Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor medeplichtigheid aan een hennepkwekerij en de rechtbank legde een ontnemingsvordering op van €14.300 met een gijzeling van maximaal 286 dagen. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd vanwege een andere beoordeling van de betalingsverplichting en gijzeling.
Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op maandelijkse opbrengsten van €1.250 en kosten van €600 over een periode van 22 maanden, resulterend in een bedrag van €14.300. De verdediging stelde een lager bedrag voor, maar het hof achtte dit niet aannemelijk.
De redelijke termijn voor de procedure werd overschreden met meer dan vijf jaar in hoger beroep, waardoor het hof de betalingsverplichting matigt tot €12.000. De draagkracht van betrokkene is niet aannemelijk onvoldoende gebleken, en de maximale duur van de gijzeling wordt vastgesteld op 120 dagen.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht door het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op €14.300, de betalingsverplichting op €12.000 en de gijzeling op maximaal 120 dagen.