Deze zaak betreft een hoger beroep over de omgangsregeling tussen een moeder en haar twee kinderen die onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI) en geplaatst zijn in een netwerkpleeggezin. De moeder heeft het gezag over de kinderen, die sinds augustus 2023 onder toezicht zijn gesteld met een machtiging tot uithuisplaatsing. De omgangsregeling voorziet in begeleid contact van de moeder met elk kind afzonderlijk, eenmaal per veertien dagen gedurende minimaal twee uur.
De GI had verzocht om opschorting van de contactregeling, maar de kinderrechter wees dit af en bepaalde de huidige regeling. De moeder kwam in hoger beroep tegen deze beslissing, terwijl de GI ook in hoger beroep kwam tegen de omgangsregeling van de vader, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Het hof oordeelt dat de huidige regeling in stand moet blijven vanwege de zware belasting van de kinderen, hun gedragsproblemen en de noodzaak van structuur en rust. De omgang met de ouders leidt tot ontregeling bij de kinderen, en een minder frequente maar langere omgang wordt als beter beschouwd. Het hof wijst de verzoeken van de moeder en GI af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.