Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3536

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.361.400/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging begeleide omgangsregeling moeder met kinderen onder toezicht

Deze zaak betreft een hoger beroep over de omgangsregeling tussen een moeder en haar twee kinderen die onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI) en geplaatst zijn in een netwerkpleeggezin. De moeder heeft het gezag over de kinderen, die sinds augustus 2023 onder toezicht zijn gesteld met een machtiging tot uithuisplaatsing. De omgangsregeling voorziet in begeleid contact van de moeder met elk kind afzonderlijk, eenmaal per veertien dagen gedurende minimaal twee uur.

De GI had verzocht om opschorting van de contactregeling, maar de kinderrechter wees dit af en bepaalde de huidige regeling. De moeder kwam in hoger beroep tegen deze beslissing, terwijl de GI ook in hoger beroep kwam tegen de omgangsregeling van de vader, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Het hof oordeelt dat de huidige regeling in stand moet blijven vanwege de zware belasting van de kinderen, hun gedragsproblemen en de noodzaak van structuur en rust. De omgang met de ouders leidt tot ontregeling bij de kinderen, en een minder frequente maar langere omgang wordt als beter beschouwd. Het hof wijst de verzoeken van de moeder en GI af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de begeleide omgangsregeling van twee uur per kind per veertien dagen en verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek over de omgang van de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.400
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 245661
beschikking van 2 juni 2026
over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.L. Witteveen
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
gevestigd te Amsterdam
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbenden](de pleegouders, oom en tante)
die wonen in [woonplaats]
Als informant is aangemerkt:
[informant](de (stief)vader)
die woont in [woonplaats]
In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Noord Nederland, locatie Groningen

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het verzoek van de GI tot opschorting van de contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] afgewezen en als contactregeling bepaald dat de moeder met beide kinderen afzonderlijk één keer per veertien dagen, gedurende minimaal twee uur, begeleid contact heeft. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Deze procedure gaat over de zoon van de moeder:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2014 in [woonplaats] .
en over de dochter van de vader en de moeder:
[de minderjarige2] , geboren [in] 2018 in [woonplaats] .
De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.
De biologische vader van [de minderjarige1] is niet beeld.
2.2.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn sinds 15 augustus 2023 onder toezicht gesteld van de GI en daarbij is een machtiging tot uithuisplaatsing in een (netwerk)pleeggezin verleend. Deze maatregelen gelden nog steeds (tot 15 augustus 2026).
2.3.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij hun oom en tante (zus van de moeder) en hun drie kinderen.
2.4
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hadden eenmaal per twee weken, apart van elkaar, twee uur begeleide omgang met de moeder. In de tussenliggende week hadden [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eenmaal per veertien dagen, apart van elkaar, begeleide omgang met de vader.
2.5.
De GI heeft op 24 april 2025 een schriftelijke aanwijzing aan de ouders gegeven. Daarin is meegedeeld dat de ouders nog maar één uur per maand een contactmoment zullen hebben met de kinderen ieder afzonderlijk. De moeder was het niet eens met haar gewijzigde contactregeling en heeft de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
Bij beschikking van 19 juni 2025 heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen verklaard en als zorgregeling bepaald dat de moeder de ene week drie uur begeleid contact heeft met [de minderjarige1] en de andere week drie uur begeleid contact heeft met [de minderjarige2] . Het contactmoment zal bij de moeder thuis plaatsvinden. Indien [naam1] het contactmoment niet de volledige drie uur bij de moeder kan begeleiden dan vindt het contactmoment voor het overige onbegeleid plaats.
2.6.
De GI heeft bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder ingediend.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft aan de kinderrechter op 9 juli 2025 verzocht de zorg- en contactregeling van de moeder en de vader met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op te schorten totdat er een nieuwe vorm van begeleid contact kan worden gerealiseerd.
3.2.
De kinderrechter heeft dit verzoek van de GI afgewezen en als contactregeling bepaald dat de moeder met beide kinderen afzonderlijk één keer per veertien dagen, gedurende minimaal twee uur, begeleid contact heeft.
Voor de vader heeft de kinderrechter dezelfde beslissing gegeven.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 augustus 2025.
3.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben nu – apart van elkaar – eenmaal per veertien dagen twee uur begeleide omgang met de moeder, en in de tussenliggende week – ook apart van elkaar – eenmaal per veertien dagen twee uur begeleide omgang met de vader.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de omgangsregeling van twee uur begeleide omgang per kind per veertien dagen die is vastgesteld en nu wordt uitgevoerd. Zij is daarom in hoger beroep gekomen.
De moeder wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst, of anders dat het hof een contactregeling bepaalt die het hof juist acht.
4.2.
De GI is het niet eens met het verzoek van de moeder en ook niet met de beslissing van de kinderrechter. De GI komt daarom ook in hoger beroep.
De GI verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen en als zorgregeling te bepalen dat de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] afzonderlijk eenmaal per maand drie uur contact heeft.
Verder verzoekt de GI te bepalen dat de vader een keer per maand met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] afzonderlijk twee uur contact heeft.
Als het de ouders lukt om zich aan de gemaakte afspraken te houden en zich te laten aansturen dan heeft de GI de intentie om de ouders samen omgang te laten hebben met een van de kinderen; de ouders zien de kinderen dan twee keer per maand.
4.3.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de GI.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 4 november 2025
  • de stukken van de moeder, ingediend op 26 november 2025
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de GI
  • de brief van de raad van 1 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de GI, ingediend op 21 april 2026
  • de stukken van de moeder, ingediend op 21 april 2026
  • de schriftelijke reactie van de moeder van 12 mei 2026 op de stukken van de GI van 21 april 2026.
4.4.
De voorzitter en een griffier van het hof hebben op 28 april 2026 gesproken met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen hebben onder meer verteld wat zij vinden van het contact met hun ouders.
4.5.
De zitting bij het hof was op 29 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de tante (pleegmoeder)
  • de vader.
De begeleider van de moeder en de vader was als toehoorder aanwezig in de zaal.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [1]
Verzoek GI in hoger beroep om de omgang tussen de kinderen en de vader te wijzigen
5.2.
De moeder is in hoger beroep gekomen van de beslissing van de kinderrechter over haar omgangsregeling met de kinderen. De GI heeft een verweerschrift tegen het verzoek van de moeder ingediend en is daarbij, na het verstrijken van de termijn van drie maanden, zelfstandig in hoger beroep gekomen tegen de omgangsregeling van de vader. De vader is door het hof in het hoger beroep van de moeder niet aangemerkt als belanghebbende omdat hij geen gezag heeft over de kinderen. De vader is zelf niet in hoger beroep gekomen van de beslissing van de kinderrechter over zijn omgangsregeling met de kinderen. Dit maakt dat het hoger beroep van de GI tegen de omgangsregeling van de vader te laat is ingediend en dat deze procedure uitsluitend gaat over de omgang tussen de moeder en de kinderen. De GI kan in deze procedure geen wijziging van de beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen verzoeken. Het hof zal de GI daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.
De omgang tussen de moeder en de kinderen
5.3.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kinderrechter dat de moeder met beide kinderen afzonderlijk één keer per veertien dagen, gedurende minimaal twee uur, begeleid contact heeft, op dit moment in stand moet blijven en legt hierna uit waarom.
5.4.
Het hof is van oordeel dat de GI en de tante duidelijk hebben uitgelegd dat [de minderjarige1] en
[de minderjarige2] op dit moment zwaar belast worden. De sociaal-emotionele ontwikkeling van beide kinderen verloopt moeizaam. Zij kampen beiden met gedragsproblemen en hebben veel structuur, duidelijkheid, rust en passende begeleiding nodig om aan hun eigen ontwikkeling te kunnen toekomen. Vanwege het drukke wekelijkse programma van de kinderen lukt dit nu eigenlijk onvoldoende. De school en instanties hebben hun zorgen over de situatie van de kinderen schriftelijk geuit. De kinderen hebben op maandag traumatherapie. De therapie moet leiden tot verwerking van de ingrijpende gebeurtenissen die de kinderen hebben meegemaakt. De therapie kan gevoelens bij de kinderen losmaken en een behoorlijke impact op ze hebben. Op dinsdag hebben de kinderen afwisselend de ene week contact met de moeder en de andere week met de vader. Op die dagen gaan ze niet naar school. [de minderjarige1] geeft aan dat hij kampt met gevoelens van boosheid naar beide ouders en minder vaak contact met ze wil. [de minderjarige2] geeft juist aan dat zij vaker contact wil met haar ouders. Toegelicht is dat de kinderen na de omgang vaak behoorlijk ontregeld zijn (woedeaanvallen, ongecontroleerd verdriet, verminderde concentratie) en moeten herstellen.
Daarnaast verblijven de kinderen een paar dagen per week bij logeeropvang De Buffelaar, om te voorkomen dat het verblijf van de kinderen voor de oom en tante en hun gezin tot overbelasting leidt en de pleegzorgplaatsing in gevaar komt.
Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige2] op dit moment een-op-eenbegeleiding nodig heeft om tot leren te komen. De pleegmoeder heeft toegelicht dat dat op dit moment ook geldt voor de zwemles van [de minderjarige2] op woensdag.
Het hof stelt op basis van deze informatie vast dat er sprake is van een heel broos evenwicht.
5.5.
Uit de recente omgangsverslagen van [naam2] en uit de stelling van de GI leidt het hof – anders dan de moeder – af dat de invulling van de omgang door de ouders niet altijd goed verloopt (bijvoorbeeld de gang van zaken rondom het dagboekje met de moeder). Beide ouders doen of zeggen soms dingen waardoor de kinderen in een loyaliteitsconflict worden gebracht of waardoor de kinderen met zaken worden belast, waarmee ze gelet op hun leeftijd en positie, niet in aanraking zouden moeten komen. Dat de vader hierin volgens de moeder een groter aandeel in heeft, doet hier niet aan af. De nabesprekingen komen ook nog steeds niet volledig van de grond en adviezen en feedback worden niet altijd aanvaard. Dat de moeder stelt dat zij de omgangsregeling goed nakomt, maakt het voorgaande niet anders en is niet van doorslaggevend belang.
5.6.
De zwaar belaste situatie van de kinderen maakt dat het hof zich kan voorstellen dat het in het belang is van beide kinderen om het wekelijks contact met de ene week de ene ouder en de andere week met de andere ouder te veranderen naar een minder frequent maar wel langer contact. De kinderen zullen daardoor meer rust ervaren en zich beter kunnen richten op hun eigen ontwikkeling. Als het hof de frequentie van de omgang van de kinderen met de moeder terugbrengt en de huidige omgangsregeling met de vader in stand blijft, omdat de omgang van de kinderen met de vader niet voorligt in deze procedure, dan heeft de vader vaker omgang met de kinderen dan de moeder. Het hof is van oordeel dat dit niet in het belang is van en mogelijk verwarrend is voor de kinderen. Het is niet uit te leggen aan de kinderen dat zij om procedurele redenen hun moeder minder vaak mogen zien dan hun vader. Daar komt bij dat de GI heeft toegelicht dat de omgang met beide ouders moet worden terugbracht in frequentie, maar dat de omgang – gelet op de wijze waarop de ouders invulling geven aan de omgang – juist met de moeder in duur langer kan zijn dan de omgang met de vader. Een eventuele wijziging van de omgang met de moeder moet met het oog op de belangen van de kinderen gelijktijdig met een beslissing over en afgestemd op de omgang met de vader tot stand worden gebracht.
5.7.
Het vorenstaande maakt dat het hof de verzoeken van de moeder en de GI over de omgang met de moeder zal afwijzen (de beslissing van de kinderrechter wordt bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 augustus 2025 ten aanzien van de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen;
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
J.U.M. van der Werff, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op
2 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 1 BW