In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak en de daarbij behorende proceskostenvergoeding. De rechtbank had de WOZ-waarde verlaagd van €432.000 naar €399.000 en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van proceskosten, waarbij een wegingsfactor van 0,25 werd toegepast voor de beroepsfase.
Belanghebbende stelde dat deze wegingsfactor te laag was en dat een factor van 1 had moeten worden gehanteerd. De rechtbank had bovendien aanvankelijk geen vergoeding toegekend voor de bezwaarfase, maar dit werd later gerectificeerd. Het hof heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024.
Het hof oordeelt dat gezien de inhoudelijke gronden voor de waardevermindering en de aard van de zaak een wegingsfactor van 1 passend is. De proceskostenvergoeding wordt daarom verhoogd tot in totaal €1.590,70, inclusief vergoeding voor bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €138 vergoed. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank op dit punt vernietigd.