In deze strafzaak is verdachte veroordeeld voor oplichting door het niet leveren van verf waarvoor de benadeelde partij had betaald. De rechtbank legde een taakstraf op en kende een schadevergoeding van €2.820 toe. Het hof bevestigde deze straf en schadevergoeding, maar de Hoge Raad vernietigde het arrest voor wat betreft de schadevergoeding en verwees de zaak terug.
Bij het opnieuw beoordelen van de vordering stelde het hof vast dat verdachte en de benadeelde partij een overeenkomst hadden gesloten voor schilderwerk, waarbij verdachte een aanbetaling en voorschotten ontving voor verf die nooit werd geleverd. Dit handelen werd bewezen als oplichting, waardoor de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van de betaalde bedragen.
Het hof wees de schadevergoeding van €2.820 toe, bestaande uit de aanbetaling en voorschotten, en legde de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020 vast. De vordering voor meerkosten van schilderwerk door een andere partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet rechtstreeks verband hield met de oplichting en een civiele procedure vereist.
De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd en de gijzelingstermijn vastgesteld op maximaal 28 dagen. De uitspraak bevestigt dat verdachte aansprakelijk is voor de materiële schade als gevolg van zijn oplichtingshandeling.