Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3529

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
21-003238-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling deelname criminele organisatie en hennepkwekerijen met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diverse feiten in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het hof bevestigt de bewezenverklaring en kwalificatie grotendeels, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen.

De bewezenverklaring betreft medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet, met betrekking tot grote hoeveelheden hennep, en deelname aan een organisatie die misdrijven pleegt zoals bedoeld in artikel 11 derde Pro lid van de Opiumwet. Verdachte speelde een uitvoerende, niet ondergeschikte rol binnen een professionele organisatie die meerdere hennepkwekerijen exploiteerde.

Het hof heeft de straf bepaald op 26 maanden gevangenisstraf, waarbij rekening is gehouden met de ernst van de feiten, de rol van verdachte, het professionele karakter van de organisatie, en de overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar, waarvoor vier maanden strafvermindering is toegepast. De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding zijn afgewezen wegens onvoldoende causaal verband met het bewezenverklaarde.

De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met aftrek van voorarrest. Het hof bevestigt het vonnis voor het overige en draagt partijen ieder hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 26 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan criminele organisatie en hennepkwekerijen met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003238-20
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 met parketnummer 08-952175-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. G.J. Ligtenberg, naar voren is gebracht.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor:
  • medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feiten 1, 3, 4, 5 en 7);
  • medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 2);
  • opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 6);
  • deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde Pro lid van de Opiumwet (feit 8).
Daarbij is aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 21 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De benadeelde partijen zijn
niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank goeddeels op juiste gronden en juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen, behalve voor zover het betreft de opgelegde straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Het hof zal aldus het vonnis bevestigen, met dien verstande dat
  • enkele gronden van het vonnis zullen worden verbeterd en aangevuld, zoals hieronder uiteengezet;
  • de kwalificatie van de bewezenverklaring van het onder 1, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde verbeterd dient te worden gelezen, zoals hieronder uiteengezet;
  • het vonnis ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen zal worden vernietigd, waarna het hof een straf zal bepalen.

Verbetering en aanvulling van gronden

De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt verbeterd en aangevuld.
Het hof verbetert op pagina 6 van het vonnis de volgende zin:
“Verder heeft een overbuurman omstreeks augustus/september 2015 een sterke wietlucht geroken, waarvan hij dacht dat deze uit de loods aan [adres 2] kwam. [1]
als volgt:
“Verder heeft een overbuurman omstreeks augustus/september 2014 een sterke wietlucht geroken, waarvan hij dacht dat deze uit de loods aan [adres 2] kwam. [2]
Het hof vult noot 23 op pagina 7 van het vonnis:
“Pagina 700.”
als volgt aan:
“Pagina 700 en pagina 515 waaruit blijkt dat tijdens de verhoren de foto's uit het fotoboek zijn gebruikt om te tonen en dat in de verklaringen enkel de nummers zijn genoemd.”
Het hof verbetert op pagina 10 van het vonnis de volgende zinnen:

Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door [bedrijf 1]
[3] De bestuurder en enig aandeelhouder van dit bedrijf is [medeverdachte]
(hierna: [medeverdachte] ). [4]
als volgt:

Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door eenmanszaak [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). [5]
Het hof vult noot 51 op pagina 11, noot 121 op pagina 20 en noot 140 op pagina 23 van het vonnis de volgende zin:
“De rechtbank verwijst naar pagina 700 voor de legenda.”
als volgt aan:
“De rechtbank verwijst naar pagina 700 voor de legenda en naar pagina 515 waaruit blijkt dat tijdens de verhoren de foto's uit het fotoboek zijn gebruikt om te tonen en dat in de verklaringen enkel de nummers zijn genoemd.”
De rechtbank heeft op pagina 25 van het vonnis, het volgende overwogen:
“Hieruit is gebleken dat zijn voertuig zich op 27 februari 2016 gedurende een lange tijd bij het pand aan [adres 3] bevond. [6]
Het hof zal de zinsnede
“gedurende een lange tijd”schrappen.
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer wordt weersproken door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en de hierboven in dit arrest opgenomen aanvullingen en verbeteringen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen twijfelen.
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof dat de verklaring van verdachte dat hij alleen bij het pand aan [adres 4] is geweest om een koelcel te plaatsen niet aannemelijk is door de vaststelling van de peilbakengegevens, waaruit blijkt dat het voertuig van verdachte in twee maanden tijd negen keer bij het pand is geweest. Bovendien heeft het hof, met de rechtbank, op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte (ook) heeft geholpen met de opbouw van de kwekerij.

Verbetering van de kwalificatie

De in het vonnis opgenomen kwalificatie van de bewezenverklaring van het onder 1, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde betreft, gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering, een kennelijke misslag, die op de strafbepaling geen invloed zal hebben gehad, en die zich om die reden leent voor verbeterde lezing.
Het hof is derhalve van oordeel dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde verbeterd dient te worden gelezen, als volgt:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd, rekening houdend met het tijdsverloop, dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte, gelet op zijn beperkte rol in het geheel en op de overschrijding van de redelijke termijn, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf, dan wel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof gelet op het aandeel dat verdachte in de criminele organisatie heeft gehad. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een uitvoerende, maar niet ondergeschikte, rol gespeeld binnen de criminele organisatie. Verdachte is aantoonbaar bij zes hennepkwekerijen betrokken geweest. Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook het criminele circuit waarvan deel wordt uitgemaakt.
Ook weegt het hof het professionele dan wel bedrijfsmatige karakter van de organisatie mee. De organisatie is verantwoordelijk voor (in elk geval) zeven hennepkwekerijen, waarin telkens grote hoeveelheden hennepplanten stonden. Tot slot is in de woning van verdachte een grote hoeveelheid hasjiesj en marihuana aangetroffen.
Ten behoeve van enkele hennepkwekerijen werd onrechtmatig elektriciteit afgetapt. Hoewel de opsteller van de tenlastelegging dit kennelijk als (buitenwettelijke) strafverzwaringsgrond heeft opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu niet vast staat dat verdachte een strafbaar aandeel heeft gehad in het onrechtmatig aftappen van de elektriciteit.
Uit het strafblad komt naar voren dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsman naar voren zijn gebracht.
Het hof heeft oog voor de gevolgen die een gevangenisstraf mogelijk voor hem zou hebben en ook acht geslagen op het lange tijdsverloop van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de feiten, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen straf rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Het hof acht per hennepkwekerij in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend. Voor het deelnemen aan de criminele organisatie acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op zijn plaats en voor het voorhanden hebben van 1058 gram hasjiesj en een hoeveelheid van 185,7 gram marihuana een gevangenisstraf van twee maanden. Alles afwegend, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, passend en geboden.
Het hof stelt vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 21 januari 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 21 januari 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter op 2 september 2020 vonnis gewezen, circa twee jaren en zeven maanden later. Het heeft ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 14 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en acht maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.
Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden met de bedoeling deze tegelijkertijd te behandelen en af te doen. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een voortdurende termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet deze overschrijding aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door vier maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden worden opgelegd. Een lagere gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg twee vorderingen tot schadevergoeding ingediend, een van € 5.905,96 en een van € 20.046,68.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 56.688,54 ingediend.
De benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaard, omdat de schadeveroorzakende feiten niet afzonderlijk als diefstal is ten laste gelegd. Aldus is volgens de rechtbank door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen.
De benadeelde partijen hebben in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd.
Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Naar het oordeel van het hof is in dit geval onvoldoende gebleken dat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden. De benadeelde partijen kunnen daarom in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
26 (zesentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Pagina 6255.
2.Pagina 6255.
3.Pagina 7139 en pagina 7374.
4.Pagina’s 7131-7132.
5.Pagina 7139 en pagina 7374.
6.Pagina 13022.