ECLI:NL:GHARL:2026:351

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
21-000883-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank Overijssel inzake witwassen van horloges

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel. De verdachte, die op 13 juni 2019 werd aangehouden bij een grenscontrole, werd beschuldigd van het witwassen van twee horloges. De rechtbank had de verdachte eerder vrijgesproken van het witwassen van een ring en een ketting, maar had hem wel veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voor het witwassen van de horloges. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met aanvulling en verbetering van gronden. Het hof oordeelt dat de rechtbank op de juiste wijze heeft beslist en dat de verdachte wist dat de horloges afkomstig waren uit een misdrijf. De verdachte had wisselend verklaard over de herkomst van de horloges, wat de geloofwaardigheid van zijn verklaring ondermijnt. Het hof concludeert dat het vermoeden dat de horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn, niet is weerlegd. De verdachte heeft geen overtuigende verklaring kunnen geven voor de herkomst van de horloges, waardoor het hof tot de conclusie komt dat hij schuldig is aan witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000883-24
Uitspraakdatum: 23 januari 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 februari 2024 met parketnummer 08-166959-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het hof van 9 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op een ring en een ketting.
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte (kort gezegd) een Zenith-horloge en een Breguet-horloge voorhanden heeft gehad, terwijl de verdachte wist dat die horloges onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank heeft dat feit juridisch gekwalificeerd als witwassen.
De rechtbank heeft de verdachte voor dat feit veroordeeld tot:
‒ een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, en
‒ verbeurdverklaring van de in beslag genomen horloges en horlogedozen.
Wat betreft de in beslag genomen ring en halsketting heeft de rechtbank beslist tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende.
Oordeel hof
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, omdat het hof van oordeel is dat de rechtbank op de juiste wijze heeft beslist.
De bewezenverklaring van de rechtbank wordt bevestigd met aanvulling en verbetering van gronden, omdat het hof deels op andere gronden tot dezelfde bewezenverklaring komt als de rechtbank. Die aanvulling en verbetering van gronden zijn uitgewerkt onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’.
Voor het overige bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank met overneming van gronden.
Bewijsoverwegingen [1]
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de gebruikte bewijsmiddelen weergegeven op pagina 10 van het vonnis. Het hof vult de gronden voor de bewezenverklaring aan door die bewijsmiddelen aan te vullen met de volgende bewijsmiddelen.
De inhoud van de bewijsmiddelen is eventueel zakelijk weergegeven.
4. Het proces-verbaal van het proces-verbaal van het politieverhoor van de verdachte op 13 juni 2019 (pagina 143 van het politiedossier), voor zover inhoudend:
O/V
:
opmerking/vraag verbalisant
A
:
antwoord/reactie verdachte
[Pagina 145]
V
:
Hoe kunt u in uw levensonderhoud voorzien?
A
:
Ik krijg een bijstandsuitkering in [plaats] .
[Pagina 146]
V
:
Wat zijn uw overige vaste lasten per maand?
A
:
350 [het hof begrijpt: euro] inclusief gas, water en licht en een parkeerplaats.
V
:
En hoeveel krijgt u aan inkomsten per maand?
A
:
Om en nabij de 700 euro.
5. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 1] van 12 oktober 2020 (pagina 161 van het politiedossier), [2] voor zover inhoudend:
1. Aanleiding
Op 13 juni 2019 wordt [verdachte] bij een grenscontrole in een personenauto met een Tsjechisch kenteken staande gehouden door een politieteam.
3 Europees Onderzoeksbevel Duitsland
Uit de ontvangen informatie uit Duitsland blijkt dat:
‒ [verdachte] een werkloosheidsuitkering krijgt (op zijn bankrekening ontvangt hij in 2019 maandelijks circa 758 euro);
‒ hij daarvan nog de huur (circa 350 euro) en onder meer eten en verzekeringen moet betalen;
‒ er is geen vermogen bekend geworden en er is geen eigendoem aangetroffen;
‒ door de Duitse politie geen informatie is gevonden waaruit kan blijken dat [verdachte] voldoende geld had voor de aankoop van de horloges.
Verbetering van gronden
Het hof verbetert de gronden voor de bewezenverklaring door de overwegingen van de rechtbank onder het kopje ‘4.3.3 De horloges’ te vervangen door de volgende overwegingen.
Verklaring verdachte
Bij zijn staandehouding op 13 juni 2019 verklaarde de verdachte dat hij één van de horloges zelf heeft gekocht en dat hij het andere horloge cadeau heeft gekregen.
Later die dag, tijdens zijn politieverhoor, verklaarde de verdachte dat hij de horloges op afbetaling heeft gekocht van een vriend die een juwelierszaak heeft in Tsjechië.
Als reactie op de zogenoemde 30-dagenbrief aan de verdachte heeft de toenmalige advocaat van de verdachte, Natalia Medko, een brief ingebracht, met als toelichting dat het gaat om een verklaring van de winkel in Tsjechië waar de horloges rechtmatig zijn gekocht. Het betreft een brief van [naam 2] van [winkel] van 28 juni 2019. In die brief verklaart [naam 2] dat [winkel] op 21 april 2018 twee horloges heeft verkocht, waarbij in de brief het ‘ref. No.’ en het ‘serial No.’ van de horloges zijn vermeld.
Ter verificatie van de verklaring van de verdachte is het volgende onderzoek verricht. [naam 3] , medebestuurder van [winkel] (samen met onder meer [naam 2] ), [3] is op 7 januari 2020 als getuige verhoord door de Tsjechische politie. Daarnaast is [naam 3] op 18 maart 2025 als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris, waarbij de raadsman van de verdachte (mr. W.J. Ausma) de getuige heeft kunnen ondervragen.
Conclusie hof
De verklaring van de verdachte over de herkomst van de horloges is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Dit baseert het hof op het volgende.
Ten eerste staat in de brief van 28 juni 2019 weliswaar dat [winkel] op 21 april 2018 twee horloges heeft verkocht, maar in de brief wordt niet vermeld wie de koper is. In de brief staat dus niet dat de horloges aan de verdachte zijn verkocht. Verder blijkt uit de brief niet zonder meer dat de brief betrekking heeft op de twee horloges die op 13 juni 2019 bij de verdachte zijn aangetroffen. De brief vermeldt weliswaar kenmerken (het ‘ref. No.’ en het ‘serial No.’) van de betreffende horloges, maar uit die kenmerken blijkt niet zonder meer dat het gaat om de horloges die de verdachte voorhanden had.
Ten tweede heeft [naam 3] (medebestuurder van [winkel] ) verklaard dat de verdachte geen horloge heeft gekocht bij [winkel] . Verder heeft [naam 3] verklaard dat de verklaring van [naam 2] is opgemaakt op verzoek van de verdachte, maar dat de horloges waarover die brief gaat, zijn gekocht door iemand anders, namelijk [naam 4] . [4]
Ten derde heeft de verdachte wisselend verklaard over de herkomst van de horloges. Bij zijn staandehouding heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij een van de horloges cadeau heeft gekregen, terwijl de verdachte tijdens het politieverhoor heeft verklaard dat hij beide horloges op afbetaling heeft gekocht, maar hij nog niets heeft afbetaald en de afspraken over de afbetaling ook niet vastgelegd zijn.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het vermoeden dat de horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn, niet is weerlegd. Weliswaar heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van die horloges, maar mede op basis van de resultaten van onderzoek naar de juistheid van die verklaring, is het hof van oordeel dat die verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden. Concluderend is het hof van oordeel dat het in redelijkheid niet anders kan zijn dan dat de twee horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist toen hij de horloges op 13 juni 2019 voorhanden had. Daarmee acht het hof bewezen dat de verdachte de twee horloges heeft witgewassen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van gronden zoals hiervóór vermeld.
Dit arrest is gewezen door mr. D. Stikkelbroeck, mr. A.J. Smit en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 januari 2026.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar ‘het politiedossier’ wordt bedoeld: het proces-verbaal van de politie, eenheid Oost-Nederland, met registratienummer PL0600-2019258601. Dat proces-verbaal bestaat uit twee delen:
2.Op het eerste blad van dit proces-verbaal staat het (pagina)nummer 161 en is met een stempel de datum 15 oktober 2020 aangebracht.
3.Proces-verbaal van het getuigenverhoor, pagina 212 van het politiedossier.
4.Proces-verbaal van het getuigenverhoor, pagina 212 van het politiedossier.