Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3390

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.366.561/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter in Midden-Nederland heeft de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen verlengd tot 31 december 2026. De moeder is tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de jongste minderjarige in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden waarbij ook de minderjarige haar mening heeft gegeven.

Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden omdat de jongste minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze bedreiging wordt vooral veroorzaakt door spanningen en conflicten tussen de ouders, wat leidt tot loyaliteitsproblematiek bij het kind. De noodzakelijke hulpverlening is nog onvoldoende op gang gekomen, mede door vertragingen bij de gemeente in het verstrekken van financieringsbeschikkingen.

De moeder stelt dat geen derde partij nodig is en dat zij zelf met de vader de situatie kan regelen, maar het hof acht het probleembesef bij haar onvoldoende en concludeert dat vrijwillige hulpverlening niet toereikend is. De vader bevestigt dat de positieve ontwikkelingen vooral dankzij de inzet van de gecertificeerde instelling zijn gerealiseerd. Daarom blijft het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk zijn en bekrachtigt het de beslissing van de kinderrechter.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 31 december 2026 wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.561/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601283)
beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Boor te Utrecht,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats2] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] verlengd tot 31 december 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn twee kinderen geboren: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2010 en [de minderjarige2] is geboren [in] 2015. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen en de kinderen wonen bij de vader.
2.2.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 31 december 2024 onder toezicht van de GI.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen
voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 31 december 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 en schriftelijk vastgelegd op 24 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] . Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] vernietigt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft. Ook de vader wil dat de ondertoezichtstelling blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 9 maart 2026;
  • de brief van de raad van 9 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • het verweerschrift van de GI;
  • een journaalbericht namens de moeder van 16 april 2026.
4.4.
[de minderjarige2] heeft op 21 april 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de ondertoezichtstelling. Tijdens de zitting heeft de voorzitter daarvan een samenvatting gegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
4.5.
De zitting bij het hof was op 6 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kunnen nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] voor de duur van een jaar moet worden verlengd. De beslissing van de kinderrechter ten aanzien hiervan zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.3.
Het hof is op grond van de stukken en wat op de zitting is verklaard van oordeel dat [de minderjarige2] , ondanks wat de moeder daarover heeft aangevoerd, nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze bedreiging wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de spanningen en conflicten die tussen de ouders spelen. Bij [de minderjarige2] is daardoor sprake van loyaliteitsproblematiek, waaraan gewerkt moet worden, maar wat pas kan nadat de problematiek tussen de ouders is verbeterd. De afgelopen periode is de benodigde hulpverlening hiervoor nog onvoldoende van de grond gekomen. Dit is niet aan de ouders of de GI te wijten, maar voornamelijk aan de opstelling van de [gemeentenaam] , die de benodigde (financierings)beschikkingen moest afgeven. Inmiddels zijn deze beschikkingen afgegeven en lijken er voorzichtig positieve stappen te zijn gezet onder meer door het inzetten van hulpverlening voor de ouders.
5.4.
Het hof acht het niet aannemelijk dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige2] op dit moment geheel binnen het vrijwillig kader kan worden afgewend. Op de zitting van het hof heeft de moeder aangegeven dat er volgens haar geen derde partij nodig is voor ondersteuning en dat zij alles wat nodig is zelf kan regelen met de vader, eventueel met hulp van de begeleiding die zij op dit moment vanuit [naam1] ontvangt. Het hof is van oordeel dat, ook gelet op wat de vader en de GI hierover verklaren, blijkt dat het probleembesef bij de moeder niet volledig aanwezig is. Het hof is er daarom ook niet van overtuigd dat de moeder in het vrijwillig kader (meer) hulp zal inschakelen of accepteren, terwijl dat gelet op de problematiek en de inmiddels ingezette hulp vanuit de GI waarvan geprofiteerd wordt, wel noodzakelijk is. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling beaamd dat de positieve stappen die inmiddels zijn gezet, slechts dankzij de inzet van de GI binnen het kader van de ondertoezichtstelling hebben plaatsgevonden. Het hof acht het daarom van belang dat de GI in het kader van een ondertoezichtstelling betrokken blijft bij het gezin en de regie blijft voeren over de hulpverlening.
5.5.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en het verzoek van de moeder afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 11 december 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
6.2
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, voor aantekening van de beslissing in het Centraal Gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. van Dijk en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 28 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.