De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden van twee onroerende zaken vast en handhaafde deze na bezwaar. Belanghebbende kwam in beroep bij de rechtbank, die de beroepen ongegrond verklaarde maar ambtshalve een vergoeding voor immateriële schade van €500 toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend.
De heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen deze vergoeding, stellende dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd trad door zonder verzoek een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn pas na de zitting en de termijn voor uitspraak was overschreden, waardoor de rechtbank ambtshalve tot vergoeding moest overgaan. De rechtbank had dit terecht gedaan en de omvang van de vergoeding was niet onjuist.
Belanghebbende voerde aan dat artikel 30a, lid 2, Wet WOZ onredelijke lage proceskostenvergoedingen oplevert, maar het hof verwierp dit omdat de rechtbank dit artikel niet toepaste en het in hoger beroep evenmin van toepassing is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de proceskosten van belanghebbende werden vastgesteld op €467 en griffierecht opgelegd aan de heffingsambtenaar.