Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/1400
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArtikel 30a, lid 2, Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding in WOZ-zaak over waardevermindering onroerende zaak

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak en de daarbij behorende proceskostenvergoeding. De rechtbank had de WOZ-waarde verlaagd van €432.000 naar €399.000 en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van proceskosten, waarbij een wegingsfactor van 0,25 werd toegepast voor de beroepsfase.

Belanghebbende stelde dat deze wegingsfactor te laag was en dat een factor van 1 had moeten worden gehanteerd. De rechtbank had bovendien aanvankelijk geen vergoeding toegekend voor de bezwaarfase, maar dit werd later gerectificeerd. Het hof heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024.

Het hof oordeelt dat gezien de inhoudelijke gronden voor de waardevermindering en de aard van de zaak een wegingsfactor van 1 passend is. De proceskostenvergoeding wordt daarom verhoogd tot in totaal €1.590,70, inclusief vergoeding voor bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €138 vergoed. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank op dit punt vernietigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding verhoogd tot €1.590,70 inclusief griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1400
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 mei 2024, nummer UTR 23/4561, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Veenendaal(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2022 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 432.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) vastgesteld.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. Partijen zijn het er tijdens het beroep over eens geworden dat de waarde moet worden verlaagd naar € 399.000. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de waarde vastgesteld op € 399.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten veroordeeld en bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 mei 2024 de proceskosten voor verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 218,75, te weten 1 punt voor het ingediende beroepschrift met een waarde van € 875, met toepassing van een wegingsfactor van 0,25 omdat het een zeer lichte zaak betreft.
2.2.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2024 pro forma hoger beroep ingediend en is daarin opgekomen tegen de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor alsmede tegen het niet toekennen van een vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase.
2.3.
Op 16 juli 2024 heeft de Rechtbank de uitspraak van 21 mei 2024 gerectificeerd en daarin ook een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 610.
2.4.
Belanghebbende heeft op 20 september 2024 de gronden van het hoger beroep aangevuld en daarin aangegeven dat vanwege de gerectificeerde uitspraak van de Rechtbank, de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase niet meer in geschil is.

3.Geschil

3.1.
In geschil is de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Meer specifiek is de daarvoor gehanteerde wegingsfactor van 0,25 in geschil.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank wegingsfactor 1 had moeten toepassen.
3.3.
De heffingsambtenaar concludeert tot een ongegrond hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Het Hof heeft in een uitspraak van 14 oktober 2025 [1] geoordeeld dat het bij de beoordeling van de door een rechtbank toegekende proceskostenvergoeding – indien dit in hoger beroep in geschil is – ten volle toetst of de rechtbank de juiste gewichtscategorie voor de bezwaar- en beroepsfase heeft toegepast. Het Hof heeft in die uitspraak vervolgens bij die toetsing het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 [2] (hierna: het Richtsnoer) tot uitgangspunt genomen.
4.2.
Gelet op het vorenstaande en aangezien de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard vanwege de vermindering van de WOZ-waarde op basis van inhoudelijke gronden, zal het Hof gelet op het Richtsnoer bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) hanteren.
4.3.
Het Hof stelt de proceskostenvergoeding, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, vast op € 610 (bezwaarfase) en € 934 (1 punt (beroepschrift) x € 934 x wegingsfactor 1), dus voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen € 1.544.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 46,70 (1 punt hogerberoepschrift  wegingsfactor 0,5  € 934 x factor 0,10 (artikel 30a, lid 2, Wet WOZ)).
De totale proceskostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep komt daarmee op € 1.590,70.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.590,70,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (T. Tanghe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335