tussen [de minderjarige] en de man moest plaatsvinden, zodat [de minderjarige] een veilige hechtingsrelatie met hem kan opbouwen. Hechtingsrelaties worden gevormd tussen de 0 en 3 jaar oud. Verder heeft de raad opgemerkt dat er geen signalen zijn voor intieme terreur door de man, zoals door de moeder is gesteld. Ter zitting bij het hof heeft de raad het huidige dilemma geschetst: de moeder heeft weliswaar tijd en ruimte nodig om traumabehandeling aan te gaan, maar het is voor [de minderjarige] noodzakelijk dat het contact met de man (spoedig) wordt hersteld en omgang weer wordt opgestart, mede gelet op haar jonge leeftijd en het belang van het opbouwen van een (veilige) hechtingsrelatie met de man. Daarmee is de wens van de moeder tot het ongestoord verwerken van haar eigen traumatische ervaringen in strijd met het belang van [de minderjarige] om de man te leren kennen, aldus de raad. De raad vindt dat thans aan het belang van [de minderjarige] voorrang gegeven moet worden en dat de omgang moet worden gestart binnen de in het raadsrapport gegeven periode van een jaar. Van [de minderjarige] kan niet worden verlangd dat zij de man langer moet missen in haar leven.
4.7
Het hof realiseert zich dat het contact met de man naar alle waarschijnlijkheid effect zal hebben op de moeder en daarmee mogelijk ook op [de minderjarige] . Maar het traject voor traumaverwerking en contactherstel dat de moeder voor ogen heeft kent veel onzekerheden en betekent dat er de komende jaren geen enkele ruimte zou zijn voor de man in het leven van [de minderjarige] . Dit is een ongewenste situatie, juist gezien het zwaarwegende belang van [de minderjarige] om op jonge leeftijd een hechtingsrelatie met de man te vormen en het feit dat zij sinds februari 2025 geen contact meer met de man heeft gehad. Het hof neemt hierbij in overweging dat de raad heeft aangegeven dat er geen belemmeringen zijn voor de omgang tussen de man en [de minderjarige] , anders dan de impact daarvan op de moeder, en dat de raad heeft aangegeven geen signalen voor intieme terreur te hebben gezien. In de zeer algemene uitlatingen van de moeder over haar relatie met de man, welke relatie slechts tien maanden heeft geduurd en waarbij partijen niet samenwoonden ziet het hof geen objectieve en concrete indicaties voor intieme terreur door de man. Dat geldt evenzeer voor de overige door de moeder in dat kader aangeleverde stukken, die voor een belangrijk deel gebaseerd zijn op de uitlatingen van de moeder zelf. Het hof zal een omgangsregeling bij wijze van voorlopige voorziening vaststellen.
4.8
Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] vergt dat er (onder professionele begeleiding) spoedig omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de man. Mede gelet op het advies van de raad op de zitting is het hof van oordeel dat de omgang door twee professionele instanties moet worden begeleid en geobserveerd. Ter zitting heeft de raad omgangscentrum [naam4] gesuggereerd als instantie die [de minderjarige] kan voorbereiden op de omgang met de man. Daarnaast is het nodig om [de minderjarige] goed te begeleiden bij het contact met de man en om de signalen die [de minderjarige] mogelijk afgeeft na het contact op de juiste wijze te interpreteren. [naam1] , [naam2] of [naam3] zijn door de raad genoemd als geschikte instanties die de daadwerkelijke omgangsmomenten zouden kunnen begeleiden. De moeder mag niet bij de omgang aanwezig zijn. De moeder dient zich te melden bij de gemeente voor regievoering en voor een verwijzing naar geschikte begeleidende instanties. Het hof gaat ervan uit dat de omgang tussen [de minderjarige] en de man op deze wijze in het vrijwillige kader binnen afzienbare tijd tot stand komt.
4.9
Gelet op het voorgaande en alle belangen in aanmerking genomen zal het hof, voor de duur van de procedure in hoger beroep, een omgangsregeling vaststellen inhoudende dat er eenmaal per week gedurende twee uren bij voorkeur op zaterdag omgang zal plaatsvinden tussen de man en [de minderjarige] in [plaats2] (of directe omgeving) onder begeleiding en observatie van een professionele instantie en buiten aanwezigheid van de moeder. De moeder dient zich hiertoe uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking, onder overlegging van deze beschikking, te melden bij de gemeente voor een verwijzing naar [naam4] of een vergelijkbare instantie voor de voorbereiding van [de minderjarige] op de omgang en voor een verwijzing naar [naam1] , [naam2] , [naam3] , of een vergelijkbare instantie voor de begeleiding van de omgang. De instanties, die de omgang voorbereiden en begeleiden, wordt gevraagd om voor de mondelinge behandeling in de hoofdzaak een schriftelijke rapportage uit te brengen over het verloop van de voorbereiding respectievelijk omgang, welke partijen vervolgens kunnen inbrengen in de hoofdzaak.

5.De beslissing

Het hof:
bepaalt dat voor de duur van het geding in hoger beroep een (voorlopige) omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] zal gelden zoals omschreven onder rechtsoverweging 4.9;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, K.H.P. Selcraig en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 28 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:377a lid 3 BW.