ECLI:NL:GHARL:2026:3521

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.362.840
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:436 lid 3 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen inschrijving beschermingsbewind afgewezen wegens privacybelang

De kantonrechter stelde op 6 december 2022 een beschermingsbewind in over het vermogen van appellant vanwege diens lichamelijke of geestelijke toestand en benoemde een bewindvoerder. De bewindvoerder verzocht vervolgens om inschrijving van dit bewind in het Centraal curatele- en bewindregister, wat de kantonrechter op 18 september 2025 toestond.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze inschrijving omdat hij van mening was dat deze onnodig en te zwaar was, mede vanwege de aantasting van zijn privacy en reputatie. Het hof heeft de stukken bestudeerd en tijdens de zitting op 12 mei 2026 gehoord.

Het hof oordeelt dat onvoldoende is aangetoond dat inschrijving noodzakelijk is ter bescherming van het vermogen van appellant. Het belang van appellant bij bescherming van zijn privacy weegt zwaarder. De aanleiding voor het verzoek was een aankoop van een auto en verzekering zonder toestemming, maar appellant heeft hiervan geleerd en zal dit niet herhalen.

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het verzoek tot inschrijving van het bewind wordt afgewezen. Het hof benadrukt dat bij toekomstige herhaling van onbevoegde rechtshandelingen een inschrijving alsnog mogelijk is.

De beschikking is uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden op 2 juni 2026.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot inschrijving van het beschermingsbewind af vanwege onvoldoende noodzaak en zwaarder wegend privacybelang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.840
(zaaknummer rechtbank Overijssel NL:TZ:0000261327:B001)
beschikking van 2 juni 2026
over de inschrijving van het bewind
in de zaak van
[appellant]( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R. Kaya
en
Kroep Steghuis Bewindvoerders B.V.(de bewindvoerder)
die is gevestigd in Enschede

1.Samenvatting

De kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bepaald dat het bij beschikking van 6 december 2022 ingestelde bewind over het vermogen van [appellant] zal worden ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

Bij beschikking van 6 december 2022 heeft de kantonrechter met ingang van 7 december 2022 een bewind ingesteld over de goederen die [appellant] (zullen) toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Ook heeft de kantonrechter bij die beschikking een bewindvoerder benoemd. Inmiddels is Kroep Steghuis Bewindvoerders B.V. de bewindvoerder van [appellant] .

3.De procedure bij de kantonrechter

3.1.
De bewindvoerder heeft inschrijving van het door de kantonrechter ingestelde bewind over het vermogen van [appellant] in het register zoals bedoeld in artikel 1:391 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzocht.
3.2.
De kantonrechter heeft het verzoek van de bewindvoerder toegewezen en bepaald dat het bewind zal worden ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister, zoals bedoeld in artikel 1:391 BW Pro.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
[appellant] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt.
4.2.
De bewindvoerder is het wel eens met de beslissing van de kantonrechter. De bewindvoerder wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 17 december 2025
  • de brief van de bewindvoerder
  • het stuk van [appellant] ingediend op 12 mei 2026
4.4.
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. De advocaat van [appellant] was daarbij aanwezig.

5.Hoe oordeelt het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
Een beschermingsbewind dat is ingesteld ten behoeve van een meerderjarige die zijn vermogensrechtelijke belangen niet behoorlijk kan waarnemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, kan op verzoek van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken, van de bewindvoerder of ambtshalve door de kantonrechter worden ingeschreven als het bewind alle goederen omvat. [1]
De rechter zal in dat kader een afweging moeten maken tussen de bescherming van het vermogen van de rechthebbende en de bescherming van de privacy van de rechthebbende.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat een inschrijving van het bewind nodig is ter bescherming van het vermogen van [appellant] en dat het belang van [appellant] bij de bescherming van zijn privacy (alleen om die reden al) zwaarder weegt. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd) en het hof zal het verzoek van de bewindvoerder tot inschrijving van het bewind alsnog afwijzen.
5.3.
De (directe) aanleiding voor het verzoek van de bewindvoerder om het bewind in te schrijven is de aankoop van een auto en het afsluiten van een verzekering daarvoor door [appellant] zonder toestemming van de bewindvoerder. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [appellant] toegelicht dat hij van de bewindvoerder had begrepen dat de aankoop van een auto niet mogelijk was omdat daar geen geld voor was. [appellant] is daarop gaan sparen van zijn leefgeld en heeft de auto kunnen kopen van het gespaarde geld, zijn vakantiegeld en een lening van € 300,- van een vriend. Het is vaker voorgekomen dat [appellant] geld overhield en dat terugbetaalde aan de bewindvoerder. Met het geld dat hij maandelijks overhoudt zou hij de verzekering van de auto kunnen betalen, aldus [appellant] .
[appellant] heeft naar eigen zeggen van dit voorval geleerd en weet inmiddels dat hij geen auto mag kopen en/of een verzekering mag afsluiten zonder toestemming van de bewindvoerder, ook niet als hij daar zelf voor spaart. Hij zal dat dus ook niet meer doen, aldus [appellant] . Een vermelding in het Centraal curatele- en bewindregister is volgens [appellant] dan ook niet noodzakelijk en voelt als een onnodig zware maatregel en een straf. Ook schaadt een inschrijving van de bewindvoering zijn naam, aldus [appellant] .
5.4.
Het hof is met [appellant] eens dat een inschrijving van het bewind op dit moment een te zware maatregel is. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] , zoals hij stelt, van het voorval heeft geleerd en dat hij niet meer zonder de daarvoor benodigde toestemming zal overgaan tot het aangaan van financiële verplichtingen, waaronder de aanschaf van een auto en/of het afsluiten van een verzekering. Dat [appellant] , zoals de bewindvoerder aanvoert, herhaaldelijk rechtshandelingen verricht die voor [appellant] financieel nadelig uitpakten, waaronder het aangaan van verplichtingen zonder voorafgaand overleg, is door [appellant] gemotiveerd betwist en blijkt ook niet uit de stukken. Mocht in de toekomst blijken dat [appellant] niet of onvoldoende van dit voorval heeft geleerd en vaker financiële verplichtingen aangaat zonder de daarvoor benodigde toestemming, dan kan het hof zich voorstellen dat er op enig moment wel voldoende aanleiding zal zijn om het bewind ter bescherming van het vermogen van [appellant] in te schrijven, maar daar is op dit moment (nog) geen sprake van.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 18 september 2025 en:
wijst het verzoek van de bewindvoerder tot inschrijving van het door de kantonrechter ingestelde bewind over het vermogen van [appellant] alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:436 lid 3 derde Pro zin BW